Wetenschap - 16 maart 1995

Veehouderij ontwikkelde een op boeren gerichte systeembenadering

Veehouderij ontwikkelde een op boeren gerichte systeembenadering

Een zoektocht naar waterhyacinten en boerenwijsheden

Met plantenveredelaars, veevoerdeskundigen, sociologen en economen bij boeren en boerinnen in de leer over hun landbouwsystemen. Vervolgens alle mogelijke technieken met elkaar vergelijken en uiteindelijk de resultaten in toegankelijke stijl presenteren. Dat werd ongeveer de werkwijze in het Stro-project, dat de vakgroep Veehouderij onlangs samen met Indiase onderzoekers afsloot.


Het onderzoeksklimaat in de Derde Wereldlanden is aan het veranderen", weet emeritus prof dr A.W. van den Ban. De voorlichtingskundige doelt op de toegenomen belangstelling voor het zogeheten Farming system research (FSR), waarbij een team van onderzoekers landbouwsystemen bestudeert en daarbij boeren betrekt. Van den Ban was zelf als adviseur betrokken bij het Stro-project dat de vakgroep Veehouderij onlangs samen met Indiase onderzoekers afrondde. In 1988", zo ervaarde hij, dachten Indiase veeteeltdeskundigen nog we moeten de boeren overtuigen dat ze hun koeirassen moeten kruisen met Europese rassen. Dan verdienen ze meer. Nu zeggen ze steeds vaker we moeten met boeren praten en hen verschillende alternatieven bieden."

FSR is niet nieuw. Eind jaren zeventig werd het financiers al duidelijk dat veel van de in internationale landbouwkundige onderzoeksinstituten ontwikkelde rassen en technieken niet bij arme boeren terecht kwamen. Hun situatie verslechterde zelfs. Daarop richtten instituten nieuwe afdelingen op, die de situaties in dorpen in kaart moesten brengen. Aanvankelijk werkte het niet: FSR-afdelingen, slechts bemand met sociale wetenschappers, werkten geisoleerd van natuurwetenschappers en veredelaars die gewoon hun eigen weg gingen.

Maar de laatste jaren telt de Derde wereld steeds meer projecten waarin teams van sociale wetenschappers en agrobiologen eerst de gewoontes en problemen binnen dorpen bestuderen en pas daarna alternatieven onderzoeken. De teams werken meestal samen met particuliere ontwikkelingsorganisaties of overheidsvoorlichters. Het Stro-project van de vakgroep Veehouderij, dat werd gefinancierd door DGIS - het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, koos eveneens voor Farming system onderzoek en ging bovendien een stapje verder door tevens de samenhang tussen veehouderij en gewasteelt te bestuderen.

Gewasresten

Resultaat van het Stro-project, dat tien jaar duurde, is ondermeer een bundel artikelen van Indiase en enkele Nederlandse plantenveredelaars, economen, veevoerdeskundigen en sociologen, en twee lijvige, vlot geschreven handboeken voor voorlichters en ontwikkelingsorganisaties. De aanbevelingen hebben allemaal een open einde, licht projectbegeleider ir J.B. Schiere toe, ze geven meerdere alternatieven aan. Het project onderscheidt zich daarmee van het gangbare landbouwkundig onderzoek, waarbij de financier van te voren bepaalt welke technologie wordt ontwikkeld.

In de handboeken vergelijken de landbouwdeskundigen uiteenlopende technieken om binnen gemengde landbouwsystemen het veevoer te verbeteren. Zo wordt in een van de tabellen de natte en droge opslag van grassen, natte en droge opslag van graanstengels en droge opslag van groenten vergeleken. De kolom veevoedingswaarde leert dat gewasresten van granen veel droge stof verschaffen (drie plussen), maar dat energie-waarde, nutrientenaanbod en invloed op de groei twijfelachtig zijn (plus-min). Onder managementaspecten lees je dat deze techniek erg veel arbeid kost, niet duur is (in tegenstelling tot natte opslag van grassen), en de voedselzekerheid vergroot. Bij bedrijfstijlen wordt duidelijk dat de techniek beter toepasbaar is in droge streken dan in gebieden met hogere regenval, ongeacht of het om runderen, schapen of geiten gaat.

Schimmels

Andere hoofdstukken vergelijken de kwaliteit van traditionele en moderne graanrassen in verschillende streken en de manieren waarop boeren stro hakken, opslaan en bewerken. En zo zijn er ook onderzoekers die keken naar de waarde van jute en waterhyacint. De drie onderzoekers die dit wateronkruidje hebben bestudeerd, rapporteren bijvoorbeeld onder het kopje gender aspects dat in West Bengalen de vrouwen de waterhyacint geschikt maken voor brandstof en veevoer en dat de mannen de hyacint uit het water halen en als compost op de velden strooien.

Opmerkelijk genoeg berustte het project oorspronkelijk op uitgangspunten die juist haaks staan op die van Farming system research: namelijk zonder goed vooronderzoek al aangeven welke technologie ontwikkeld moet worden. DGIS had eind jaren zeventig vijf miljoen gulden uitgetrokken voor Indiase microbiologen en veevoerdeskundigen. Zij moesten het nutrientenarme stro - afval van granen - geschikt maken als veevoer door behandeling met urea, schimmels of bacterien. Dit speelde in de tijd dat energie duur was en DGIS hoopte zo een energie-arme techniek te ontwikkelen. De vakgroep Veehouderij begeleidde het project.

Maar al voor het onderzoek in 1985 kon starten werd uit de literatuur duidelijk dat de techniek onhaalbaar was en geen echte bijdrage kon leveren aan het oplossen van problemen van de boeren. In een moeizaam proces besloten toen financier en onderzoekers eerst eens te kijken wat die problemen dan wel waren en of er al geschikte traditionele en moderne technieken op de plank lagen.

Het handboek gaat ook uitgebreid in op de gehanteerde methodes. Het onderscheidt Farming system research op bedrijfsniveau en FSR op een hoger niveau, bedoeld voor politici en beleidsmakers. Bij FSR op bedrijfsniveau, zo stellen de auteurs, werkt een interdisciplinair team van onderzoekers nauw samen met de voorlichting of met particuliere ontwikkelingsorganisaties die weer met dorpelingen werken. De samenwerking tussen die drie partijen, moet ervoor zorgen dat de definiering van de problemen, het ontwerpen van technieken, en het testen en verspreiden ervan, in het veld zelf gebeurt. Via literatuurstudies en dorpsbezoeken van drie maanden moet het onderzoeksteam steeds weer snel achter de problemen zien te komen. Aanvankelijk waren de betrokken onderzoekers gereserveerd om deze methode te volgen. Maar, evalueren Van den Ban en Schiere, uiteindelijk zijn er toch gezamenlijke publikaties verschenen en onderzoekers staan nu meer open voor deze werkwijze. En dat is een belangrijk neveneff
ect van het Stro-project, menen beide Wageningers.

Dat neemt overigens niet weg dat het project noodgedwongen ook veel zaken links heeft laten liggen. Als we meer geld hadden, hadden we graag de onbedoelde consequenties van technieken verder onderzocht," zegt prof. dr H. van Keulen van de vakgroep Veehouderij. Hij is aangesteld om bij de sector Dierlijke produktie de systeemkunde van de grond te krijgen. Als je bijvoorbeeld aangeeft dat betere ploeg de opbrengst van het graan verhoogt, dan wil je ook melden hoeveel jaar eerder de grond is uitgeput. En je wilt weten wat het sociaal gezien betekent dat de ene boer de ploeg eerder kan kopen dan de andere."

Sigarendoosje

Binnen de systeemkunde tekenen zich momenteel meerdere stromingen af. Het Stro-project staat voor systeemonderzoek dat inventariserend en grotendeels kwalitatief is. Wat wij aan kwantitatieve studies hebben gedaan, kun je op de achterkant van een sigarendoosje uitrekenen", erkent Schiere. Binnen de LUW doen de meeste produktie-ecologen en economen kwantitatieve, voorspellende studies. Zij doen voornamelijk systeemonderzoek op regionaal en hoger niveau, bedoeld voor politici en beleidsmakers.

Maar dat wil niet zeggen dat de nadruk op kwantitatieve studies verband houdt met dat verschil in doelgroep", verklaart Van Keulen, die ook nauw betrokken is bij de produktie-ecologen. Het heeft te maken met de onderzoekstraditie waaruit wij komen. Sommige modellen berekenen in een halve dag duizend opbrengsten, uitgaande van verschillende rassen, kunstmesthoeveelheden en toepassing van irrigatie. Die modellen hebben grote waarde om grenzen te verkennen. Maar het blijft inderdaad altijd de vraag hoeveel tijd je daaraan moet besteden. Een belangrijk kritiekpunt is natuurlijk dat ze een nauwkeurigheid pretenderen die ze niet altijd waar kunnen maken. En vorige week nog, wezen een aantal topeconomen ons op een andere beperking: wij kunnen niet aangeven wat er op dit moment werkelijk in de praktijk gebeurt. We weten het niet."

Cijfermatig

Het mooiste is misschien een integratie van beide typen systeemonderzoek, waarbij het kwalitatieve onderzoek uitwijst welke relaties relevant zijn om door te rekenen en waarbij kwantitatieve voorspellende studies nieuwe ideeen opleveren voor kwalitatief onderzoek. Schiere zou een aantal van de nu nog kwalitatief gedefinieerde relaties in het Stro-project, graag cijfermatig onderbouwen. En Van Keulen zou graag de inventariserende, interdisciplinaire methode van het Stro-project willen toepassen in zijn sector. Maar toepassing op de Nederlandse veehouderij zit er volgens de hoogleraar voorlopig niet in, gezien de beperkte tijd waarvoor hij is aangesteld. Het Stro-project is ondertussen afgelopen. De Indiase onderzoekers gebruiken de opgedane ervaring", hoopt Schiere, en wij gaan er natuurlijk ook in het onderwijs mee verder."

Re:ageer