Wetenschap - 13 februari 1997

Vaste aanstellingen bestaan niet meer op onderzoeksmarkt

Vaste aanstellingen bestaan niet meer op onderzoeksmarkt

Vaste aanstellingen bestaan niet meer op onderzoeksmarkt
CPRO-DLO wil ook publiceren in Science
Verregaande samenwerking tussen de Wageningse plantenveredelaars kan de onderzoekspositie van Wageningen op de internationale markt verbeteren, meent directeur dr ir Nic Hogenboom van CPRO-DLO. De onderzoekers moeten het voordeel van die samenwerking echter wel zien en elkaar zelf opzoeken. Het gewenste eindresultaat: een gezicht naar buiten en intern een geolied multidisciplinair onderzoekbedrijf dat meebeweegt met de markt van contract-research en studenten
Veel mensen denken dat we alleen voor veredelingsbedrijven werken, vertelt directeur dr ir Nic Hogenboom in het CPRO-gebouw, waar je alleen met een pasje langs de deur achter de receptie komt. We werken echter voor de hele groene keten. Met name de verwerkende industrie is een groeiende klantengroep. Maar we geven bijvoorbeeld ook adviezen over de genetische samenstelling van populaties voor natuur- en landschapontwikkelaars.
Het Centrum voor plantenveredelings- en reproductieonderzoek (CPRO-DLO) is in 1991 ontstaan door een fusie van zes instituten met elk een eigen expertise op het terrein van veredelings- en voortplantingsonderzoek van land- en tuinbouwgewassen. Het instituut bestrijkt dat gebied in de volle breedte, van fundamenteel tot toegepast. Door de bundeling van expertise kunnen we dit vakgebied heel interdisciplinair benaderen, meent Hogenboom
We hebben bijvoorbeeld moleculair biologen en onderzoekers met veel botanische en gewaskennis die kunnen uitzoeken waar in het plantenrijk interessante stoffen voorkomen. Zo isoleerden zijn onderzoekers uit aardpeer de genen die coderen voor de niet-dikmakende zoetstof fructaan om van een suikerbiet een fructaanbiet te maken. De boer teelt dan nog steeds bieten, maar hij levert een ander product aan de verwerkende industrie.
Zandraket
Fundamentele kennisontwikkeling met behulp van voorbeeldgewassen is steeds belangrijker geworden voor het CPRO. Dat hoeven niet eens land- en tuinbouwgewassen te zijn; de zoektocht naar resistentiegenen vindt ook plaats bij de zandraket, een plantje met een korte levenscyclus dat in de landbouw vooral als onkruid bekend staat
De stelling dat het meer fundamentele onderzoek op de LUW thuishoort, weerspreekt Hogenboom. De veranderingen die we hebben doorgemaakt in de richting van een marktconform onderzoekbedrijf, hebben ervoor gezorgd dat we de markt voor fundamenteel-strategisch onderzoek actief gingen opzoeken. CPRO-onderzoekers hebben nog steeds de ruimte om hun eigen programma te maken. Ze kunnen daarbij ook wetenschappelijk interessante zijpaden bewandelen
Hun werk resulteert in publicaties in gerenommeerde tijdschriften als Science en Nature. Buitenlanders komen soms enkel door zo'n publicatie op ons af. Onderzoek is duur en we willen een goede kwaliteit afleveren. We denken dat we een goede kwaliteit-prijs-verhouding hebben, vertelt Hogenboom. Hij heeft dan ook geen problemen met de lagere overheadkosten die de LUW berekent. De multidisciplinaire aanpak is volgens hem de kracht van CPRO-DLO
Kwekersrecht
Ruim veertig miljoen gulden gaat er jaarlijks om bij het CPRO. Het ministerie van LNV stelt ruim zestien miljoen aan programmafinanciering beschikbaar; de rest van de inkomsten komt vooral van andere ministeries, het bedrijfsleven, de Europese Unie en revenuen uit kwekersrecht en octrooien. Vooral het kwekersrecht op een aantal fruitrassen, zoals het appelras Elstar, is een melkkoe, zegt Hogenboom. De veredeling van die rassen duurt namelijk te lang voor particulieren.
Verregaande samenwerking met de LUW - hij weet niet of het een fusie wordt - kan de positie van Wageningen op de onderzoekswereldmarkt verbeteren, denkt Hogenboom. Je moet bezoekers altijd veel uitleggen over Wageningen. In de toekomst hoef je zo'n praatje niet meer op te hangen; dan heb je een gezicht naar buiten. Het voordeel bereik je echter alleen als het integratieproces wordt gedragen door de werkvloer en als er geen ambtelijke organisatie ontstaat met een overleg- en parafencultuur, voegt Hogenboom er snel aan toe. Dat vraagt veel van de ontwikkeling van de organisatiecultuur. De universiteit kan de vorm van een goed geolied bedrijf hebben, met behoud van de maatschappelijke functie die ze altijd heeft gehad.
Als voorbeeld geeft Hogenboom de recente publicatie in Science, waarin CPRO-onderzoekers met twee buitenlandse partners voor het eerst een resistentiegen tegen een aaltje beschrijven. Dit is wetenschappelijk en maatschappelijk relevant en via octrooi-inkomsten levert het ook geld op. Daar zou geen vakgroep zich voor hoeven te schamen.
Hogenboom denkt dat de bestaande samenwerking met vakgroepen van de LUW en de onderzoekscholen EPW, PE en VLAG geintensiveerd kan worden. Veel overlap met de LUW ziet hij echter niet. De markt geeft daar niet veel ruimte voor. We stoppen of beginnen niet met onderzoek waar we niet sterk genoeg in zijn. Zo investeert het CPRO niet in virusresistentie, omdat de LUW veel meer expertise op het gebied van virologie heeft, en stemt het instituut het aardappelonderzoek af met de vakgroep Plantenveredeling. Ook door aio-projecten met promotoren van de LUW vindt afstemming plaats. In totaal promoveren elk jaar zo'n vijftien aio's en medewerkers van het CPRO op de LUW
Expertisecluster
De samenwerking wordt niet verstoord door geheimhouding van een deel van het onderzoek. Je moet elkaar informeren over welke onderzoekterreinen je bezet. Het gaat dan niet om de details van het onderzoek en ook niet over voor welke bedrijven je het onderzoek doet.
We voelen ons heel erg aangesproken door het idee van een expertisecluster Genetisch-biologisch onderzoek en bijbehorende technieken. We hebben al positieve gesprekken gehad met vakgroepen die op dat vlak zitten. Vanuit zo'n cluster ga je dan de verschillende maatschappelijke functies invullen, zoals het onderwijs in de eerste en tweede fase en het nieuwsgierigheidsgedreven, fundamentele, strategische en toegepaste onderzoek.
Om tot zo'n expertisecluster te komen, moeten onderzoekers met hetzelfde onderzoekgebied elkaar vooral zelf opzoeken, meent Hogenboom. Als zij het voordeel niet zien, wordt het toch niets. Centraal moet er wel vanuit een goede visie gestuurd worden, onder andere met geld. Maar het moet leven op de werkvloer. Hij is dus niet bang dat er op zijn instituut geen draagvlak voor een fusie is. We zijn al heel lang met samenwerkingsverbanden bezig en daaruit weten we al dat samenwerken gunstig is.
De verschillende afdelingen binnen het CPRO werken volgens Hogenboom goed samen. De afdelingshoofden vergaderen elke twee weken over het onderzoek en de marktinformatie. Ze weten heel goed wie wat doet en waar door samenwerking voordelen te behalen zijn. De directeur ontkent niet dat er ook concurrentie tussen de afdelingen is, maar hij vindt dat een gezond soort concurrentie. Dat kan heel stimulerend zijn, omdat het je verschrikkelijk scherp houdt.
Aanstellingen
De invoering van integraal management heeft bij het personeel het bewustzijn vergroot dat ze het geld zelf moeten verdienen. Je moet ook elkaars sterke punten goed benutten. De mensen die weinig aan marktbewerking doen, doen dat toch doordat ze taken uit handen nemen van mensen die daar veel beter voor geschikt zijn. Ze weten: als het geld op is, is onze baan ook op. Dat resulteert in een groeiende groep onderzoeker met een tijdelijk contract van drie a vier jaar. Dat is best een moeilijk punt. We hebben op een gegeven moment gezegd: vaste aanstellingen bestaan niet meer. Dat is de consequentie van het de markt opgaan. Als we voor een bepaald gebied geen geld meer hebben, dan heffen we die functie op. Doordat de markt beweegt, moeten wij ook bewegen. We zijn op zoek naar ondernemende mensen.
Voor mensen wier functie is opgeheven, lukt het niet altijd een passende nieuwe functie te vinden. Het is heel moeilijk dat we een overheidsorganisatie zijn. Daar horen regels bij als lange ontslagprocedures en wachtgeld. Terwijl we aan de andere kant geacht worden het merendeel van ons geld op de markt te verdienen. Dat wringt.
Het ondernemingsplan beschrijft elk jaar expliciet welk onderzoek het CPRO afstoot als de markt niet aantrekt. Ook de diepte-investeringen staan daarin, zoals agro-biodiversiteit. Hogenboom verwacht dat daar een grote onderzoeksmarkt voor komt. Ons Centrum voor genetische bronnen Nederland begint met zijn netwerkbenadering van genenbanken internationaal furore te maken. We werken samen met particuliere organisaties om de regionale biodiversiteit in ontwikkelingslanden in stand te houden op de boerderijen zelf. Het centrum coordineert welke plantenrassen het beste doorgekweekt kunnen worden om ze in stand te houden voor de toekomst
Relevantie
In herbicideresistente rassen heeft het CPRO niet geinvesteerd. Dat was een bewuste keuze op basis van onze inschatting van de maatschappelijke relevantie. Hij heeft daar geen overleg met het ministerie over gehad. Genetische modificatie gebruiken om ziekte- en plaagresistente gewassen te ontwikkelen, vindt Hogenboom wel maatschappelijk relevant, evenals de productie van gezondheidsbevorderende levensmiddeleningredienten door planten. Hogenboom verwacht dat een groot deel van de consumenten producten van genetisch gemodificeerde planten gaat accepteren. De regelgeving van de overheid is zo dat voor de consument alleen veilige producten op de markt komen. Daarnaast zorgen consumentenorganisaties en de stichting Publieksvoorlichting over wetenschap en techniek voor goede voorlichting.
Binnenkort gaat Hogenboom het gesprek aan met een aantal biologische landbouworganisaties. Goed uitgangsmateriaal is juist voor de biologische landbouw heel belangrijk. Met behulp van biotechnologie kun je kennis verwerven die op een andere manier heel moeilijk te krijgen is. Deze kennis kunnen we ook weer in de klassieke veredeling gebruiken. Zo hebben we de biologische boeren die geen transgene planten willen telen ook wat te bieden. Tenzij ze zo recht in de leer zijn dat ze zeggen: dat mag niet, want dat hebben jullie geleerd van de biotechnologen.

Re:ageer