Wetenschap - 12 oktober 1995

Verlaging krachtvoergift geeft duurzame melkveehouderij

Verlaging krachtvoergift geeft duurzame melkveehouderij

Twijfels bij verdere stijging van melkproduktie per koe

Met minder krachtvoer voor de koe en minder kunstmest op het land is een duurzame melkveehouderij mogelijk, met aanvaardbare mineralenoverschotten. Dat heeft de sectie Dierlijke Produktiesystemen van de vakgroep Veehouderij berekend. Als fokkers binnen die uitgangspunten de ideale koe fokken, agronomen bruikbare grassen zoeken en veredelen en voedingsdeskundigen een goed rantsoen samenstellen, is het mogelijk zonder grote overschotten een landelijk melkquotum vol te melken, zegt dr ir J. van Bruchem.


De grote discussie is of de melkproduktie per koe nog verder omhoog moet of niet. Er zijn al veel koeien die wel tienduizend kilogram per jaar produceren

De ministers Van Aartsen van Landbouw en De Boer van Milieu hebben vorige week een akkoord gesloten over de aanpak van het mestbeleid. De overheid wil de mestoverschotten terugdringen tot een acceptabel niveau. Hoe boeren dat op hun bedrijf voor elkaar krijgen, is een individuele verantwoordelijkheid. Ze zoeken het zelf maar uit. Als uiteindelijk de mineralenboekhouding maar klopt, want anders wordt de boer op z'n overschotten afgerekend.

Indirect komt de overheid de boeren wel te hulp. Via kennisontwikkeling zoekt Den Haag mee naar oplossingen. Tot nu toe waren dat vooral technische oplossingen: emissie-arme stallen, mestinjectie, mestfabrieken. Maar er is een ommekeer op komst. Het huidige produktiesysteem, dat voortdendert op de weg van steeds intensiever en grootschaliger, staat niet langer te boek als het enige juiste.

Ook Wageningen denkt mee over hoe het anders en beter kan. Dr ir J. van Bruchem van de sectie Dierlijke Produktiesystemen op Zodiac ontwikkelde samen met collega's een rekenmodel van een melkveehouderijsysteem dat per saldo geen overschot aan fosfaat en kalium voorbrengt, terwijl emissies van ammoniak en nitraat binnen de perken blijven. Een economisch en ecologisch duurzame veehouderij lijkt een haalbare kaart", zegt hij voorzichtig. We moeten hard aan het werk om dat te bewijzen." Onlangs heeft hij zijn gedachten voorgelegd aan landbouwspecialisten van verschillende politiek partijen. Zijn collega's binnen Zodiac stelde hij op de hoogte tijdens een recent symposium van het Wageningen Institute of Animal Sciences (WIAS).

Stikstofbalans

Aan de hand van sheets laat Van Bruchem zien hoe de Nederlandse fosfaat- en stikstofbalans in elkaar steekt. Vooral het hoge gebruik van krachtvoer en kunstmest is verantwoordelijk voor overschotten op de fosfaat- en stikstofbalans. Binnen de veehouderij is het rundvee voor 55 procent verantwoordelijk voor het Nederlandse stikstofoverschot van zo'n 350 kilogram per hectare. De varkens veroorzaken negentien en het pluimvee acht procent van het overschot. Voor fosfaat geldt dat koeien en varkens, met respectievelijk 28 en 34 procent, in ongeveer gelijke mate bijdragen aan het probleem. Pluimvee draagt voor negentien procent bij aan het fosfaatoverschot.

De oplossing van Van Bruchem en zijn meedenkers is wellicht schokkend voor hun eigen beroepsveld. Van Bruchem: De fosfaatproblematiek lijkt oplosbaar als we de krachtvoergift, nu gemiddeld 300 tot 350 gram per kilogram melk, beperken tot een kwart kilo. Uit modelberekeningen blijkt dat dan de hoeveelheid fosfaat die het systeem ingaat, gelijk is aan de hoeveelheid die eruit komt in de vorm van melk."

Voorop staat dat we voldoende melk willen blijven produceren in Nederland. Want een dierlijk produktiesysteem is alleen duurzaam als het op termijn ook economisch haalbaar is. Met onze randvoorwaarde van een kwart kilo krachtvoer kunnen we het melkquotum in Nederland vol blijven melken, zonder dat we fosfaatoverschotten produceren."

De melkproduktie per koe zal volgens Van Bruchem nauwelijks dalen. De koeien in onze berekeningen produceren ongeveer 7500 kilogram melk per jaar, het landelijk gemiddelde. De grote discussie is echter of de melkproduktie per koe nog verder omhoog moet of niet. Er zijn al veel koeien die wel tienduizend kilogram per jaar produceren."

Ruwvoer

Van Bruchem verwacht een moeilijke discussie. Hij formuleert uiterst voorzichtig als hij spreekt over het niet verder verhogen van de melkgift per koe. Het is een delicaat onderwerp. Mensen van verschillende disciplines spreken elkaars taal niet, omdat iedereen op een verschillend niveau werkt. Veevoedingsdeskundigen praten op fysiologisch maag-darmkanaalniveau, fokkers denken op het niveau van het dier en systeemmensen werken weer op een ander niveau. Het is moeilijk om van de fokker, die uitgaat van de koe als subsysteem, te vragen om zijn doelstelling te verplaatsen naar het niveau van produktiesystemen. Op het niveau van het dier geldt dat een koe die meer melk produceert weliswaar meer krachtvoer gebruikt, maar dat de efficientie van de krachtvoerbenutting meestijgt. Dat houdt in dat je meer melk produceert per kilogram krachtvoer." Bekijk je het echter op bedrijfsniveau, dan blijkt dat meer krachtvoer voor de koe en meer kunstmest op het land leiden tot hogere mineralen
overschotten per kilogram melk en per hectare.

Belangrijk is dat koeien voldoende ruwvoer van eigen bedrijf eten. Dat veroorzaakt geen mineralenoverschotten omdat de mineralen binnen de kringloop van het bedrijf blijven. Mits je goed op de winkel past", voegt van Bruchem toe. Een te hoge kunstmestgift past daar niet in, want het grootste gedeelte daarvan raak je kwijt in het milieu."

Van Bruchem pleit voor een beter nutrientenbeheer. We moeten voor een koe groenvoer produceren dat ze optimaal kan benutten. De huidige graslandpraktijk gaat uit van een norm waarin de laatste kilogram stikstof die je in de vorm van kunstmest toedient, nog 7,5 kilogram droge stof opbrengt. Maar in dat gras zit zoveel stikstof dat de koe daar absoluut geen weg mee weet. De koolstof-stikstofverhouding is veel te nauw voor de bacterien in de pensnetmaag van de koe", vertelt Van Bruchem. Gevolg is dat het overgrote deel van de stikstof in ruwvoer de koe verlaat via mest en urine."

Lagere stikstofgehaltes in het ruwvoer zijn mogelijk door later te maaien, betere rassen te selecteren en vooral door een lager stikstofbemestingsniveau. De zotechnici gaan op dit moment in samenwerking met de agronomen uit van een stikstofbemesting die de tweehonderd kilogram per hectare niet te boven gaat. Op die manier kunnen we de organische stikstof, gefixeerd uit de lucht of via mineralisatie vrijgekomen in de bodem, benutten. Kwalitatief goed gras moet volgens ons een stikstof gehalte hebben dat zeker niet boven de drie procent ligt."

Van Bruchem gaat achter zijn computer zitten en toont met een simpel berekeningsmodel dat de overschotten per kilogram melk aanmerkelijk stijgen als de koe ruwvoer met een hoger stikstofgehalte eet. Met minder eiwitrijk gras gaat de efficientie van het systeem omhoog." Daarmee verlaten de zootechnici van de sectie Dierlijke Produktiesystemen het gedachtengoed dat het gras zo eiwitrijk mogelijk moet zijn, om de koe toch vooral niet te beperken in haar produktiecapaciteiten.

Proefboerderij

Volgens Van Bruchem wil collega dr ir A. Groen van Veefokkerij, mede-organisator van het WIAS-symposium, wel aan het werk met de randvoorwaarden van tweehonderd kilogram stikstof per hectare en een kwart kilo krachtvoer per liter melk. Als wij die randvoorwaarden kiezen, dan kunnen de fokkers daarbij een ideale koe fokken en kunnen agronomen zoeken naar andere grasrassen en systemen voor graslandmanagement. Ik ben ongelofelijk blij dat Groen nu zegt dat hij aan de slag wil met die kwart kilo krachtvoer. Ik denk dat de veefokkers een belangrijke bijdrage kunnen leveren, zolang extra melk maar vertaald wordt in een hogere opnamecapaciteit van ruwvoer. Daar ligt een optie voor een duurzamere melkveehouderij."

We moeten zelf natuurlijk ook hard aan de slag. We gaan onze berekeningen testen op De Ossekampen, de proefboerderij van Zodiac." Alles is tot nu toe gebaseerd op rekenmodellen. Maar de uitkomsten zijn veelbelovend. Zou de melkveehouderij namelijk gaan produceren binnen de door Van Bruchem gestelde randvoorwaarden, dan zijn fosfaatoverschotten voor die sector verleden tijd.

Het gevolg is dat de nationale fosfaatbalans, die nu doorslaat naar een overschot van negentig kilo per hectare, aanmerkelijk meer in evenwicht komen. De fosfaatproblematiek in de varkenshouderij lijkt dan voor een belangrijk deel oplosbaar door een integratie met de akker- en tuinbouw, waarbij kunstmestgiften vervangen worden door organische varkensmest. Daarnaast is een daling met circa tien kilo fosfaat te realiseren door het gebruik van fytase, een enzym waarmee varkens makkelijker organisch plantenfosfaat kunnen opnemen. Pluimveemest kan voor het overgrote deel worden geexporteerd. Uiteindelijk rest een fosfaatoverschot van 35 kilo per hectare. Dat getal sluit aan op de huidige discussie over verliesnormen. In de toekomst geldt echter een norm van twintig kilo fosfaat per hectare. Een beperkte herstructurering van de varkenshouderij is daarom nog gewenst. Van Bruchem: Natuurlijk bestaan er economische spanningen op de korte termijn, maar op de lange termijn, met aanzienli
jke heffingen op mineralenoverschotten, biedt dit veehouderijsysteem volgens mij een sociaal-economisch perspectief."

Re:ageer