Wetenschap - 25 september 1997

Wageningen moet uit zijn landbouwschulp kruipen

Wageningen moet uit zijn landbouwschulp kruipen

Wageningen moet uit zijn landbouwschulp kruipen
Directeur Staring Centrum: fuseren aan de koffietafel
Het DLO-Staring Centrum is misschien het meest met de Landbouwuniversiteit vervlochten DLO-instituut. Toch ziet directeur Andre van der Zande voordelen in een nog verdergaande fusie. Wageningen kan eindelijk alle kennis bundelen en bruikbaar maken voor het landelijk gebied. Dat landelijk gebied is meer dan landbouw alleen. Wageningen moet uit zijn landbouwschulp kruipen en de discussie over de groene ruimte initieren en voeden met wetenschappelijke argumenten
Deze zomer verschenen bijna tegelijkertijd de Milieuverkenning (VROM), de Ruimtelijke Verkenningen (VROM), de Natuurverkenning (LNV) en de Watersysteemverkenning (V&W). Politiek Den Haag raakt er langzaam van doordrongen dat de onderwerpen nauwe raakvlakken hebben en dat een integrale verkenning, waarin de kwaliteit en kwantiteit van de ruimte van Nederland centraal staat, op den duur onontkoombaar is. Als het ligt aan dr Andre van der Zande, directeur van het DLO-Staring Centrum, wordt het Kenniscentrum Wageningen het instituut om een dergelijke verkenning uit te voeren
Van der Zande: Wageningen zal zich moeten toeleggen op de integratie van allerlei functies van de groene ruimte. Daarvoor is een emancipatie van het onderzoek van het landelijk gebied nodig. Niet alles in het landelijk gebied heeft met landbouw te maken. Sterker nog, nergens draagt de landbouw voor meer dan twintig procent bij aan de economie van een streek. Ik vind dat het Wageningse onderzoek over het landelijk gebied, de open ruimte, ook over die andere tachtig procent moet gaan. Landbouw is geen alles bepalende factor meer in het landelijke gebied, lees Jorwerd (Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak, red.).
Profileren
Sinds anderhalf jaar is Van der Zande directeur van het DLO-Staring Centrum. In die functie heeft hij zich ontpopt als warm voorstander van een integratie van de Landbouwuniversiteit en de DLO-instituten, omdat Wageningen zich dan kan profileren als het kenniscentrum op het gebied van de groene ruimte. Het kenniscentrum zal het nationale en Europese debat over de ruimte moeten initieren, vindt hij
Maar daarvoor moet Wageningen van zijn introverte karakter af. Wanneer treedt er nu eens een Wageningse hoogleraar op de voorgrond? Het lijkt erop dat Wageningen vooral reageert op anderen en meestal dan nog in de verdediging. Zelden worden in Wageningen discussies over ruimtelijke inrichting of het platteland aangezwengeld of laat iemand een standpunt horen. Ik denk dat het Kenniscentrum Wageningen met zijn enorme potentieel daar de komende jaren in moet investeren.
Als bijvoorbeeld blijkt dat transport, logistiek en infrastructuur meer en meer de ruimtelijk inrichting van het landelijk gebied bepalen, moet het Kenniscentrum Wageningen zich afvragen of het niet een paar hoogleraren vervoerkunde of logistiek moet aantrekken, vindt Van der Zande. Misschien kan Wageningen die kennis ook halen uit een alliantie met een technische universiteit. Maar als blijkt dat die kennis zo belangrijk is, moeten we dat in eigen huis hebben, ook al staat het ver van de landbouw af.
Verstedelijkingsdruk
In het jaarboek 1997 neemt het DLO-Staring Centrum al een standpunt in over de groene ruimte. Het boek begint met een uitvoerig essay waarin het instituut zijn visie op de kansen en mogelijkheden, bedreigingen en problemen in het landelijk gebied geeft. Het instituut analyseert de mogelijkheden en de toekomst van de landbouw als producent en beheerder van de groene ruimte, maar neemt daar heel nadrukkelijk ook de verstedelijkingsdruk, de druk van het milieu en de claims van natuur, recreatie en bos in mee. Op basis daarvan wordt een mogelijke ruimtelijke ontwikkeling gepresenteerd, waarbij voor Zeeland een toekomst in het verschiet ligt met grootschalige duurzame landbouw. Het rivierengebied is geschikt voor veehouderij en deels voor akker- en tuinbouw. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor de ontwikkeling van natte natuur en is de centrale ligging van het gebied ideaal voor mensen die goed bereikbaar voor de Randstad, maar toch landelijk willen wonen
In dit gebied is de functieverweving zeer nadrukkelijk aanwezig en zal er een model moeten komen waarbij landbouw in combinatie met tijdelijke waterberging binnendijks en natuurontwikkeling in de uiterwaarden mogelijk wordt. Die functiecombinatie waarborgt in de toekomst een waardevolle groene ruimte binnen het stedelijke gebied, menen de opstellers van het essay
Het essay eindigt met het hoofdstukje sturing: Een probleem is dat de overheid de verschillende functies op nationaal niveau verkokerd aanstuurt. Om de beperkte ruimte efficient te kunnen benutten moeten de verschillende beleidsterreinen verder op elkaar worden afgestemd. De landbouw moet bij deze afstemming een belangrijke rol vervullen, omdat hij ook in de toekomst de grote beheerder van de groene ruimte blijft.
Stellingname
Het is opmerkelijk dat het Staring Centrum zich zo nadrukkelijk profileert met een standpunt over de groene ruimte. Ook het Staring Centrum moet immers de markt op en een uitgesproken stellingname kan potentiele klanten toch afschrikken? Dat kan soms gevaarlijk zijn. Ik denk ook wel dat dit een reden is geweest dat Wageningen zich zo lang op de achtergrond heeft gehouden bij het maatschappelijk debat over landbouw. De sector moest immers veel geld verdienen en ook de eigen kennis werd een exportproduct.
Toch vind ik dat we als wetenschappers onze maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben en een eigen standpunt moeten formuleren. Zolang je dat met wetenschappelijke argumenten kan onderbouwen, is er volgens mij geen probleem. Als wij dus in ons essay schrijven dat Zeeland vooral geschikt is voor grootschalige landbouw, leiden wij dat af van ontwikkelingen die wij constateren. Als vervolgens iemand onderzocht wil hebben of Zeeland ook geschikt is voor een heel ander landgebruik, is het voor ons juist een uitdaging om te onderzoeken of andere ontwikkelingen ook mogelijk zijn. Het gaat mij er dus om met goed gefundeerde argumenten het debat in te gaan.
Overigens zal het DLO-Staring Centrum zich daarnaast ook gewoon, net als de andere DLO-instituten, bezig blijven houden met geld verdienen. De markt voor onderzoek naar de ruimtelijke inrichting is vrij helder en bestaat voornamelijk uit de ministeries en regionale overheden
Herziening
Daarnaast heeft het instituut volgens Van der Zande in markttermen een aantal aardige cash cows. Met name het ecotoxicologisch onderzoek naar bestrijdingsmiddelen in opdracht van de industrie en het leveren van gegevens uit diverse meetnetwerken voor bodem, water en lucht zorgen voor de nodige inkomsten. Deze afdelingen werken bijna zelfvoorzienend en het is voor Van der Zande dan ook zaak om ook deze groepen scherp te houden. Er blijkt een niet te stillen honger te zijn naar data. En als we willen, kunnen we nog heel lang doorgaan met het leveren daarvan. Ik denk alleen dat het goed is om ook hier vernieuwend bezig te zijn. Als voorbeeld noemt Van der Zande de grondwatertrappen, die de grondwaterstand in een gebied in verschillende seizoenen aangeven. Die gegevens vinden nog steeds gretig aftrek, maar ik denk dat het tientallen jaren oude systeem toe is aan een herziening.
Uiteindelijk moet volgens Van der Zande een belangrijke discussie gevoerd worden over hoe het Kenniscentrum omgaat met de verhandelbaarheid van informatie. Er is namelijk niet altijd even scherp een grens te trekken tussen kennis die speciaal voor een opdrachtgever is gegenereerd en kennis die een publieke taak zou moeten hebben. Ik ben van mening dat er straks binnen het KCW een hele scherpe scheiding moet zijn tussen het private en het publieke onderzoek. Ik weet dat er ook stemmen zijn die een meer hybride model voorstaan, maar in de praktijk merken wij nu al dat dat niet te organiseren is. Want wat doe je met kennis waar een publieke opdrachtgever voor heeft betaald terwijl anderen die kennis ook willen hebben?
Koppeling
Naast het toegepast en contractonderzoek moet er nog steeds fundamenteel wetenschappelijk onderzoek gedaan worden. Voor de groene ruimte is de uitdaging de komende jaren vooral de enorme hoeveelheid beschikbare kennis met elkaar in verband te brengen en in te zetten voor de thema's duurzaamheid en leefbaarheid, meent Van der Zande. We weten veel over milieu, ruimtelijke ordening, hydrologie, klimaat en plattelandseconomie, maar het komt er nu op aan een koppeling te leggen tussen al die vakgebieden. De kennis is nu vaak nauwelijks toepasbaar of aan elkaar te koppelen vanwege de verschillende tijd- en ruimteschalen die worden gebruikt. De kennis is versplinterd en verkokerd aanwezig. Er moet dus veel opgeschaald of neergeschaald worden en dat vereist nauwgezet onderzoek naar de mogelijkheden daartoe.
Hoe het KCW daarvoor het beste georganiseerd kan worden, weet Van der Zande nog niet. Ik vraag me bijvoorbeeld af wat de beste omvang is voor de expertisegroepen. Ik ga ervan uit dat er verschillende expertiseclusters komen waarin de medewerkers hun thuisbasis hebben. De drie vragende partijen - het onderwijs, het onderzoek en de contractresearch - zoeken de beste mensen per opdracht. De vraag is dus wat de basiseenheid is van het KCW en vooral hoe de mix is tussen de beta- en de gammawetenschappers. Kijk, het Mansholtinstituut kreeg geen erkenning als onderzoekschool omdat er te weinig samenhang zit in zo'n monodisciplinair thema, sociologische wetenschappen. Van de andere kant is het thema milieu weer te breed om er een cluster van te maken.
Het heeft te maken met je visie op de missie van het Kenniscentrum. Wij hadden laatst de discussie bij welk LUW-departement onze medewerker Vervloet het beste als hoogleraar Historische geografie ondergebracht kan worden. Als fundamentele wetenschap past het misschien het beste bij Agrarische geschiedenis, maar in de toepassing van die wetenschap past hij weer veel beter bij Ruimtelijke planvorming. Je kan zeggen dat het niet veel uitmaakt hoe je het precies regelt, als mensen maar met elkaar kunnen samenwerken. Het Staring Centrum is van oudsher al vervlochten geweest met de bodemkundevakgroepen, hydrologie, ruimtelijke planvorming en geografische informatiesystemen en de scheiding is grotendeels opgeheven. Maar ik denk dat de echte interactie tussen wetenschappers toch nog steeds voor een groot deel aan de koffietafel plaatsvindt en dat daarom ook een fysieke fusie tussen de LUW en DLO een groot goed is.

Re:ageer