Wetenschap - 27 juni 1996

Vakgroep Ecologische landbouw is slachtoffer van eigen succes

Vakgroep Ecologische landbouw is slachtoffer van eigen succes

De onderbezetting gaat ten koste van het onderzoek

Boegbeeld van de Landbouwuniversiteit of knuffelbeest? De vakgroep Ecologische landbouw is vanaf het begin een successtory geweest", zegt medewerker van het eerste uur en ex-beheerder ir. P. Van der Werff. Zowel op de Landbouwuniversiteit als in de politiek wordt veel over duurzaamheid gesproken. Toch zit Ecologische landbouw nog altijd enigszins weggestopt in een te krappe behuizing: een groene houten barak aan de Haarweg. Ook de personeelsbezetting laat nog altijd te wensen over: de vakgroep heeft te kampen met een chronisch personeelsgebrek.


De mechanische onkruidbestrijding heeft sinds 1980 dankzij de biologische landbouw een enorme vlucht genomen

De vakgroep Ecologische landbouw kwam voort uit de in 1981 in het leven geroepen vakgroep Alternatieve land- en tuinbouw. In 1985 werd besloten de bijzondere leerstoel van drs. J.D. van Mansfelt om te zetten in een gewone leerstoel. Het kostte echter veel moeite en tijd om voor Ecologische landbouw een profielschets van de gewenste hoogleraar te maken. Al even veel moeite kostte het een hoogleraar te vinden die binnen die profielschets paste. Het zou nog tot eind 1992 duren voor de leerstoel werd ingevuld.

De keuze viel op dr ir E.A. Goewie, voorheen directeur van de Planteziektenkundige Dienst. Met enthousiasme stortte Goewie zich op zijn opdracht: het aandragen van argumenten die de samenleving ervan kunnen overtuigen dat ecologisch geteeld voedsel gezonder, omgevingsvriendelijker en betaalbaar is voor deze en toekomstige generaties.

De vakgroep is sindsdien het slachtoffer geworden van haar eigen succes, zou je kunnen zeggen. Hoewel de grootste groei er langzamerhand wel uit lijkt te zijn, heeft Ecologische landbouw sinds de komst van Goewie te maken gehad met een toenemende belangstelling van studenten. De vakgroep heeft nu zo'n dertig afstudeerders per jaar. De rekenmodellen die de universiteit hanteert voor de toewijzing van het aantal formatieplaatsen zijn weliswaar onder meer gebaseerd op de onderwijsbelasting, maar lopen altijd achter op de werkelijkheid. De modellen baseren zich immers niet alleen op de onderwijsbelasting van het afgelopen studiejaar, ze nemen ook de twee jaren die daaraan vooraf gingen mee.

De onderbezetting gaat ten koste van het onderzoek. De onderzoeks-output is momenteel dan ook nog niet bijzonder groot en dat is een bewuste keuze", aldus Van der Werff. De studenten verwachten onderwijs van hoge kwaliteit. En daar hebben zij ook recht op. Bovendien, zodra de aandacht voor de onderwijstaak verslapt en de kwaliteit ervan achteruit loopt, merk je dat de jaren daarop direct aan de aantallen studenten. Anderzijds kun je je afvragen wat de belangrijkste taak is van de universiteit: onderzoek of onderwijs?"

Dynamiek

Van der Werff is niet blij met de gehanteerde modellen voor de berekening van het aantal formatieplaatsen. In een stabiele situatie, waarin het aantal studenten per vakgroep geen grote variaties kent, kan zo'n rekenmodel heel goed functioneren. In ons geval, waar sprake is van dynamiek, deugt het model niet. Door de nog immer van kracht zijnde vacaturestop bij onze sector, Plant- en Gewaswetenschappen, zit het er ook niet in dat er op korte termijn een einde komt aan het personeelstekort."

Het klinkt eigenaardig, maar een vakgroep die krimpt door afnemende belangstelling van studenten kan relatief meer tijd aan onderzoek besteden. Wij hebben echter gebrek aan onderzoekscapaciteit, terwijl we als relatief nieuwe richting juist veel onderzoek zouden moeten verrichten. Het zou handig zijn wanneer de universiteit wat capaciteit achter de hand zou hebben voor extra mankracht in dit soort situaties. Je kunt dan denken aan bijvoorbeeld tien formatieplaatsen die worden gereserveerd voor tijdelijke inzet bij vakgroepen die te kampen hebben met een personeelstekort."

Toch komt Ecologische landbouw nog wel aan onderzoek toe. Inmiddels zijn samenwerkingsverbanden met ongeveer tien vakgroepen van de grond gekomen, waaronder Agronomie, Veehouderij (sectie Dierlijke produktiesystemen), Bodemkunde en plantevoeding en Theoretische produktie-ecologie.

Dat is ook de opdracht van Ecologische landbouw; het moest bij uitstek een integrerende vakgroep worden. Een moeilijke positie, omdat we in het onderwijs te maken hebben met relatief veel studenten die bij ons vrije-keuzevakken volgen. Het project op de Minderhoudhoeve is een uitstekend voorbeeld van de onderzoekssamenwerking die we in gedachten hadden: ecologisering van de landbouw zonder elkaars methoden te verketteren."

Van competitie met omliggende vakgroepen, die zich toch ook meer zijn gaan richten op minder gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen, zegt Van der Werff weinig te merken. Hoewel het soms wel lijkt of Ecologische landbouw en andere vakgroepen uit dezelfde ruif eten. Ik kan me echter wel voorstellen dat met name vakgroepen die moeite hebben het eigen hoofd boven water te houden, de komst van Ecologische landbouw als een bedreiging ervaren."

Imago

Naast de grote belangstelling van studenten heeft Ecologische landbouw te maken met veel verzoeken om lezingen in den lande. Daar willen we graag aan voldoen, al was het alleen maar om het imago van ecologische landbouw op te vijzelen. Maar het geven van lezingen en de deelname aan congressen en symposia versterkt de onderbezetting op de vakgroep nog eens. De ziekte van Eric Goewie, die sinds april thuis verblijft en pas na de zomer weer wordt terugverwacht, kan daar ook niet geheel los van worden gezien."

Deelname aan symposia en congressen is volgens Van der Werff van belang voor het maatschappelijk en politiek draagvlak voor ecologische produktie. De problemen in Nederland voor ecologische produkten zitten hem vooral in de afzet. De vraag naar dergelijke produkten stijgt in Nederland minder snel dan in het buitenland."

Dat heeft volgens Van der Werff deels te maken met het feit dat bijvoorbeeld supermarkten maar mondjesmaat ecologische produkten aanbieden. Wanneer zij dat wel doen, worden die produkten doorgaans gescheiden van normale produkten aangeboden, maar zonder het milieu-aspect te benadrukken. Het milieu is in de supermarkt nauwelijks een argument. Produkten die op ecologische wijze worden geproduceerd, worden dan ook nauwelijks als zodanig geetiketteerd. Dat is vreemd, temeer omdat zogenoemde diervriendelijke produkten wel als zodanig worden geafficheerd. Kennelijk is dat als argument wel belangrijk."

Een oorzaak voor die achterblijvende interesse van supermarkten valt wellicht te vinden in het feit dat er in Nederland sinds de jaren tachtig veel natuurvoedingswinkels zijn geopend, waardoor een scheiding der markten is ontstaan. In het buitenland heeft dat verschijnsel zich volgens Van der Werff nauwelijks voorgedaan, wat het voor supermarktketens daar interessanter maakte om ecologisch geteelde produkten aan te bieden. Toch is er hoop: de supermarktketen Albert Heijn begon vorig jaar met de verkoop van biologisch geteelde aardappelen. Tijdens het in april gehouden symposium Voeding en landbouw, tussen geld en geest ontving de grootgrutter daarvoor uit handen van Ria Beckers, vertegenwoordiger van de Stichting Biologica, de gouden aardappel. Daarbij moest de supermarktketen zich wel in de oren knopen dat het slechts ging om een aanmoedigingsprijs.

Bintje

Tien jaar geleden had Nederland een behoorlijke voorsprong op het gebied van de landbouw, zegt Van der Werff. Door export van kennis zijn de hoge opbrengsten van bijvoorbeeld het bintje nu ook elders in Europa mogelijk. De voorsprong die Nederland had in de jaren zeventig en tachtig is goeddeels ingelopen. Nederland zal het daarom in de toekomst ook moeten hebben van de toegevoegde waarde van zijn produkten."

Momenteel blijft Nederland enigszins achter als het gaat om onderzoek naar biologische landbouw. Van der Werff: In een land als Finland is tegenwoordig vrijwel al het onderzoek gericht op ecologische produktiemethoden. Daarbij vergeleken vallen de Nederlandse inspanningen in het niet." Nog altijd staat een bescheiden succes van de ecologische landbouw tegenover het aantoonbare succes van veertig jaar intensieve landbouw, alle belangstelling van studenten ten spijt.

Dat er nog wel eens neerbuigend wordt gedaan over met name de economische mogelijkheden van ecologische produktie is volgens Van der werff onterecht. Je ziet dat biologische veehouders het in de praktijk redelijk goed doen. De landbouw kan ook financieel even aantrekkelijk blijven. Biologische bedrijven moeten wellicht wat groter zijn dan conventionele bedrijven om rendabel te kunnen werken, maar de mogelijkheden zijn er. Zo heeft de mechanische onkruidbestrijding sinds 1980 dankzij de biologische landbouw een enorme vlucht genomen. Een conventionele boer die minder onkruidbestrijdingsmiddelen wil gebruiken, kan dat nu ook doen." Omschakeling kost echter tijd. Het weglaten van bestrijdingsmiddelen levert niet direct het gewenste resultaat op. De eerste jaren is zelfs sprake van een duidelijke opbrengstvermindering."

Ecologische landbouw kan voor Nederland een belangrijke rol gaan spelen, meent Van der Werff. De traditionele Nederlandse landbouw heeft in het buitenland te kampen met een enorm imagoprobleem: hoge produktie ten koste van het milieu. Pas als in Duitsland de uien van eigen bodem op zijn, komen die uit Nederland aan de beurt. Zolang Nederlandse boeren per hectare drie maal meer bestrijdingsmiddelen gebruiken dan de Duitse, krijg je dat er niet uit."

Re:ageer