Wetenschap - 7 november 1996

Voedsel telen op het balkon

Voedsel telen op het balkon

UNDP: Stadslandbouw voorziet in helft van stedelijke voedselbehoefte

Wereldwijd bedrijven stadsbewoners landbouw. Met etensresten mesten ze dieren; op gecomposteerd afval kweken ze plantjes. In veel gevallen gaat het om de armere inwoners. Stadslandbouw biedt hen een uitweg uit armoede en ondervoeding. Het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties publiceerde dit jaar een uitgebreid verslag van een studie naar landbouw in honderd steden in meer dan twintig landen. Een indrukwekkend beeld van mogelijkheden en variaties van landbouw in de stad.


De teelt van eetbare cactussen, te gebruiken in salades, is een belangrijke bron van inkomsten voor de armere inwoners van Mexico-city. In de minder dicht bevolkte stadsdelen telen de inwoners de cactussen in dozen en potjes op daken en patio's. De productie is intensief, maar omdat input-kosten laag zijn en de teelt weinig technische kennis vraagt, pakken vooral de lager geschoolden de teelt op. Cocoder, het landbouwdepartement van het stadsbestuur, promoot de cactusteelt onder huishoudens die niet over een tuintje beschikken en biedt ondersteuning bij de afzet. Mexico-stad zelf is een belangrijke markt. Daarnaast vindt export van cactussen naar het westen van de Verenigde Staten en Japan plaats.

De teelt van salade-cactussen is een van de vele voorbeelden uit het boek Urban Agriculture; Food, Jobs and Sustainable Cities. Deze recente uitgave van het United Nations Development Programme (UNDP) is het resultaat van een studie naar stadslandbouw waarvoor honderd steden in meer dan twintig landen in Azie, Afrika en Latijns Amerika zijn bezocht.

Het boek schetst een beeld van de diversiteit van stadslandbouw, waaraan volgens de studie maar liefst een op de drie stedelingen over de hele wereld deelneemt. Gewassen worden geteeld op daken van huizen, vee gemest op binnenplaatsjes, vis gekweekt in vijvers. De teelt van zijderupsen gebeurt binnenskamers, overal zijn moestuintjes; ook bioindustrieachtige kippenmesterijen aan de rand van steden vallen onder het begrip stadslandbouw.

Stadslandbouw is geen nieuw fenomeen. Beschrijvingen gaan terug naar Uruk, zo'n vierduizend jaar voor Christus de belangrijkste stad in Mesopotamie. Het merendeel van de werkende volwassenen bedreef primaire landbouwproductie op het eigen erf, op gronden van tempels of op grotere landgoederen net buiten de stad.

Een mooi voorbeeld is ook het negentiende-eeuwse Parijs, waar landbouw een belangrijke economische activiteit was. Jaarlijks werd binnen de stadsgrenzen meer dan honderdduizend ton salade geteeld. Het teeltsysteem gebruikte ongeveer een miljoen ton stalmest, afkomstig van transportpaarden uit de stad. Maraichages is de Franse term voor groentekwekerijen binnen de stad. Op pleinen, omzoomd door twee meter hoge muren, was heel het jaar productie mogelijk door de warmte en kooldioxide die vrijkwam bij de fermentatie van mest. Glazen stolpen beschermden de gewassen tegen weersinvloeden. De productie was hoog; op een mestlaag van dertig centimeter werden drie tot zes oogsten per jaar gerealiseerd. De opbrengsten overtroffen de afzetmogelijkheden in de stad. Tot in Londen vonden de stadsproducten een exportmarkt. Het maraissysteem bleef bestaan tot aan het eind van de negentiende eeuw. Daarna is het versneld verdwenen door de opkomst van de auto, de concurrentie om grond in de stad en de co
ncurrentie van telers buiten de stad.

Aanvulling

Ook tegenwoordig is stadslandbouw in veel steden een belangrijke bron van voedsel en werk. Volgens de UNDP-studie vormt stadslandbouw voor achthonderd miljoen mensen een welkome aanvulling op het dagelijks rantsoen. Nog eens tweehonderd miljoen stadsboeren produceren voedsel voor de markt.

Van al het voedsel ter wereld wordt 15 tot 25 procent in steden geproduceerd. De onderzoekers leiden die percentages af uit analyse van de verzamelde gegevens over huishoudens, geld, werkgelegenheid en voedsel, licht auteur Jac Smit per e-mail toe. Volgens Smit leeft de helft van de wereldbevolking in steden en kan stadslandbouw voor vijftig procent voorzien in de behoefte aan voedsel in die steden. Smit en zijn medeauteurs zijn van mening dat stadslandbouw de potentie in zich heeft om het aantal ondervoede stedelingen, veertig procent van alle stadsbewoners, met de helft terug te dringen.

Sinds de jaren tachtig heeft stadslandbouw aan betekenis gewonnen. Studies in Moskou van 1970 en 1991 tonen dat het aantal huishoudens bezig met voedselproductie is toegenomen van 20 tot 65 procent. Studies in Dar es Salaam in Tanzania tonen een toename van 18 naar 67 procent. In Kenia en Tanzania bedrijven inmiddels drie van de vijf stadsfamilies landbouw.

Maar ook in de rijkere steden van de wereld heeft landbouw een belangrijke functie. In Bangkok (Thailand) was in 1980 zestig procent van de stadsgrond in gebruik voor landbouw. Hongkong, de dichtstbevolkte grote stad van de wereld, produceert binnen zijn grenzen 45 procent van de verse groente, 15 procent van de varkens en 68 procent van de levende kippen die de Hongkongse bevolking consumeert. In de Verenigde Staten wordt dertig procent van de agrarische productie in geld geproduceerd in metropolische gebieden op eennegende van de landbouwgrond.

Dit laatste geeft echter te denken. Temeer daar Nederland genoemd wordt als een van de vooraanstaande landen op het gebied van stadslandbouw. Het UNDP-boek beschrijft de Randstand als een groen hart in het midden van grote steden. Het brengt hoogwaardige gewassen voort en het gebied wordt gekenmerkt door kassen, afzetcooperaties, onderzoekscentra en banken. De UNDP-onderzoekers stellen dat deze intensieve teeltmethode temidden van steden van de grond is gekomen nadat de Nederlandse agroindustrie zich realiseerde dat er geen uitbreidingsmogelijkheden voorhanden waren. Besloten werd tot concentratie en intensivering. This is the essence of urban agriculture everywhere: define a market and increase productivity."

Nederland is een van de voorbeelden uit het boek die aangeven dat een deel van de stadslandbouw eigenlijk buiten de stad wordt bedreven. De auteurs van het boek beschrijven vier zones: het centrum, dichtbevolkte stroken langs hoofdwegen en treinverbindingen, minder dicht bevolkte taartpunten tussen stroken, en de periferie van de stad.

Hongersnood

In de dichter bevolkte gebieden brengt de stad veel verschillende producten voort; naast groentes en fruitbomen geeft het boek voorbeelden van medicinale kruiden op daken in Santiago, konijnen in kistjes aan muren gespijkerd in Mexico-stad, duiven in het centrum van Cairo, zijderupsen op balkons in oud-Delhi en orchideeen binnenskamers in Bangkok.

In de wat minder dichtbevolkte gebieden van de stad nemen volkstuinen een belangrijke plaats in. Een stad als Berlijn telt tachtigduizend volkstuintjes op meer dan tweeduizend verschillende plaatsen. Maar ook teelt van groentes langs wegen wordt belangrijker. Het verbod op landbouw langs wegen in Harare, de hoofdstad van Zimbabwe, werd in 1992 opgeheven toen door droogte hongersnood dreigde. Sindsdien is de oppervlakte die de stadslandbouw inneemt verdubbeld.

In de periferie van de stad zijn de grootschalige agro-industriele concerns te vinden. Zoals in Manilla, waar een groente- en fruitplantage van Del Monte produceert voor de export in blik.

In waterrijke steden is vis een belangrijke productietak. Chinezen gebruiken al eeuwenlang organisch afval om akkers en visvijvers te bemesten. Modern gebruik van gemeentelijk afvalwater voor watercultures begon in 1950. Het gebruik van afvalwater bespaart op de kosten van chemische bemesters en commercieel visvoer. Het merendeel van het afvalwater in Chinese steden wordt afgevoerd naar waterbassins die dienst doen als visvijvers. Ongeveer tien procent is voor irrigatie of bemesting van het land. In de visvijvers zorgen waterplanten, bijvoorbeeld lotus, voor het afvoeren van zware metalen en andere vervuilende stoffen, voordat het afval in het water wordt gebruikt als visvoer. Visopbrengsten in door afvalwater gevoede vijvers zijn twee tot vier keer zo hoog als in normale vijvers. In 1985 produceerde China dertigduizend ton vis gevoerd met afvalwater.

Verschillende steden gebruiken afvalwater als groeimedium voor eendekroos. Het eendekroos groeit snel bij temperaturen tussen vijftien en dertig graden en verdubbelt dan in twee tot vier dagen zijn gewicht. De capaciteit om afvalwater te zuiveren komt door de snelle consumptie en afbraak van nutrienten als stikstof en fosfor, voor groei en vermeerdering van het eendekroos.

In experimenten in Bangladesh is afvalwater gekanaliseerd in eendekroos-farms. Binnen twintig dagen was het water volledig gezuiverd, waarbij de gehaltes aan stikstof en fosfor minder dan 0,5 milligram per liter bedroegen. Het eendekroos diende als visvoer. Gemiddeld werden visopbrengsten van tien ton per hectare per jaar gehaald, terwijl de gemiddelde visopbrengst in Bangladesh vierhonderd kilogram per hectare per jaar bedraagt.

Cholera

Ondanks de hoge opbrengstcijfers en de mogelijkheden die stadslandbouw te bieden heeft, zijn er natuurlijk ook punten van zorg en kritiek. Zo kan de volksgezondheid in gevaar komen als stadslandbouw niet juist bedreven wordt. Dit bleek begin jaren negentig in het Chileense Santiago, waar het irrigeren van groentes met niet behandeld rioolwater leidde tot gevallen van cholera. De regering ploegde duizenden hectares groentevelden om en verbiedt sindsdien irrigatie met rioolwater.

Een ander probleem is dat het telen van gewassen in vervuilde steden tot ophoping van schadelijke stoffen kan leiden. Zo zal zich lood en cadmium ophopen in groentes geteeld langs wegen.

Het UNDP-boek bagatelliseert de gevaren, door er naar verhouding weinig aandacht aan te besteden. Zo draagt het boek slechts drie oplossingen aan voor het lood- en cadmiumprobleem. Bladgroentes dienen op minstens 7,5 meter van wegen te staan. Een andere optie is om drie delen vervuilde stadsgrond te mengen met een deel schone organische stof. De zuurgraad wordt daardoor verlaagd, wat de opname van lood en cadmium door planten vermindert. Voorts kunnen groentes en fruit met azijn worden schoon gewassen.

Ook het gebruik van landbouwchemicalien in de stad en de daarmee gepaard gaande luchtvervuiling wordt gesignaleerd als een probleem. De UNDP acht nationale regeringen verantwoordelijk voor het aan banden leggen en controleren van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in steden.

Volgens de schrijvers van het boek is dat tot nu toe niet het beleid van regeringen en stadsbestuurders. In plaats van beleid te ontwikkelen dat stadslandbouw aanmoedigt en tegelijkertijd de gevaren indamt, reageren stadsbestuurders en regeringen veeleer met het uitbannen van landbouwactiviteiten in dichtbevolkte gebieden en steden. Een slechte zaak, stelt het UNDP-rapport, want stadslandbouw biedt de allerarmsten mogelijkheden om zelfvoorzienend in voedsel te worden en hun inkomen aan te vullen. Daarnaast kan landbouw in stedelijke gebieden als een bloeiende agrobusiness zorgen voor economische ontwikkeling.

Urban Agriculture; Food, Jobs en Sustainable Cities. United Nations Development Programme. Publication Series for Habitat 11, volume one.

Re:ageer