Wetenschap - 5 december 1996

Twee locaties voor Kenniscentrum Wageningen

Twee locaties voor Kenniscentrum Wageningen

In het WUB van 21 november staat een interview met de directeur van het DLO-Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid in Lelystad, prof. C.J.G. Wensing. Ik citeer: Als het aan directeur Wensing van ID-DLO ligt, krijgt het Kenniscentrum Wageningen twee locaties. Zijn instituut in Lelystad beschikt over dusdanig goed geoutilleerde proefaccommodaties dat Wagenings onderzoek aan landbouwhuisdieren deels naar de polder kan verhuizen.

Verderop staat: Wensing wil niet stellen dat de proefaccommodaties in Wageningen kunnen verdwijnen. Wel vindt hij het op bedrijfseconomische gronden voor de hand liggen dat onderzoek in Lelystad plaatsvindt, zolang de capaciteit daar niet voor honderd procent wordt benut. Het onderwijs aan studenten in de eerste drie jaar blijft zeker in Wageningen. Als LUW en DLO opgaan in een organisatie, kunnen we het werk na die eerste drie jaar verplaatsen naar Lelystad. Om je te profileren moet je je echter ook in het Wageningse zo goed mogelijk laten zien. Ook daar blijven accommodaties noodzakelijk."

Het samengaan van LUW en DLO in een organisatie vind ik een wenkend perspectief. Er zijn veel terreinen waarop beide organisaties elkaar inhoudelijk raken, overlappen en aanvullen. Keuzes maken, accenten leggen, zorgen voor voldoende omvang om uit te blinken kan in principe beter in een gefuseerde organisatie dan in twee gescheiden en soms zelfs concurrerende organisaties. Daarbij hoort een personeelsbeleid dat medewerkers optimaal inzet voor taken als eerstefaseonderwijs, promotieonderwijs en -onderzoek, fundamenteel onderzoek, contractresearch en zo meer. Dit wenkende perspectief zie ik ook voor dierwetenschappen. Het zou goed zijn om in kaart te brengen welke functies geoptimaliseerd moeten worden, alvorens te beslissen hoe het moet. Prof. Wensing neemt een voorschot op dat hoe. Hoewel ik liever eerst het in kaart brengen had gezien, vind ik het noodzakelijk als reactie nu al argumenten te geven waarom zijn oplossing ongewenst is.

In Wensings benadering staat centraal: de concentratie van onderzoek in de dierlijke sector in Lelystad; beperking van onderwijs in de Zootechniek in Wageningen tot de eerste drie jaar; handhaving van overige activiteiten in Wageningen voor zover dat nodig is om je goed te laten zien. Gevolg van deze benadering is een scheiding van onderwijs en onderzoek, terwijl het sterke punt van een universiteit juist is dat onderwijs en onderzoek hand in hand gaan. Zodiac mag trots zijn op de vruchten van die combinatie in de vorm van ingenieursdiploma's, gepromoveerden, wetenschappelijke publicaties en toepassingsgerichte onderzoeksresultaten.

Deze integratie van onderwijs en onderzoek geldt onlosmakelijk voor het hele traject van eerste jaar tot promotie. Mijn vertrekpunt is dan ook tegengesteld aan dat van prof. Wensing: handhaaf onderwijs en promotieonderzoek in Wageningen, concentreer contractresearch en wettelijke en dienstverlenende taken in Lelystad en ga op een verstandige manier om met onderzoek dat ligt tussen fundamenteel onderzoek en contractresearch.

Ik denk bij het invullen van het Kenniscentrum Wageningen niet aan verhuizen. Ik voorzie bestuurlijke voorzieningen waarbij de eenheid Dierwetenschappen van KCW afdelingen kent onder een eenhoofdige leiding, met taken die uitgevoerd worden in Lelystad en Wageningen.

In het interview wordt gewezen op het belang van de samenwerking met de Faculteit voor Diergeneeskunde in Utrecht. Ik onderschrijf dat belang, maar ik wil het er niet bij laten het jammer te vinden dat zij niet bij het fusieproces zijn betrokken. Bij dat deel van de fusiegesprekken dat over dierwetenschappen gaat, zou de faculteit juist wel moeten worden ingeschakeld.

Voor een verder gesprek over fusie zijn bijvoorbeeld de volgende punten van belang:

* De gedachte dat studenten Zootechniek na de eerste drie jaar naar Lelystad kunnen verhuizen berust op een misverstand. Ze lopen dan een stage in het buitenland, doen twee afstudeervakken - waarvan vaak een buiten de zootechniek -, volgen een beroepsvoorbereidend blok en wellicht nog een aantal vakken ter completering van de opleiding. Bovendien dragen de contacten tussen de studenten - denk aan de bloeiende studievereniging De Veetelers - sterk bij aan hun vorming.

* In het interview gaat het over landbouwhuisdieren, maar niet over vissen. Deze sector krijgt aandacht in Wageningen, bij RIVO-DLO in IJmuiden en wat betreft visgezondheid in Lelystad.

* De door prof. Wensing genoemde tweeduizend varkens bevinden zich voor het overgrote deel in Maartensdijk bij Utrecht, op proefbedrijf de Bantham van een van de fusie-partners in ID-DLO, het voormalige Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek IVO-DLO in Zeist en IMAG-DLO. Concrete plannen voor verhuizing zijn er nog niet. Dit gegeven en soortgelijke kwesties moeten worden meegenomen in discussies over een optimale vormgeving aan de fusie. Een optie kan zijn de Wageningse expertise wat betreft varkens verder uit te bouwen met nieuwbouw ten behoeve van de nieuwe organisatie.

* Het zootechnisch onderzoek - en dus het onderwijs - in Wageningen ontleent een deel van zijn sterkte aan samenwerking buiten de zootechniek. Ik noem in dat verband ILOB-TNO, de onderzoekscholen PE en VLAG en last but not least de biologische vakgroepen. In het kader van deze samenwerkingsvormen herbergt Wageningen op onderdelen goede, soms unieke faciliteiten die benut worden voor onderzoek en onderwijs.

Mijn conclusie is dat fusie van LUW en DLO tot een organisatie een goede zaak is, maar dat prof. Wensing met zijn inkleuring van de fusie een verkeerde weg inslaat. Wanneer een hard uitgangspunt voor prof. Wensing blijft dat verwant onderzoek op een plek moet worden ondergebracht, is het verplaatsen van het zootechnische onderzoek uit Lelystad naar Wageningen de beste oplossing. Met Utrecht kan dan gedrieen gezorgd worden voor een optimale inzet van geld gericht op een maximaal resultaat.

Voor het overige ben ik van mening dat Zodiac moet blijven.

Re:ageer