Wetenschap - 9 maart 1995

Verblind door de resultaten van hedendaagse wetenschap

Verblind door de resultaten van hedendaagse wetenschap

De Landbouwuniversiteit viert haar 77e verjaardag

Een duik in de oude diesredes, leert dat de meeste verjaardagsprekers zich aanpasten aan de gewoonte het eigen vakgebied in de missie van de Landbouwuniversiteit te plaatsen. Een enkeling waagde het echter fundamentele kritiek op de jarige te leveren, zoals geoloog prof. dr Van Baren in 1925. Hij wilde een synthetische landbouwkunde, die vroegere en hedendaagse landbouwsystemen vergelijkt, om zo de eigen landbouw juister te kunnen beoordelen.


Op de eerste verjaardag van de Landbouwhogeschool in 1919, zet bodemscheikundige prof. dr J.H. Aberson de toon voor de volgende 77 jaar. Hij vraagt zich af hoe de landbouwscheikunde kan meehelpen om de gewasproductie zo hoog mogelijk op te voeren. Aberson behandelt in vogelvlucht de geschiedenis van de bodemscheikunde, om vervolgens nadrukkelijk te stellen dat de bodemscheikunde moet worden beschouwd als zuivere wetenschap, te beoefenen volgens de methode van de moderne chemie. Het verleden had immers geleerd dat zuivere wetenschap haar vruchten voor de landbouw afwerpt.

Aberson legt ook de fundamenten voor wat later onder het begrip duurzaamheid zal vallen. Hij wijst op de verspilling van kunstmest, en het feit dat de boer vanwege de hogere grondprijzen, economischer met het dure kunstmest moet omgaan. Meer kennis van de bodemscheikunde, zo stelt hij, kan helpen bij een zuiniger gebruik van het kunstmest.

De rede uit 1920, Energiestraling der zon en hare betekenis voor den mensch, van plantenfysioloog prof. dr D. van Gulik, vertoont ook al frappante overeenkomsten met de rede Groen licht voor duurzame energie, van prof. dr T.J. Schaafsma in 1995. Van Gulik benoemt de fossiele energiebronnen en meent dat het tegenwoordig levende geslacht bestaat uit slechte economen die het geerfde kapitaal op onverantwoorde wijze interen." Schaafsma praat over potverteren, en rekent voor dat met de huidige technologie, de winbare reserves voor olie en gas binnen vijftig jaar op zijn. Van Gulik vraagt zich af of het niet mogelijk is zonlicht om te zetten in een winbare energiebron en schetst hoe men planten hierop zou kunnen veredelen. Schaafsma legt uit hoe zijn vakgroep zonne-energie via laagjes kleurstof in dragermateriaal probeert te vangen.

Verjaardag

Negen maart viert de LUW haar zevenzeventigste verjaardag. Geen wonder misschien, dat tijdens diesredes bepaalde thema's steeds weer terugkomen zoals de vaak verwoorde behoefte aan onderlinge samenwerking", noodzaak tot synthese" en tot aanvaarding van verklaringen uit andere wetenschappen". Deze zijn wellicht eigen aan een verzameling onderzoekers die geacht worden met voedselproduktie bezig te zijn, maar eigenlijk zijn aangesteld om zich bezig te houden met de plant, het eiwit, het ion of de agrarische economie.

En zo zijn de verjaardagsprekers natuurlijk nooit blind geweest voor de onduurzame weg die de Nederlandse landbouw was ingeslagen. Zeker voor de Tweede wereldoorlog, stelde sprekers het thema regelmatig aan de orde. In 1933 bekritiseert plantenteler Mayer Gmelin de veredeling door de plant te vergelijken met een kind wiens opvoeder ook niet eenzijdig de muzikale aanleg ten koste van de gezondheid ontwikkelt. In 1954 stelt plantenteler Dewez optimale produktie tegenover steeds optimale produktie. In 1995 geeft Schaafsma het voorbeeld van een autobestuurder die niet zo snel mogelijk wil rijden, maar zo veel mogelijk kilometers wil halen uit de beschikbare benzine.

De rede van 1925, getiteld Het begrip landbouwwetenschap van geoloog prof. J. van Baren onderscheidt zich echter door fundamentele kritiek op de landbouwonderzoekers zelf. Van Baren analyseert hoe er begin negentiende eeuw nog twee stromingen in de prille landbouwwetenschap bestaan. De eerste ging ervan uit dat de ze de landbouw tot grotere winst moest brengen. De tweede, slechts belichaamd in enkele personen, vergeleek uiteenlopende landbouwsystemen in West-Europa, vanuit historisch perspectief, zonder direct de landbouw te willen beinvloeden. Met de opkomende natuurwetenschappen, heeft de eerste stroming gewonnen.

Arm

De huidige landbouwliteratuur is zeer arm aan historische vergelijkingen", merkt Van Baren in 1925 op. Velen menen, verblind door de resultaten der hedendaagse wetenschap, dat beoefening van de geschiedenis der landbouw en landbouw-wetenschap niet alleen onnoodig doch zelfs onnuttig is en voorts, dat de aanwezigheid van werken uit den ouden tijd in een landbouwbibliotheek volmaakt overbodig is. Doch bezaten die oude onderzoekers niet een minstens even scherpen waarnemingszin en combinatievermogen, zoodat wij uit hun wijze van proefnemen, hun gave van opsporen en hun theoretische opvattingen toch ook nog wel iets kunnen leren?"

De geoloog onderscheidt drie wijzen van kennis nemen: het bestuderen van de dingen in hun onderlinge betrekking (systematische kennis), in hun opeenvolging in de Tijd (historische kennis), en in hun opeenvolging in de Ruimte (chronologische kennis). Vraagt men zich af wat door de landbouwwetenschap altijd en weer als einddoel op den voorgrond gesteld wordt, dan ziet men dat het steeds is de kennis der dingen onderling, die zich stelt op den grondslag van analyse." Van Baren wil naar een synthetische landbouwwetenschap door haar uit te bouwen naar de historische en geografische zijde: geschiedenis ziet de dingen in hun tijdsverband, aardrijkskunde in hun ruimteverband. Door via reizen en historische studies andere landbouwsystemen te bestuderen, leren we den eigen landbouw juister beoordelen. En wij worden bekend gemaakt met productiemethoden, waarmede wij ons voordeel kunnen doen."

De verwaarlozing van deze synthetische landbouwkunde, analyseert de geoloog, leidt tot het praten over toegepaste wetenschap, een zinlooze uitdrukking, geheel in tegenspraak met zichzelf". Scheikunde, biologie, of aardkunde zijn wetenschappen die arbeiden volgens de methoden van hun eigen discipline; als ze hun object zo kiezen dat de landbouw belang kan hebben bij hun resultaten, zijn ze daarmee nog niet toegepast. En het geven van recepten in een wetenschappelijk schoonschijnend gewaad, heeft niets uit te staan met waarachtige wetenschap."

Veelzijdig

Dat landbouwonderzoekers kunnen leren van het verleden en van andere gewesten, blijkt bijvoorbeeld uit de dieslezing van 1921, waarin Tropisch plantenteler dr A. van Bijlert ingaat op de bestrijding van Phytophtora Nicotianae in de tabakteelt in Indonesie. Hij roemt de veelzijdigheid van het proefstation in Deli, en haar vruchtbare samenwerking met de praktijk. Wat nu geintegreerde gewasbescherming heet, brachten de landbouwonderzoekers toen in praktijk: op het moment dat de schimmel zich manifesteerde bespoten ze, of ze namen de aangetaste plantendelen weg waarna ze desinfecteerden. Ze meden compost waaraan stengels van zieke planten waren toegevoegd. Tabakstengels verbrandden ze ter desinfectie, om alleen de as als meststof te gebruiken. Ze expirimenteerden met ontsmetting van putwater, en met resistentie-veredeling. Ter bestrijding van schadelijke rupsen introduceerden ze de parasitaire wesp Trichogramma preciosa. Van Bijlert vergeleek verschillende proefstations, en ervaarde dat d
aar waar de onderzoekers geen succes hadden, ze te eenzijdig naar de scheikunde luisterden en te weinig samenwerkten met de praktijk.

Behalve geoloog Van Baren in 1925, is er nog een andere spreker geweest die zijn gehele rede wijdde aan kritiek op de landbouwonderzoekers zelf: de Utrechtse hygienicus prof. dr H.W. Julius in 1975. Ook hij constateert een eenzijdigheid binnen het wetenschappelijk denken. Het onbehagen van de tijd en het feit dat de ontwikkelingen over de dijk zijn geslagen" (lawaai, milieuvervuiling, dreigende kernrampen etc), wijt hij aan de dominantie van de objectieve denkwijze binnen de wetenschap. Die normloze houding", speelt het opportunisme van de van nature begerige mens in de kaart. En daarnaast, analyseert hij, doden deskundigen en technologen de creativiteit van de mensen. Ze maken het hen bijna onmogelijk om iets zelf te verwerven en van eigen fouten te leren. De voldoening blijft uit, en zelfs de wens om creatief te zijn verdwijnt.

Over de collectiviteit wetenschap heb ik veel nagedacht", besluit Julius. Elk collectivum bevordert zijn eigen zelfverzekerdheid. De wetenschap staat voor niets. Zij vermag in alles door te dringen en kent geen taboes. Ik meen echter wel eens opgemerkt te hebben dat zij weinig willig is om haar eigen innerlijk voor schouwing open te stellen. Zeker bereikt men dat niet met democratisering. Want inspraak richt zich op anderen, waarbij men weer vergeet het eigene te verstaan. En ook meer wetenschappers, garanderen allerminst de orginaliteit en inspiratie die nodig is."

Plantenziektekundige prof. dr J.C. Zadoks - die ook meer kritiek op de jarige uitte dan gebruikelijk - poneerde in 1993 een nieuw criterium voor de LUW: solidariteit met de armen, als voorwaarde voor duurzaamheid. Zadoks dacht daarbij niet aan herverdeling van middelen, maar aan herverdeling van mogelijkheden volgens het Chinese gezegde, geef de hongerige geen vis maar een hengel". Geoloog Van Baren zou het misschien niet bescheiden genoeg vinden. Met zijn synthetische landbouwkunde wilde hij immers alleen maar leren van andere culturen en van de historie, om de eigen landbouw juister te kunnen beoordelen."

Re:ageer