Wetenschap - 8 februari 1996

Vrije jongens en meisjes publiceren het best

Vrije jongens en meisjes publiceren het best

De nieuwe wetenschappelijke hitlist van de LUW

Een kleine driehonderd pagina's in een oranje dictaatomslag: het wetenschappelijk jaarverslag 1994 is uit. Publish or perish wordt in Wageningen letterlijk genomen, want de wetenschappers die buiten de onderzoekschoolboot zijn gevallen, publiceren zich te pletter. Dat valt althans tussen de regels door op te maken; het verslag richt zich op de trots der natie, de onderzoekscholen. De gebruikelijk feitjes, noodgedwongen anders geordend.


Het werd al bijna een traditie: de WUB-hitlist van Wagenings onderzoek. Ondanks alle mitsen en maren aardig vergelijkingsmateriaal voor bij de koffie. Basis voor de WUB-hitlist vormde het wetenschappelijk jaarverslag der Landbouwuniversiteit Wageningen. Prachtig te bewerken uitgangsmateriaal, in chronologische volgorde gepresenteerd en met werkelijk alle feiten over het vakgroepsonderzoek. Interessante managementinformatie en leuk om collegavakgroepen mee te pesten.

Helaas eisten de jachtige jaren negentig hun tol. Voor tradities is geen plaats en voor tijdrovende tijdreeksenvergelijkingen ook al niet. Het onderzoek is gehergroepeerd rond onderzoekscholen en daarom staan in het wetenschappelijk jaarverslag 1994 dan ook uitsluitend de scores van het onderzoekschoolonderzoek.

Da's ook een aardig beeld, maar helaas blijft nu onduidelijk of de koplopers van 1993 hun positie wisten te behouden. Vanaf dit jaar dan maar de hitlist onderzoekscholen: zeven echt Wageningse en tien landelijke onderzoekscholen waarin de universiteit min of meer participeert. Het vrije onderzoek, dat niet past binnen een of andere school, viel kennelijk buiten het bestek van de beleidsambtenaren, zodat er alleen in globale zin iets over te zeggen valt.

Volgens het voorwoord van het jaarverslag is de produktiviteit van de Wageningse onderzoekers in 1994 wederom gestegen; gemiddeld met zo'n acht procent. Het aantal promoties steeg zelfs met tien procent. Het laatste gegeven is een hard feit, het eerste is onderhevig aan de nodige datamassage. Zo zijn publikaties met auteurs van verschillende vakgroepen op meerdere plaatsen in het jaarverslag terug te vinden. Ook hoofdstukken in boeken worden soms als meerdere publikaties opgevoerd, waar in andere gevallen, bijvoorbeeld bij historische publikaties, een volledig boek als een item telt. Intrigerend bij het doorbladeren van het jaarverslag blijft de vermelding van de auteurs: het is wellicht eerlijk zes auteurs te noemen bij een publikatie van twee bladzijden, maar blijft merkwaardig aandoen.

Paradepaardje

De top van de echt Wageningse onderzoekscholen wordt zonder meer gevormd door het Wias, het Wageningen institute of animal sciences. Dit Zodiac-instituut blijkt in staat met relatief weinig inzet van extern gefinancierd personeel een heel hoge output te halen. Het paradepaardje van de Dreijen, het instituut voor Voeding, levensmiddelentechnologie, agrobiotechnologie en gezondheid (Vlag), blijkt in vergelijking met de andere wat tegen te vallen. In de top zeventien komt het instituut niet verder dan een elfde plaats.

De Dreijengroepen maken deze tegenvaller echter meer dan goed met de notering op de eerste twee plaatsen van de onderzoekschool Biotechnological sciences Delft Leiden (BSDL) en het instituut Polymeren PTN. De LUW lijkt bij beide een pro-forma-inzet te kennen, niet meer dan een formatieplaats, maar de effectiviteit van die inzet is enorm. Zeker de vakgroep Proceskunde weet haar inzet van een vaste 0,8-formatieplaats bij BSDL om te zetten in een onderzoeksgroep van bijna elf tijdelijke LUW-onderzoekers. Dit kan niet de maat der dingen zijn, maar het geeft wel aan dat in sommige wetenschapsvelden een kleine investering grote effecten kan hebben.

Inmiddels is 85 procent van de vaste onderzoeksformatie van de universiteit ondergebracht in onderzoekscholen. Deze vaste groep genereert vervolgens aan tweede- en derde-geldstroomformatie zelfs 92 procent van het totale onderzoekspotentieel. Desondanks blijkt dat de onderzoekers die nog als vrije jongens en meisjes door het leven gaan een hogere produktiviteit hebben dan de officiele beleidsspeerpunters in de onderzoekscholen, die slechts 78 procent van de publikaties voor hun rekening nemen. Ongetwijfeld is in de onlangs gepubliceerde cijferbrij terug te vinden welke onderzoekers waar hun bijdrage leveren aan deze hoge produktiviteit, maar deze feiten zijn niet geconsolideerd in fraaie overzichtelijke tabellen.

Kwantiteit is natuurlijk niet alles. Volgend jaar zal die ene gezaghebbende en aandachttrekkende publikatie van historicus prof. dr A.M. van der Woude, Nederland 1500 - 1815, de eerste ronde van moderne economische groei, zijn teruggebracht tot de ware beleidsmatige proporties: een itempje in het boekwerk van bijna driehonderd pagina's. Daarom noemen we hem hier maar even.

Tabellen

  • KOP = Omvang onderzoekscholen

  • = 1 EPW 155.6
  • = 2 PE 103.3
  • = 3 Vlag 101.9
  • = 4 M&T 89.9
  • = 5 Mans 84.6
  • = 6 Wias 71.9
  • = 7 Wimek 70.1
  • = 8 FO 30.7
  • = 9 Ceres 20.1
  • = 10 BSDL 11.8
  • = 11 Samo 6.9
  • = 12 Posthu 5.3
  • = 13 Nihes 5.0
  • = 14 PTN 4.3
  • = 15 Iushw 3.6
  • = 16 Ospt 3.0
  • = 17 Wtmc 0.4

    Totaal aantal LUW-wetenschappers betrokken bij onderzoeksscholen; eerste, tweede en derde-geldstroom. (bron wetenschappelijk jaarverslag 1994)

  • KOP = Publikaties I

  • = 1 Wias 348
  • = 2 PE 319
  • = 3 M&T 264
  • = 4 EPW 258
  • = 5 Mans 247
  • = 6 Wimek 245
  • = 7 Vlag 182
  • = 8 FO 90
  • = 9 Ceres 49
  • = 10 PTN 21
  • = 11 BSDL 19
  • = 12 Posthu 11
  • = 13 Samo 7
  • = 14 Iushw 6
  • = 15 Ospt 4
  • = 16 Nihes 0
  • = 17 Wtmc 0

    In deze tabel is opgenomen het aantal wetenschappelijke publikaties (A+B) per onderzoeksschool. (bron: wetenschappelijk jaarverslag LUW 1994/WUB)

  • KOP = Relatieve produktiviteit
  • KOP = A B b-a

  • = Wias 1 6 5
  • = PTN 10 14 4
  • = M&T 3 4 1
  • = Ospt 15 16 1
  • = Iushw 14 15 1
  • = Wimek 6 7 1
  • = Ceres 9 9 0
  • = FO 8 8 0
  • = Mans 5 5 0
  • = PE 2 2 0
  • = Posthu 12 12 0
  • = Wtmc 17 17 0
  • = BSDL 11 10 -1
  • = Samo 13 11 -2
  • = EPW 4 1 -3
  • = Nihes 16 13 -3
  • = Vlag 7 3 -4

    A: rangnummer publikatieproduktie; B: rangnummer aantal WP'ers. B-A geeft een relatieve indicatie. Indien de uitkomst nul is, is het aantal publikaties in overeenstemming met de relatieve omvang van de groep. Hoe hoger de uitkomst van B-A, des te beter scoort de onderzoekschool. (grootte gerelateerd aan aantal publikaties via rangnummers)

  • KOP = Tweede geldstroom

  • = 1 Samo 2.3
  • = 2 PTN 1.7
  • = 3 Ospt 1.5
  • = 4 BSDL 0.9
  • = 5 Nihes 0.7
  • = 6 EPW 0.6
  • = 7 FO 0.5
  • = 8 M&T 0.4
  • = 9 Ceres 0.4
  • = 10 Posthu 0.3
  • = 11 Wimek 0.2
  • = 12 PE 0.2
  • = 13 Wias 0.1
  • = 14 Vlag 0.1
  • = 15 Mans 0.1
  • = 16 Iushw 0.0
  • = 17 Wtmc 0.0

    Aantal tweede-geldstroommedewerkers per eerste-geldstroommedewerker, als indicatie van waardering van externe beoordeelaars van het onderzoekschoolonderzoek.

  • KOP = Derde geldstroom

  • = 1 BSDL 12.9
  • = 2 Nihes 3.3
  • = 3 Ospt 2.5
  • = 4 Vlag 2.3
  • = 5 Wimek 1.6
  • = 6 PTN 1.6
  • = 7 PE 1.2
  • = 8 M&T 1.2
  • = 9 EPW 1.0
  • = 10 FO 0.6
  • = 11 Samo 0.6
  • = 12 Wias 0.6
  • = 13 Mans 0.4
  • = 14 Iushw 0.4
  • = 15 Ceres 0.3
  • = 16 Posthu 0.3
  • = 17 Wtmc 0.0

    Aantal derde-geldstroommedewerkers per eerste-geldstroommedewerker als indicatie van de gerichtheid op externe fondsen.

  • KOP = Publikaties II
  • KOP = I II

  • = 1 BSDL 61.3 4.2
  • = 2 PTN 25.0 5.8
  • = 3 Ospt 15.0 3.0
  • = 4 Wias 13.7 8.1
  • = 5 Wimek 13.2 4.6
  • = 6 Mans 11.0 4.3
  • = 7 M&T 10.7 4.2
  • = 8 Vlag 10.2 3.0
  • = 9 PE 10.1 4.3
  • = 10 FO 9.5 4.4
  • = 11 EPW 8.0 3.1
  • = 12 Ceres 5.8 3.4
  • = 13 Posthu 5.6 3.6
  • = 14 Samo 5.6 1.4
  • = 15 Iushw 2.7 1.9
  • = 16 Nihes 0.0 0.0
  • = 17 Wtmc 0.0 0.0

    Kolom I geeft het aantal publikaties van de onderzoeksschool per eerste geldstroommedewerker. Kolom II geeft het gemiddeld aantal publikaties per medewerker (dus incl. tweede en derde geldstroom).

  • KOP = Onderzoeksbarometer

  • = 1 PTN 38
  • = 2 BSDL 38
  • = 3 Wias 38
  • = 4 M&T 39
  • = 5 Wimek 40
  • = 6 PE 41
  • = 7 EPW 46
  • = 8 FO 51
  • = 9 Ospt 53
  • = 10 Mans 53
  • = 11 Vlag 54
  • = 12 Ceres 66
  • = 13 Samo 68
  • = 14 Nihes 72
  • = 15 Posthu 74
  • = 16 Iushw 88
  • = 17 Wtmc 102

    Rangnummers voor zeven kwaliteitsparameters gesommeerd. Bij gelijke score kregen de betreffende onderzoekscholen hetzelfde rangnummer toegekend. Kleine onderzoekscholen zijn in de eindrangschikking boven grote onderzoekscholen geplaatst om het criterium omvang te compenseren.

  • KOP = Legenda:

  • = EPW Experimentele plantenwetenschappen
  • = PE C.T. de Wit onderzoekschool voor produktie ecologie
  • = Wias Wageningen institute of animal sciences
  • = Wimek Wagenings instituut voor milieu- en klimaatonderzoek
  • = M&T Milieuchemie en toxicologie
  • = Vlag Voeding, levensmiddelentechnologie, agrobiotechnologie en gezondheid
  • = Mans Mansholt instituut (sociale wetenschappen)
  • = BSDL Biotechnological sciences Delft Leiden
  • = Ceres Center for resource studies for human development
  • = FO Onderzoekschool functionele ecologie
  • = Iushw Interuniversitaire onderzoekschool hydrologie voor water en milieubeheer
  • = Nihes Netherlands institute for health sciences
  • = Ospt Onderzoekschool procestechnologie
  • = Posthu N.W. Posthumus instituut
  • = PTN Polymeren PTN
  • = Samo School voor atmosferisch en marien onderzoek
  • = Wtmc Wetenschap, technologie en moderne cultuur

  • Re:ageer