Wetenschap - 27 april 1995

Vilitzer, De prooi en de jager

Vilitzer, De prooi en de jager

Ik heb zo lang ik leef een sluimerende hekel aan huisdieren op vier poten, die miauwen dan wel blaffen. Dat komt niet eens door de misselijkmakende reclames waarin alleenstaande dames peterselieblaadjes draperen over het exclusieve voer voor hun kat. En ook heeft het niets van doen met de dierenmanieren van Martin Gauss. De ergernis is er gewoon.

Eveneens kunnen dieren op twee poten, gestoken in bosgroen tenue en in bezit van geweer waarmee ze alles wat vleugels of lieve oortjes heeft afknallen, rekenen op mijn ultieme afschuw. Dat het beschieten van alles wat springt en vliegt gebeurt onder het mom van daar zijn er toch teveel van of ze zijn ziek maakt hen voor mij alleen maar nog naarder.

Als het lente is en de roodborstjes over mijn schouder meekijken hoe ik het gras maai, dezelfde merel als verleden jaar weer scharrelt over het gazon, dan wordt mijn latente aversie getransformeerd tot openlijke bloedhekel. De vette kat van de buren, die vorig jaar nog een roodborst verorberde, krijgt bakstenen naar zijn kop zodra hij maar een fluwelen kussenpootje in de tuin zet. Voor de hond van drie huizen verderop, die altijd mijn merel wegjaagt en vervolgens in mijn perk excrementeert, heb ik speciaal een brandslang aangesloten.

Maar dankzij het bericht van zwerfkatten op Terschelling zie ik ineens mogelijkheden om zowel de vierpotige als tweebenige beesten erg aardig te gaan vinden. Op het waddeneiland maken de wilde poezen het leven van alle vogels en knaagdieren het leven zuur en dus willen natuurvoorstanders dat die poezen worden afgeschoten. Terecht. En van mij mag dat in heel Nederland wel. Katten en honden doen voortaan vrijwillig afstand van hun zogenaamde aaibaarheidsfactor en werpen zich op als prooi. De jager blijft gewoon wat-ie wil zijn, jager. Alleen kan hij nu het hele seizoen doorschieten. Ondertussen leven fazanten en konijntjes rustig verder. Evenals ik, mijn roodborstje en mijn merel.

Re:ageer