Wetenschap - 17 september 1998

Van boekenwijsheid naar brede ingenieur

Van boekenwijsheid naar brede ingenieur

Van boekenwijsheid naar brede ingenieur
Filosoof Baggen over de veranderende rol van de universiteit
De Nederlandse universiteiten waren voor 1960 niet de ivoren torens waar ze vaak voor worden versleten. Maatschappelijke veranderingen hadden wel degelijk effect op de doelen die universiteiten zich stelden, vindt toegepast filosoof dr Peter Baggen. De laatste tijd klinkt weer de roep om een breed vormende universiteit, ook in Wageningen. Voor velen lijkt breed synoniem te zijn voor multidisciplinair. Daar denkt Baggen anders over
Eeuwenlang veranderde er weinig aan de Nederlandse universiteiten. Niet gehinderd door derde geldstroom en overvolle collegezalen verrichtten professoren hun onderzoek in de weldadige stilte van laboratoria en studeerkamers. Maatschappelijke stormen hadden geen grip op de wetenschap. Tot de jaren zestig. Langharige demonstranten eisten inspraak en door de massale instroom van studenten veranderde de universiteit drastisch van karakter
Dat is het standaardbeeld van de geschiedenis van de Nederlandse universiteiten. In onderwijsdiscussies over de inrichting van de universiteiten speelt de universiteit van voor de jaren zestig nog steeds een rol. Voorstanders van vernieuwing zetten zich af tegen de onveranderlijke ivoren torens; tegenstanders beroepen zich juist op de waarde van de lange traditie
Beide groepen hebben een verkeerd beeld van de universiteit van voor 1960, zegt dr Peter Baggen, postdoc bij de leerstoelgroep Toegepaste filosofie. De universiteiten waren lang niet zo onveranderlijk als wel gedacht wordt. Baggen promoveerde vorige week bij de sectie Wijsgerige en historische pedagogiek van de Katholieke Universiteit Nijmegen op een onderzoek naar de veranderende pedagogische idealen van het Nederlandse academische onderwijs
Volgens Baggen wilden universiteiten in de achttiende eeuw hun studenten vooral zelfstandig leren denken. Brede belezenheid en algemene vorming waren de doelen van universitair onderwijs. Het onderwijs vond plaats in het Latijn en hield zich verre van praktische toepassingen. Om het vermogen van studenten om zelfstandig te denken te toetsen, moesten studenten een proefschrift verdedigen. De toets was daarbij niet zozeer het vervaardigen van een proefschrift, zoals nu, maar meer de wijze waarop het proefschrift werd verdedigd. Doordat de opleidingen breed van opzet waren, was de arbeidsmarkt van verschillende opleidingen nogal divers. Het was niet ongebruikelijk dat een afgestudeerd medicus een baan vond als dominee
Praktiseren
In de loop van de negentiende eeuw verandert de missie van de universiteiten. Niet langer staat zelfstandig leren denken centraal, maar zelfstandig leren praktiseren. Studenten worden voorbereid op de beroepspraktijk van predikant, advocaat of arts. Demonstraties in de collegezaal worden vervangen door practica, discussiecolleges maken plaats voor hoorcolleges over de actuele stand van zaken in de wetenschap. De algemeen vormende taak van de propedeuses wordt overgeheveld naar de gymnasia. Studenten krijgen alleen nog onderwijs in hun vakgebied
De verdergaande specialisatie van de wetenschap aan het eind van de negentiende eeuw verandert het onderwijs. Er ontstaan onderzoeksgroepen waarin studenten meewerken in de vorm van leer- of promotieonderzoek en het aantal studierichtingen breidt zich uit. Niet om de studenten beter voor te bereiden op de beroepspraktijk maar om beter aan te sluiten bij de wetenschappelijke praktijk van de universiteiten. Het doel van de opleidingen verschuift daarmee van het leren praktiseren naar het zelfstandig leren onderzoeken. Dat ideaal is in 1960 ook de basis van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs, het punt waarop het onderzoek van Baggen ophoudt
De gedachtevorming over de rol van de universiteiten stopt op dat moment echter allerminst. Het leren verrichten van wetenschappelijk onderzoek als doel van universitair onderzoek komt volgens Baggen na 1960 steeds meer onder vuur te liggen. De invoering van de tweefasenstructuur, die de universitaire opleidingen verdeelt in een vierjarige doctoraalopleiding en een echte onderzoekersopleiding, maakt het doel van de eerstefaseopleidingen onduidelijk. Voor het echt leren onderzoeken heb je blijkbaar meer tijd nodig. Wat is dan het doel van de eerste fase?
Reflecteren
De Universiteit Utrecht opende onlangs het University College. Dat moet studenten vooral een brede vorming bieden. Terug naar de idealen van het begin van de negentiende eeuw dus. Ik denk dat we voor een periode van experimenten staan waarbij de universiteiten op zoek gaan naar een nieuw doel voor de eerstefaseopleidingen, zegt Baggen. In Wageningen pleitte onderwijsdirecteur prof. dr ir Bert Speelman bij de opening van het academisch jaar voor bredere ingenieursopleidingen. En de vijfjarige LUW-opleidingen schonken het laatste jaar meer aandacht aan beroepsvaardigheden
Bij de oproep om de Wageningse opleidingen te verbreden heeft Baggen wat kanttekeningen. Er zijn grofweg vier redenen die je daarvoor kunt aanvoeren. De eerste is dat een universiteit mensen academisch moet vormen, ze moeten meer weten dan hun eigen vakgebied. Verder moeten studenten in staat zijn om te reflecteren op hun eigen vakgebied en vraagt de moderne arbeidsmarkt een brede inzetbaarheid van afgestudeerden. Het laatste argument is dat het werkveld zelf verbreed is.
De oproep om de opleidingen te verbreden leidt echter bij veel bestuurders tot een soort Pavlov-reactie. Ze willen multidisciplinaire opleidingen. Als je het eerste argument belangrijk vindt, is dat begrijpelijk. Maar de andere argumenten doen meer een beroep op wat in de onderwijspsychologie cognitieve vaardigheden heet: het leren analyseren van een problemen. Dat train je niet door studenten boeken te laten lezen van meerdere disciplines.
Volgens Baggen kunnen universiteiten die vaardigheden beter trainen door meer praktijksimulaties in te bouwen in het onderzoek. De docent wordt dan een begeleider van studentengroepen. Nu worden de universiteiten echter bevolkt door mensen die voornamelijk geselecteerd zijn op hun kwaliteiten als onderzoeker, niet op hun vermogen om groepen studenten te begeleiden. Dat hoeft volgens Baggen niet altijd problemen op te leveren. Ik zie om mij heen dat goede, creatieve onderzoekers vaak ook goede begeleiders zijn.

Re:ageer