Wetenschap - 5 oktober 1995

Van gewassen naar netwerken en communicatie

Van gewassen naar netwerken en communicatie

De internationale landbouwkundige instituten moeten veranderen

De internationale landbouwkundige onderzoeksinstituten moeten zich van veredelingsinstituten, gericht op hogere produktie, transformeren tot landbouwkenniscentra die met vele groepen elders alternatieve landgebruiksystemen uitproberen. De eerste aanzetten tot verandering zijn er, getuige het programma Condesan van het internationaal aardappelinstituut in Peru.


Al sinds de jaren zeventig vragen Westerse donors zich af of de honderderen miljoenen die ze steken in internationale landbouwkundige onderzoeksinstituten (IARC's) optimaal worden besteed. Want ondanks dit dollarinfuus leeft een miljard mensen in droge, onherbergzame streken nog steeds onder de armoede-grens, vernietigt erosie grote stukken landbouwgrond, gaat moderne graanbouw gepaard met verzilting en verdroging, en verdwijnen jaarlijks tientallen plantesoorten en oude landrassen.

Natuurlijk, het rijstinstituut IRRI in de Filipijnen, opgericht in 1960, en het tarwe-instituut CYMMIT in Mexico uit 1966, hebben rijst- en tarwerassen geleverd die met kunstmest en irrigatie de graanopbrengst flink hebben verhoogd waardoor hongersnoden in bijvoorbeeld India nu lang geleden zijn. Maar de verbeterde rassen komen nauwelijks bij de armsten terecht.

Begin jaren tachtig zijn er al wel wat inititatieven genomen om het onderzoek beter aan te laten sluiten bij de vragen van de armen. Zo werden er landbouwkundigen aangesteld om bedrijfssystemen te onderzoeken, waarbij ze boeren betrokken. Dit bleef echter in de marge. De main stream in de instituten ging vooralsnog door met het in betrekkelijk isolement veredelen van hun mandaatgewassen, en met biologisch onderzoek; het geld bleef toch wel komen.

Maar drie jaar geleden werden de donorlanden genoodzaakt de financiering op de IARC's ter discussie te stellen. De instituten werden voor het blok gezet: ze moesten zichzelf opheffen, of veranderen. Net in die tijd werd Ismael Serageldin, de huidige vice-president van de Wereldbank, voorzitter van de club donors (CGIAR). De progressieve Egyptenaar bracht de spirit terug. We want to have the agenda drive the budget", was zijn devies, and not the budget drive the agenda." Met andere woorden: er moest een goed verhaal komen, en dan kwam er geld. Voor de internationale instituten, meende hij, lag er wel degelijk een unieke en belangrijke taak in de voedselvoorziening. Maar ze moesten dan wel veranderen.

Samenwerken

Die nieuwe rol betekent veel samenwerken, luisteren, onderzoek aanpassen, en nog eens samenwerken, zo blijkt uit de nieuwe folders over de IARC's. De landbouwkundige problemen moeten integraal en in hun context worden bezien en zoiets is alleen mogelijk als uiteenlopende groepen, waaronder veredelaars, sociaal wetenschappers, planners en voorlichters, gecoordineerd een taak op zich nemen en resultaten onderling bespreken. Tegelijkertijd moet er ook een afbakening zijn. De nieuwe programma's, die als paraplu moeten gaan dienen, zijn daarom gericht op een bepaalde agro-ecologische zone. Dat is een gebied dat qua ecologie en type landbouw een eenheid vormt, bijvoorbeeld de hooglanden in de Andes.

Idealiter gaan nieuwe onderzoeksprogramma's overzicht geven over de mogelijkheden en knelpunten op niveau van het boerenbedrijf en op regionaal niveau, en dat liefst geplaatst in nationale en internationale context. Hiervoor is een data-bestand nodig van onderzoeksresultaten rond bijvoorbeeld cassave-veredeling, aardappelteelt of maisziekten enerzijds, en traditionele boerenkennis anderzijds. In het bestand zitten ook de ervaringen van voorlichters, sociologen en economen.

Dit alles is nog steeds een ideaal. Maar de eerste stapjes zijn gezet, zo bleek onlangs op het IAC in Wageningen waar deze maand verschillende bijeenkomsten zijn belegd rond de veranderende instituten. 28 September sprak dr H. Zandstra, directeur-generaal van het internationaal aardappelinstituut CIP in Peru, over het programma Condesan. Zandstra, bodemkundige van huis uit, stimuleert onder de IARC-topmensen de veranderingen.

Condesan, dat zich richt op de hooglanden in het Andesgebergte, krijgt jaarlijks 1,8 miljoen dollar van vijf donorlanden waaronder Nederland, voor coordinatie en extra onderzoek. Er zijn eigen projecten onder geschoven van vijf nationale onderzoeksinstuten, zeventien ontwikkelingsorganisaties, twaalf universiteiten, drie bedrijven en zeven internationale instituten. De deelnemers hebben twee weken bij elkaar gezeten om te brainstormen over de prioriteiten en de wijze van besluitvorming. Centraal staat het perspectief van de boer en de consument. Verder probeert het programma biodiversiteit te behouden, doen de deelnemers impactstudies van genomen technische maatregelen en landgebruikssystemen, en kiezen ze voor participatieve of interactieve technologie-ontwikkeling, waarbij alternatieven stap voor stap met dorpelingen worden uitgeprobeerd, aangepast, en opnieuw uitgeprobeerd. Onder de vlag van Condesan beleggen universitaire sociologen dorpsbijeenkomsten om er achter te komen hoe voe
dselproduktie en behoud van natuur samen kunnen gaan. Levensmiddelentechnologen bekijken hoe traditonele Andesprodukten zoals amaranthus aantrekkelijker zijn te maken voor de stadbevolking. En er is iemand aangesteld om de over vele instellingen versnipperde onderzoeksresultaten te verzamelen.

En zo werkt op geld van de LUW aio ir G.H.J. de Koning onder auspicien van prof. dr ir L.O. Fresco voor Condesan aan een methode om agro-ecologische karakterisering te verfijnen. Welke regio's in Equador komen met elkaar overeen, niet alleen in biofysische factoren, maar ook qua menselijk ingrijpen? Een droog gebied waar boeren regelmatig irrigeren, moet onderscheiden worden van een vergelijkbare gebied waar boeren niet irrigeren. Deze agro-ecologische karakterisering is belangrijk, om inzicht te krijgen in de diversiteit aan knelpunten en mogelijkheden in de verschillende zones, en om de vraag te kunnen beantwoorden in hoeverre onderzoeksresultaten zijn te extrapoleren.

Een schijntje

Twee miljoen dollar voor Condesan is een schijntje vergeleken met de honderden miljoenen dollars overheidsgeld dat naar laboratoriumonderzoek gaat. Maar CIP-directeur Zandstra is toch niet pessimistisch over verandering. De initiatiefnemers hopen biologen en veredelaars zo enthousiast te maken, dat ze zich meer gaan richten op de problemen die de systeemanalytici, boeren en voorlichters naar voren brengen. Het liefst ziet hij dat al het experimentele onderzoek voor de tropen geleid wordt door systeemanalytisch onderzoek, het met boeren uitproberen van alternatieven in het veld, en het doorrekenen van opties. Bijvoorbeeld: voor een bepaald agro-ecologisch gebied is de mogelijkheid geconstateerd om drie gewassen per jaar te verbouwen. Een veredelaar wordt dan gevraagd een graan veredelen dat iets sneller opkomt. Zandstra meent dat in verhouding te veel onderzoek experimenteel is. Te weinig onderzoekers, ervaart hij, analyseren en synthetiseren bestaande informatie.

Maar verandering gaat niet snel. Bij de internationale instituten is het heel moeizaam gegaan", geeft de CIP-directeur toe. De technische adviescommissie vreesde lang dat wanneer de instituten met NGO's gaan samenwerken, ze weggenomen worden van het belangrijker fundamenteel-strategisch onderzoek, belangrijk tussen aanhalingstekens dan. Met Condesan benadrukken we daarom dat we een methode ontwikkelen die ook elders in de wereld bruikbaar is. Dat is ook strategisch."

Zandstra wil een methode om beter te begrijpen wat de wensen zijn van consumenten en boeren. En een methode om stap voor stap vernieuwingen in het veld uit te proberen. Niet met statistische berekingen, dat kunnen wel wel, maar met ontwikkelingsorganisaties en boeren."

De meervoudige doelprogrammering die de vakgroep Theoretische produktie-ecologie (TPE) en het CABO-DLO hebben ontwikkeld, acht hij een belangrijke bijdrage aan het systeemanalytische deel van het programma. Dat de meeste Wageningse modellen niet interactief met regionale planners of boeren worden ontwikkeld, en dat er geen mensen in voorkomen zoals critici wel opmerken, vindt Zandstra geen probleem: We zijn met de modellen niet klaar. Je moet eerst de capaciteit hebben. Als je die hebt, kun je die interactief aanpassen. Aannames als boer gaat zaaien nadat 20 milliliter regen is gevallen, kun je in de dorpen bespreken. Nu worden vaak alleen de uitkomsten in het veld getest." De modellen moeten dan wel zo gemaakt worden dat ze interactief te gebruiken zijn.

Al met al staan de internationale instituten en het landbouwkundig onderzoek in het algemeen, voor een enorme klus. Nu de donors en managers binnen het gevestigde onderzoek erkennen dat de onderzoekers zich meer moeten richten naar de praktijk, begint het pas. Zijn boeren, voorlichters en planners bereid mee te werken? Is de cultuurkloof niet te groot? Zijn landbouwkundig onderzoekers in staat hun hobby's op te geven? En hoeveel voorlichters en docenten zijn nodig om de honderdduizenden afgelegen en ongeletterde dorpen in Afrika en Azie te bereiken? In oktober wordt een fonds van minimaal tien miljoen gulden ingesteld voor methodologische ondersteuning van het nieuwe onderzoek. Dit kan de overgang versnellen, zo hopen de donors.

Re:ageer