Wetenschap - 24 april 1997

Voorjaarsbalts in het natuuronderzoek

Voorjaarsbalts in het natuuronderzoek

Voorjaarsbalts in het natuuronderzoek
IBN-directeur Sepers verwacht afname externe onderzoeksopdrachten
Van hevige verliefdheid is nog geen sprake tussen de ecologievakgroepen van de LUW en het DLO-Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek. Toch zullen zij na een fusie in een expertisecentrum komen. De universiteit moet zorgen voor voldoende fundamentele kennis, het IBN weet die kennis inmiddels goed te verkopen
Aan de Willem Dreeslaan in Wageningen verrijst momenteel een uiterst modern gebouw voor twee DLO-instituten: het Staringcentrum en het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN). Voor het IBN luidt de verhuizing de voorlopig laatste fase in van jarenlang fuseren. Ook de twee IBN-vestigingen in Leersum en Arnhem zullen namelijk definitief naar Wageningen verhuizen. Alleen de afdeling Zoutwaterecologie blijft om praktische redenen op Texel
De reeks van fusies heeft het IBN getekend. Het instituut bevat de Dorschkamp-poot, die sinds jaar en dag toegepast bosbouwkundig onderzoek doet, stevig is verankerd in het Wageningse en nauwe banden heeft met de vakgroep Bosbouw. In 1991 fuseerde de Dorschkamp met het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN), toen ook al verspreid over Texel, Leersum en Arnhem. De standplaats van het IBN-DLO werd Wageningen, vlak bij het ziekenhuis op de Wageningse berg. Het RIN-onderzoek was vooral gericht op ecologie en natuurbeheer en heeft van oorsprong nauwelijks wat met Wageningen of landbouwkundig onderzoek van doen gehad. De laatste jaren is dan ook hard gewerkt om de mengelmoes aan kennis en culturen om te bouwen tot een instituut dat onderzoek doet naar de relaties tussen landbouw, bosbouw en natuur
Als het aan IBN-directeur dr Anton Sepers had gelegen, was bij het betrekken van de nieuwbouw ook meteen een eerste stap gezet naar een ingrijpende fusie met twee vakgroepen van de LUW. Hij nodigde de vakgroepen Bosbouw en Terrestrische oecologie en natuurbeheer (TON) uit voor een plek in de nieuwbouw. Hoogleraar prof. dr Frank Berendse van TON wees dat verzoek echter af omdat zijn nog jonge vakgroep juist twee verhuizingen achter de rug had. Volgens Sepers speelde ook mee dat de vakgroep te dure wensen en claims had voor de nieuwbouw
De bosbouwers van de LUW zagen wel wat in de verhuizing, maar het college van bestuur wil eerst de positie van deze vakgroep evalueren. De integratie met het IBN-DLO zou daarbij al te veel vastleggen voor de toekomst
Sepers is blij met de gesprekken die hij momenteel met LUW-rector prof. dr Kees Karssen voert over verregaande samenwerking met de vakgroep Bosbouw. De haast van Sepers komt voort uit de ontwikkelingen van de laatste jaren bij het IBN, dat in 1996 een topjaar had wat betreft de omzet van externe opdrachten: 33 miljoen. En hoewel het jaarverslag daar louter positief over doet, moet Sepers van het hart dat het fundamenteel ecologisch onderzoek de afgelopen jaren wel heeft geleden. In principe doen we geen interesse-gedreven onderzoek meer. Voorheen kregen we van het ministerie subsidie die we in grote vrijheid mochten besteden. De opdrachtencultuur van de laatste jaren heeft ervoor gezorgd dat al ons werk een duidelijke koppeling moet hebben met de praktijk
Natuurverkenningen
Het verdwijnen van het fundamentele en strategische onderzoek is een punt van aandacht en zorg. Soms krijg ik wel eens het idee dat we uitverkoop houden en te weinig nieuwe ideeen genereren op het instituut. We moeten voortdurend op onze hoede zijn om geen consultancy-bureau te worden. Als er aan de opdrachten geen ontwikkelingsaspecten zitten, is het voor ons in principe een branchevreemde activiteit en nemen we de opdracht niet aan. Zeker bij lucratieve opdrachten is dat soms een moeilijke afweging.
Sepers meent dat een gebrek aan fundamentele kennis al te bespeuren was bij het werken aan de Natuurverkenningen. Analoog aan de Milieuverkenningen brengt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (Rivm) dit jaar voor het eerst een rapport uit over de toestand van de natuur. Het bleek niet gemakkelijk voor het IBN om aan dit nieuwe concept mee te werken, omdat er nieuwe onderzoeksmethoden en ideeen aan te pas moesten komen. LUW-hoogleraar Berendse meent dan ook dat bij een eventuele fusie waarborgen moeten komen dat een aantal onderzoekers in volledige vrijheid de onderzoeksthema's kan kiezen
De fundamentele kennis over natuurbeheer en bosbouw, redeneert Sepers, zou behalve van andere universiteiten, heel goed van de LUW kunnen komen. Het is alleen de vraag of Sepers zich daar niet te veel van voorstelt en of de LUW dit type onderzoek in huis heeft. Berendse beaamt dat het IBN zich meer is gaan richten op beleidsvragen en kortere opdrachten, ten koste van het fundamentele onderzoek. Desalniettemin zijn er diverse projecten waarin zijn vakgroep nauw samenwerkt met IBN-onderzoekers. Maar de vakgroepsvoorzitter van Bosbouw, dr ir Pieter Schmidt, meent dat het verschil tussen zijn vakgroep en het IBN helemaal niet zo groot is. Bij beide instituten zitten medewerkers met een interesse voor fundamenteel en toegepast onderzoek
Ook prof. dr Bert Lijklema van de vakgroep Waterkwaliteit en aquatische ecologie denkt niet dat het onderscheid fundamenteel versus toegepast de scheidslijn is. Wij werken heel veel met DLO-mensen samen aan dezelfde projecten. Het verschil zit hem vooral in de aansturing. Bij DLO zijn ze veel meer afhankelijk van beleidsvragen, laten ze hun oren nog wel eens hangen naar de beleidsmakers.
Dr Willem Vos, afdelingshoofd Terreinbeheer van het IBN-DLO, ziet het verschil tussen zijn afdeling en de vakgroep Terrestrische oecologie en natuurbeheer weer vooral in de benadering van de natuur. Zij zitten veel meer op het idee van oernatuur, wilde natuur. Wij zijn van oudsher juist meer bezig met natuur buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals agrarisch natuurbeheer, aldus Vos
Met een Kenniscentrum Wageningen (KCW) kan het IBN weer fundamenteel onderzoek en kennis in huis halen. Ik verwacht dat het een voordeel oplevert voor de vragenstellers, omdat die op een plek hun vraag kunnen droppen, denkt Sepers. Binnen het KCW kan dan worden gezocht naar de juiste onderzoekers, zodat er betere antwoorden komen. Een onderschat voordeel voor de mensen van het KCW is dat ze voortaan kunnen switchen van het ene type werk naar het andere. Het KCW biedt mogelijkheden om flexibeler in te spelen op de loopbaanverlangens van de personeelsleden.
Kennismakelaar
Er zitten naast het IBN-DLO nog meer instituten op het gebied van natuur: het Staringcentrum en het Informatie- en Kenniscentrum (IKC) Natuurbeheer. In het verhaal van Sepers komen deze eigenlijk niet aan bod. De directeur meent dat er geen belangrijke plaats is in het kenniscentrum voor het IKC, formeel een afdeling van het ministerie. Het IKC is immers kennismakelaar, bemiddelaar tussen klanten en onderzoekers. Sepers denkt dat het KCW-expertisecentrum voor natuur en ruimte zelf die makelaarsfunctie op zich moet nemen. Als ondernemer moet je heel goed je klanten kennen en weten wat ze willen. Die functie geef je dus niet in handen van een apart instituut. Als je de vorming van het KCW ongestoord zijn gang laat gaan, blijft er een steeds kleinere taak voor het IKC over.
Een nauwe band met het Staringcentrum lijkt echter wel voor de hand te liggen. Toch is die band er nauwelijks. Na het noemen van een paar voorbeelden van samenwerking moet Sepers toegeven dat de promotie naar buiten toe vooral gericht is geweest op het eigen instituut. Pure noodzaak tijdens de verzelfstandiging, meent hij. De samenhang met het Staringcentrum is daarbij slecht uit de verf gekomen. Maar ik denk dat we in een fase zijn aangekomen waarbij we meer een gezicht moeten tonen als instituten.
De omzetgroei van het IBN naar 33 miljoen gulden is waarschijnlijk het maximum; het bos- en natuuronderzoek lijkt zijn beste jaren gehad te hebben. Het Natuurbeleidsplan is zes jaar oud en van de ecologische hoofdstructuur, de belangrijkste pijler van het natuurbeleid, is de glans inmiddels verdwenen. Dit heeft zijn weerslag op het onderzoek. Er dreigt eenzelfde achteruitgang te komen als in het milieuonderzoek door gebrek aan politieke belangstelling. De IBN-directie heeft op basis van gegevens van het ministerie van LNV berekend dat de omzet zal dalen naar 26 miljoen in 2000
Rampjes
Sepers: Het belang dat we als samenleving hechten aan natuur is afhankelijk van maatschappelijke afwegingen, een proces dat zich in de politiek afspeelt. Als er geen belangstelling meer is voor natuur, komt er minder geld binnen. Ik ben benieuwd hoe bijvoorbeeld de natuurverkenningen vallen. Misschien dat de maatschappij weer even wakker wordt geschud. Ons budget zal samen met de belangstelling toenemen. Ook kleine rampjes in de natuur kunnen de natuur weer hoger op de maatschappelijke agenda zetten.
Een deel van de afname van het natuuronderzoek zit hem ook in het gebrek aan klinkende successen. Steeds luider wordt de roep van beleidsmakers en politici om sociaal-wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van het natuurbeleid. Biologische en ecologische kennis is meestal wel voorhanden, maar zij zitten met vragen hoe ze het natuurbeleid kunnen uitvoeren en het draagvlak kunnen vergroten. Ziet het ecologisch en technisch georienteerde IBN hier een taak voor zich weggelegd? Sepers: Onze afdeling Beleid en bestuur is een hele belangrijke voor dit soort onderzoek, daar werken bijvoorbeeld ook economen. Op lange termijn moeten we voor dit soort gamma-onderzoek strategische allianties met andere instituten of universiteiten aangaan. Op korte termijn willen we via tijdelijke banen sociaal-wetenschappelijke expertise in huis halen.
Binnen het IBN is daarmee ook de discussie gaande welk type onderzoek dan moet wijken. Sepers zelf meent dat op een aantal velden voorlopig wel genoeg ecologische kennis voorhanden is voor een degelijk natuurbeleid. De discussie in het beleid gaat steeds meer over het systeemniveau en minder over soorten. Die verschuiving zal er dus ook in het onderzoek komen. Ik denk dat we steeds minder aandacht kunnen besteden aan de fysiologie, het celniveau en de ecofysiologie, aldus Sepers

Re:ageer