Wetenschap - 18 december 1997

Visstanden laten zich net zo moeilijk voorspellen als het weer

Visstanden laten zich net zo moeilijk voorspellen als het weer

Visstanden laten zich net zo moeilijk voorspellen als het weer
Directeur Henfling over het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek
Het DLO-Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO-DLO) in IJmuiden onderzoekt hoeveel vis de Europese vissers kunnen vangen voordat de visstand te laag wordt. Maar de vissers geloven de biologen meestal niet en de EU maakt geen keuzes in het visserijbeleid. Een gesprek met directeur dr Jan Willem Henfling over de verantwoordelijkheden van het onderzoekbedrijf RIVO
Met grote passen beent directeur dr Jan Willem Henfling zijn kamer op het RIVO binnen. Hij verontschuldigt zich voor zijn dampende sigaar en valt meteen, zonder op een vraag te wachten, met de deur in huis. Wij hebben Wageningen niet nodig. Het RIVO is grotendeels gericht op de zee en Wageningen ligt al veertigduizend jaar niet meer aan zee. Op het bord schetst hij een kaartje van de Noordzee. Vissen houden zich niet aan grenzen. De wortels van het RIVO liggen niet in Wageningen maar in Kopenhagen, waar het Noordzee-onderzoek wordt gecoordineerd. En waar Wageningen is gericht op LNV, is het RIVO gericht op Brussel. Daar wordt immers het gemeenschappelijk visserijbeleid gemaakt
Toch betreurt de directeur het niet dat hij meer moet samenwerken met Wageningers. Wageningen is sterk in multifunctioneel landgebruik. En het publiek weet inmiddels dat je ook water kunt bestemmen voor meerdere doeleinden. Bij de planning van de groene en de blauwe ruimte vinden we elkaar, kunnen we meer samenwerken dan we tot nu toe doen.
Het instituut, uitkijkend op hoogovens, schepen en viswinkels, is een wat vreemde eend in de bijt van DLO-instituten. De honderdtwintig medewerkers doen niet alleen strategisch en fundamenteel onderzoek. Aangezien Nederland geen proefstation of Informatie- en Kenniscentrum voor de visserij heeft, houdt het RIVO zich ook bezig met toegepast onderzoek en kennisoverdracht. Verder heeft het RIVO sinds de fusie met een deel van TNO-voeding in 1993 ook visverwerking in huis
Deze veelheid aan functies legt het instituut geen windeieren. Visverwerkende fabrieken, het Productschap Vis, zeehavens, de EU en ook het ministerie van Verkeer en Waterstaat weten steeds vaker IJmuiden te vinden. De omzet is afgelopen jaren gegroeid van negen miljoen naar vijftien miljoen gulden. Waar LNV in 1988 nog negentig procent van de begroting financierde, is dit nu 45 procent
Vangstquota
Een belangrijke taak van het RIVO is de ondersteuning van het visserijbeleid. Daardoor staat het instituut voortdurend op enigszins gespannen voet met de vissers. Vooral de biologen die onderzoeken hoeveel vis er nog in de Noordzee zit, staan vaak bloot aan kritiek. Vorige maand verzette het Productschap Vis, de belangenorganisatie van de vissers, zich weer tegen de onderzoeksresultaten rond schol. De visserijbiologen meldden dat de scholstand zich maar langzaam herstelt en de beleidsmakers van de EU stelden daarop lage vangstquota vast. De vissers wijzen er echter op dat de biologen een half jaar geleden nog zeiden dat de stand zich juist heel goed herstelde
Zo verzetten de vissers zich ook tegen onderzoekuitkomsten rond kabeljauw, horsmakreel en platvis. Het productschap vindt de onderzoeksresultaten slecht onderbouwd en ongeloofwaardig. Er wordt meer vis gevangen dan ooit. En die toegenomen vangsten kunnen de vissers niet rijmen met een afname van de visstand
Henfling kan dat wel. De vissers hebben steeds grotere boten en betere technieken, daarom vangen ze meer. Niet omdat er meer vis in de zee komt. Maar de directeur erkent ook de grote onzekerheid in het onderzoek. De visserijbiologen schatten elk jaar op basis van onder meer de hoeveelheid gevangen vrouwtjesvissen hoeveel dat jaar mag worden gevangen zonder dat de stand zo vermindert dat het vissen niet langer rendabel is
De visstand moet blijven boven het historisch minimum, de laagste stand die biologen vinden waarbij een vissoort het volgende jaar nog een normaal aantal nakomelingen produceert. Op dat uitgangspunt valt veel af te dingen. Het historisch minimum is geen absoluut minimum; naarmate de biologen meer onderzoek doen, vinden ze waarschijnlijk lagere standen waarbij de visstand zich nog normaal ontwikkelt
Alle partijen zijn het erover eens dat met meer kennis over de visstanden de quota kunnen worden verruimd, weet Henfling. Maar zolang die kennis er niet is, blijven de onzekerheden in het onderzoek een rol spelen. Omdat we het voorzorgsprincipe hanteren moeten we, vanwege die grote onzekerheden, ruime marges nemen. Met meer kennis kun je beter voorspellen en dan zal vaak blijken dat de vissers meer kunnen vangen. Betrouwbaarder onderzoek kost echter ook meer geld.
Het vaststellen van quota gebeurt niet op basis van simulatiemodellen; daarvoor zijn er te veel onbekende natuurlijke fluctuaties. Henfling: Met het voorspellen van visstanden over een termijn van meer dan een jaar is het net als met het voorspellen van het weer over een termijn van meer dan een paar dagen: dat gaat niet.
Laarzen
Het RIVO zit dicht tegen de praktijk aan. Dat viel Henfling al op tijdens zijn eerste dag op het instituut, vier jaar geleden: in de gangen stonden vuile laarzen. Dat beviel hem. Voor zijn aanstelling als RIVO-directeur was Henfling onderzoeker op het DLO-Instituut voor Plantenziektekundig Onderzoek (IPO-DLO). In Wageningen miste hij de link tussen onderzoek en praktijk. Ik had er zelden of nooit met een boer of tuinder te maken.
De nauwe contacten met de praktijk kunnen echter ook extra spanningen geven. Twee jaar geleden kwam een RIVO-bioloog in opspraak omdat hij middels opiniestukken in de krant aangaf het niet eens te zijn met het toen nieuwe criterium dat vissers mogen vissen tot ze het historisch minimum bereiken. Mogen RIVO-medewerkers zich niet mengen in het openbaar debat? Natuurlijk wel, vindt Henfling, graag zelfs. Maar iemand moet niet de organisatie, de collega's of de opdrachtgever in diskrediet brengen
Meng je in het debat binnen de marge die de organisatie je biedt. En die is bij ons heel ruim. Medewerkers mogen in het openbaar best zeggen dat ze het quotastelsel niet effectief vinden. Ik heb dat zelf gedaan: ik heb ook gezegd dat de politiek geen keuzes maakt in het visserijbeleid. Maar mensen moeten zich wel houden aan de afspraken die binnen de organisatie over een onderwerp zijn gemaakt. Daarbij kan het voorkomen dat iemand een bepaalde mening voor zich moet houden, of ermee moet wachten. De wereld zal hier niet om vergaan. En wanneer medewerkers desondanks denken dat hun mening heel belangrijk is, zijn ze vrij om die toch in het openbaar te uiten. Maar dan moeten ze wel de consequenties nemen en een andere baan zoeken; geen misbruik maken van het feit dat een ambtenaar moeilijk ontslagen kan worden. Dat vind ik laf. Je bent een club en als je dat niet wilt, moet je erbuiten gaan staan. Daarbij zijn er enorm veel mogelijkheden om collega's en opdrachtgevers buiten de openbaarheid om te beinvloeden.
Henfling ziet hier een verschil met de universiteit. Personeel van een universiteit is niet gebonden aan een gemeenschappelijk communicatiebeleid. Een hoogleraar kan publiekelijk onderzoek van collega's of het werk van een voor de universiteit belangrijke opdrachtgever bekritiseren. Dat is ook goed, vindt Henfling. Een universiteit moet een hok vol onafhankelijke lieden zijn. Maar een bedrijf moet rekening houden met het feit dat je voor je continuiteit van elkaar afhankelijk bent.
Omslag
De medewerkers van het RIVO moesten in minder dan vijf jaar de omslag maken van een instituut naar het onderzoekbedrijf dat het RIVO per 1 januari 1998 is. Ze zijn hier opvallend goed in geslaagd, constateert de directeur. Onze efficientie is enorm verhoogd. We leveren nu aan LNV voor zes miljoen gulden datgene waar we eerder negen miljoen voor kregen. Tegelijkertijd zijn de vragen breder geworden. We krijgen niet alleen vragen uit de visserijsector, maar ook van natuur- en milieugroepen, sportvissers en de verwerkende industrie. En daarnaast worden we ook goed beoordeeld op wetenschappelijke publicaties.
Ik maak me wel zorgen over de continuiteit van het fundamenteel onderzoek. Van de interactie tussen vissoorten weten we bijvoorbeeld nog weinig. Hoe beinvloedt de stand van de ene vissoort die van de andere? We zouden ook willen weten wanneer chaos een rol speelt, en wanneer je daar geen rekening mee hoeft te houden.
Het RIVO is jegens alle opdrachtgevers even loyaal. Opdrachtgevers kunnen van ons niet een bepaald antwoord op de vraag eisen. Maar de vraag stuurt natuurlijk wel het type antwoord. Bij onderzoek ter ondersteuning van het scholbeleid kwamen we bijvoorbeeld uit op een bepaalde scholstand. Het Productschap liet ons toen onderzoeken hoeveel hoger de scholstand uitkomt wanneer je de scholbox meeneemt. Dat blijkt vijf procent te zijn. Mogelijk besluiten de beleidsmakers nu de quota met vijf procent te verruimen. Maar het scholboxonderzoek moest snel gebeuren; het kan ook zijn dat ze ons opdracht geven het nog eens na te kijken. Dat kunnen ze natuurlijk ook een andere organisatie laten doen, maar ze kunnen het beter ons laten doen; wij kennen de zwakke plekken van dit onderzoek het best.
Gehoorsteentjes
Het onderzoek naar visstanden steunt zwaar op de studie naar gehoorsteentjes of otolieten. In de voedselarme winters zetten de vissen minder kalk af op de gehoorsteentjes dan in de zomer. Dat geeft dichtheidslagen die onder de microscoop zijn te onderscheiden. Deze gelaagdheid leert hoe oud de vissen zijn. Jaarlijks bestudeert het RIVO meer dan dertigduizend gehoorsteentjes. Zo'n vijftienduizend vissen koopt het instituut op de veiling; zo'n twintig- tot dertigduizend vissen vangen de RIVO-medewerkers op zee. Haring kon vroeger wel twaalf tot dertien jaar oud worden, vertelt Bastiaan Vingerhoed, die 36 jaar bij het RIVO werkt. Nu bestaat de volledige stand uit drie- en vierjarigen. Dat hoeft niet erg te zijn, als er maar voldoende vis is die kan paaien.

Re:ageer