Wetenschap - 9 maart 1995

Vakgroepsdemocratie

Vakgroepsdemocratie

Sinds de Wet Veringa (1970) bestaat er op het basisniveau de zgn. eenheid van het wetenschappelijk corps: docenten en onderzoekers zijn gezamenlijk met een taak bezig. Creatief onderzoek en enthousiast onderwijs gaan niet samen met commandoverhoudingen. Een geengageerde inzet komt nu eenmaal pas goed tot zijn recht, als stafleden niet in een keurslijf geperst worden, maar zichzelf kunnen zijn en niet als verlengde van hoogleraren of instituutsdirecteuren moeten functioneren.

De formeel-juridische verankering daarvan in de wet wordt gevormd door artikelen die aangeven dat op het basisniveau aan de universiteit vakgroepen bestaan, die de beoefenaren van een vak bundelen, en die bij meerderheid van stemmen de taken vaststellen.

Merkwaardig is nu dat volgens het zgn. Master Plan de huidige Vakgroepen door fusie drie a vier zo groot zouden worden. De gemiddelde vakgroepbestuursvergadering omvat dan gemakkelijk minstens 40 personen. Dit zal m.i. een onwerkbaar geheel opleveren, zeker bij het zo heterogene en gediversificeerde werkveld van de LUW.

Waar blijft de stem van de vakgroepen, zal de buitenstaander vragen, ik hoor ze nauwelijks piepen. Een stuk verklaring daarvoor is m.i. dat bij wet de hoogleraar de voorzitter van de vakgroep is en deze heeft er uiteraard geen belang bij de macht van andere machtsfactoren op het basisniveau te vergroten. Een klein dagelijks bestuur van voornamelijk hoogleraren is wel zo praktisch.

Op deze manier wordt m.i. wel een loopje genomen met de intentie van de wet op dit punt. Opvallend is dat het tot nu toe ook ontbroken heeft aan protest van studentenzijde tegen het wegvallen van feitelijke democratie op het basisniveau. Zowel de faculteit (zie mijn podiumbijdrage op 24 november j.l.) als de democratie op het basisniveau zouden met de hand op de wet op een sterkere positie mogen rekenen dan volgens het Master Plan het geval lijkt te worden.

Re:ageer