Wetenschap - 12 maart 1998

Vrouwen zijn onzeker over borstvoeding

Vrouwen zijn onzeker over borstvoeding

Vrouwen zijn onzeker over borstvoeding
Marianne van de Ven, Voorlichtingskunde
Eigenlijk wilde Marianne van de Ven voor haar afstudeervak Voorlichtingskunde onderzoeken waarom vrouwen hun baby borstvoeding of flesvoeding geven. De vrouwen uit haar onderzoek hadden echter bijna allemaal voor borstvoeding gekozen. Noodgedwongen paste zij haar probleemstelling aan: waarom stoppen vrouwen weer met het geven van borstvoeding?
Van de Ven stuurde 85 moeders een lijst met voor het merendeel gesloten vragen. Ze vroeg hen wat voor voeding ze hun kind gaven en waarom ze die keuze hadden gemaakt. Met stellingen als: Flesvoeding is veel makkelijker in gebruik en Ik durf mijn kind in een publieke gelegenheid niet de borst te geven probeerde ze bovendien meer te weten te komen over de houding van vrouwen ten opzichte van borst- en flesvoeding
De respons was hoog. Tachtig vrouwen stuurden de enquete terug. Van de Ven kon de gegevens van zeventien vrouwen echter niet gebruiken, omdat ze niet voldeden aan de selectiecriteria. Ze hadden bijvoorbeeld langer dan 24 uur in het ziekenhuis gelegen, er waren complicaties geweest bij de bevalling of het kind was te vroeg geboren
Literatuuronderzoek had Van de Ven geleerd dat Nederlandse vrouwen hun baby vaak met de fles voeden. Ze was dan ook uiterst verbaasd toen bleek dat zestig vrouwen waren begonnen met borstvoeding. Van de Ven verklaart dit hoge aantal door het feit dat deze vrouwen voor het eerst een kind kregen. Bij een tweede kind kiezen ze waarschijnlijk sneller voor flesvoeding.
De vrouwen uit het onderzoek hielden het geven van borstvoeding niet lang vol. De helft was na zes weken al gestopt. De redenen zijn curieus: 24 vrouwen zeiden niet genoeg melk te hebben gehad. Dat kan helemaal niet, zegt Van de Ven. Biologisch gezien is slechts vijf tot tien procent van de vrouwen niet in staat om borstvoeding te geven. Ze denkt daarom dat onzekerheid de echte oorzaak is: Je kunt nu eenmaal niet zien hoeveel melk er uit een borst komt.
Onwetendheid speelt waarschijnlijk eveneens een rol. Als een kind veel huilt of niet groeit zoals volgens de groeicurve zou moeten, krijgt een moeder van de wijkverpleegkundige meteen het advies het kind bij te voeden met de fles. Het gevolg is dat het kind nog minder moedermelk drinkt, zodat de hoeveelheid borstvoeding afneemt. Borstvoeding is nu eenmaal een kwestie van vraag en aanbod.
Andere mogelijke redenen voor de overstap op flesvoeding, bijvoorbeeld het feit dat een vrouw weer gaat werken, waren veel minder belangrijk dan verwacht. Van de Ven: De meeste vrouwen gaan na drie a vier maanden weer aan het werk. Zover komen ze niet met borstvoeding.
Van de Ven is dit jaar al de tweede student Huishoud- en consumentenwetenschappen die afstudeert op de keuze tussen borstvoeding en flesvoeding. Het onderzoek is van belang omdat deskundigen graag zouden zien dat vrouwen vaker kiezen voor borstvoeding. Borstvoeding geldt als gezonder voor het kind. Zo hebben kinderen die met de borst zijn gevoed minder vaak last van allergieen
Van de Ven verrichtte haar onderzoek op aanvraag van de stichting Thuiszorg IJsselZwartewater in Zwolle. De stichting is betrokken bij de werkgroep Eenduidig Beleid Borstvoeding, een Zwols initiatief. Vrijwilligers van deze werkgroep geven onder meer cursussen over borstvoeding aan werknemers in de gezondheidszorg
Kennisvermeerdering lijkt niet overbodig. Een kwart van de vrouwen gaf aan tegenstrijdige of onvolledige informatie te hebben gehad. Zo weten vrouwen niet of ze per voedingsbeurt een borst of beide borsten moeten gebruiken. Het gebruik van tepelhoedjes ter voorkoming van pijnlijke tepelkloofjes en het al dan niet hanteren van strakke voedingsschema's, zijn andere punten waarover moeders tegenstrijdige adviezen hadden ontvangen
Kennisvermeerdering alleen is echter niet genoeg om borstvoeding te promoten, zegt Van de Ven. De vrouwen in mijn onderzoek wisten allemaal dat borstvoeding beter is. Toch stopten ze. Vrouwen hebben ook sociale en emotionele steun nodig. Een van haar aanbevelingen is dan ook dat vrouwen in de beginperiode beter worden ondersteund door de wijkverpleegkundigen en de partner, die beter moet worden geinformeerd
Hier stuit Van de Ven echter op een gevoelig punt. Wijkverpleegkundigen hebben vaak een neutrale houding tegenover borstvoeding. Ze zijn heel bang de vrouw een mening op te dringen. Natuurlijk is het niet goed de vrouwen een schuldgevoel aan te praten. Maar een wijkverpleegkundige mag best vragen waarom een vrouw stopt met borstvoeding.
Van de Ven zegt altijd al het idee gehad te hebben dat borstvoeding beter was. Maar na haar onderzoek is ze erg pro geworden. Het is beter voor het kind en je hebt het altijd bij de hand. Het is altijd hygienisch en op de juiste temperatuur. Bovendien is het ook nog milieuvriendelijk. En je hoeft er heus niet meer voor te eten.

Re:ageer