Wetenschap - 9 mei 1996

Tropische cultuurtechniek valt uiteen

Tropische cultuurtechniek valt uiteen

Reorganisatie en stoelendans op de Nieuwlanden

Een reorganisatie lijkt de vakgroep Tropische cultuurtechniek de beste manier om de bezuinigingen te realiseren die de Landbouwuniversiteit oplegt. Het plan pakt oude interne strubbelingen aan, maar in het takenpakket wordt uiteindelijk nauwelijks gesneden. Doordat tegelijkertijd wel een kwart van de capaciteit verloren gaat, groeit de vrees voor een verschraling van het onderwijs. Een recept voor nog meer overwerk en stress, waarschuwt een betrokken prof.


Sociologische aspecten zijn cruciaal binnen de opleiding. Daarom trok de technisch georienteerde vakgroep een paar mensen aan uit de sociologische hoek. Nu zijn die thema's echter verankerd in onderwijs en onderzoek. Dat is pijnlijk voor de betrokken docenten. Zij hebben in feite hun taak volbracht en gaan aan hun eigen succes ten onder." Aldus motiveert ir G.H. van Vuren, beheerder van de vakgroep Tropische cultuurtechniek, de bezuinigingen in de sociologische poot van de vakgroep.

Wegens een forse teruggang in capaciteit - dit jaar zijn ongeveer vijf formatieplaatsen minder beschikbaar, een kwart van het totaal - besloot de vakgroep in december 1995 tot een reorganisatie. De commissie die alle taken en functies doorspitte, constateerde dat in het afgelopen decennium het socio-technische gehalte van de tropische cultuurtechnici naar tevredenheid was opgekrikt. Nu verdienden de technische aspecten een opwaardering.

Ir B.C.M. van Koppen, die persoonlijk nauwelijks lijdt onder de plannen, heeft twijfels over de koerswijziging. Zij werd in 1990 aangesteld en moest nagaan hoe je cultuurtechnische ontwerpen kunt afstemmen op wensen van arme bevolkingsgroepen. Zo kun je irrigatiesystemen ontwerpen voor vrouwengroepen, mits je voldoende inzicht hebt in heersende grondbezitsverhoudingen en de arbeidsverdeling, vertelt Van Koppen. In speciale colleges, indien nodig ingelast in vakken van andere docenten, verhaalt ze over de details. Deze onderwijsconstructie is noodzakelijk omdat het sommige docenten nog steeds aan voldoende inzicht ontbreekt, meent de voormalige ontwikkelingswerker.

Ze is dan ook gekant tegen de bezuinigingen op de softe sector. De vakgroep kan volgens haar het gat dat zo ontstaat niet dichten, ook niet door een voorgestelde nauwere samenwerking met de sociologen van de Leeuwenborch. Die hebben immers niet de technische kennis die Van Koppen en haar collega's de afgelopen jaren bij Tropische cultuurtechniek hebben opgebouwd. Dus zal de kwaliteit van het onderwijs dalen, meent ze.

Rugnummers

Het valt echter te betwijfelen of de plannen nog wezenlijk zullen veranderen, want de vakgroep ging op 18 april met meerderheid van stemmen akkoord met het reorganisatieplan. De volgende stap is het personeelsplan met de rugnummers, de namen van de betrokkenen. Maar vrijwel iedereen weet nu al hoe de vlag erbij hangt. De strijd lijkt gestreden en bij menigeen overheersen slechts gevoelens van moeheid en opluchting.

Moeheid, omdat reorganiseren een slopend proces is. Alle functies staan opeens ter discussie; het principe van last in, first out gaat niet op. Daarom kiezen weinig vakgroepen voor een reorganisatie als middel om te bezuinigen. Afwachten en hopen op voldoende natuurlijk verloop is immers vaak een effectieve strategie gebleken tegen onaangename financiele taakstellingen vanuit het hoofdgebouw. Tropische cultuurtechniek telde echter veel druk publicerende jonge honden, die bij last in, first out het eerst zouden verdwijnen. Ook was een herschikking van taken gewenst. En aangezien doormodderen op rekening zou komen van het eigen vakgroepsfonds, waarna alsnog een ingreep van hogerhand zou volgen, besloot de vakgroep tot een reorganisatie.

Er was ook opluchting, omdat het reorganisatieplan een periode afsluit van stevige interne spanningen. Die stonden overigens los van de reorganisatie. De vakgroep telt twee hoogleraren, prof. L. Vincent die Irrigatie en weg- en waterbouwkunde (IW) doceert en prof. dr ir L. Stroosnijder die Erosie en bodem- en waterconservering (EBWC) onderwijst. De natte en droge tak vullen elkaar ogenschijnlijk prima aan, maar in de praktijk was eerder sprake van onoverbrugbare tegenstellingen. De synergie liet zozeer te wensen over dat een polarisatiecommissie de boedelscheiding moest regelen.

Een van de belangrijkste tegenstellingen was volgens commissielid ing. W.P. Spaan het streven van de droge Stroosnijder naar een comparatieve opleiding, die de nadruk legt op een brede inzetbaarheid van de ingenieur. Door een afnemende vraag in ontwikkelingslanden naar Wageningse ingenieurs en het steeds ingewikkelder mondiale landgebruik is volgens de hoogleraar een pure tropenorientatie niet langer gewenst. De nieuwe ingenieur moet in meerdere agro-ecologische zones kunnen werken. Daarom moet de opleiding zich sterker richten op algemene fysische processen en minder op specifieke tropische case-studies.

Leerstoelenplan

Deze opvatting botste stevig met de natte tak, vertelt Spaan. Het gros van de medewerkers daar heeft een tropenverleden en hecht sterker aan een aparte tropenspecialisatie, gegeven de specifieke problemen in de derde wereld.

De tegenstellingen werden verder aangescherpt toen in het kader van het leerstoelenplan beide leerstoelen werden geherformuleerd en de verschillende koersen definitief werden vastgelegd. Nog steeds zaten de twee groepen aan elkaar vastgeklonken in het vakgroepsbestuur en gaven ze les aan dezelfde studenten van de studierichting Tropisch landgebruik. En daar de IW-tak meer medewerkers telt, werden EBWC-voorstellen voor een andere onderwijsopzet - het onderzoek was goeddeels gescheiden - doorgaans weggestemd.

Logisch, maar uiterst frusterend, aldus Spaan. De spanningen liepen voortdurend op en noopten tot de instelling van de polarisatiecommissie. Toen de vakgroep later koos voor een reorganisatie werd de opdeling ingepast in de reorganisatieplannen. De vakgroep wordt nu opgedeeld in twee leerstoelgroepen, die onafhankelijker van elkaar opereren. Elk krijgt een eigen bestuursreglement dat bijvoorbeeld de bevoegdheden binnen de groep en de inspraak van studenten regelt. Het vakgroepsbestuur komt nog slechts sporadisch bijeen.

Stroosnijder is wel te spreken over deze oplossing. Vakgroepen zijn meer organisatorische toevalligheden. Ervaringen bij andere vakgroepen op Zodiac bewijzen dat een opdeling in secties goed werkt." Spaan: We zijn te beklemmend voor elkaar. Daar kun je eindeloos over ouwehoeren, maar als je dat voortdurend constateert, dan is een los-vast verband beter. Nu hoef je niet langer alles noodgedwongen op een lijn te krijgen. Dat geeft rust."

Kaasschaaf

Alle organisatorische escapades ten spijt bleef het belangrijkste doel van de reorganisatie uiteraard bezuinigen. Alle tabellen, bijlagen en geredetwist over cijfers achter de komma leren dat er harde klappen vallen bij het ondersteunend personeel in dienst van de overkoepelende sector Landinrichting en milieu. De vakgroep zal niet langer automatisch diensten afnemen van de sector. Zo zal de commerciele concurrentie buiten de deur meetinstrumenten mogen maken.

Ook in het eigen secretariaat wordt fors gesneden. Voor secretaresse L. van Alphen-Moeliker was dit een onaangename verrassing. Deeltijdontslag blijkt lastig en ze overweegt serieus de vakgroep definitief te verlaten.

In de wetenschappelijke hoek is het sterkst gesneden in de sociologische ondersteuning, ondanks de bezwaren van Van Koppen. Verder is de kaasschaaf gehanteerd en is er gehusseld met functieomschrijvingen. Daardoor krijgen alle medewerkers voortaan een onderwijs- en onderzoekstaak en moeten ze derde-geldstroom projecten genereren.

Het ingewikkelde knip- en plakwerk kan echter niet verhullen dat er netto nauwelijks in taken is gesneden. Dat is het grootste probleem, vindt Stroosnijder. Capaciteitsberekeningen geven aan dat het meeste personeel reeds de handen vol heeft aan het onderwijs dat in de studiegids staat, het begeleiden van promovendi, het verrichten van onderzoek en vergaderingen. Taken waaraan de vakgroep zich niet zomaar kan onttrekken.

Om toch te kunnen bezuinigen werden vroeger doodleuk de normen aangepast, vertelt Stroosnijder. Docenten werden dan ineens geacht hetzelfde werk te doen in minder tijd. Maar het hoofdgebouw onderkent dat de rek eruit is. Daarom zijn de normen nu niet aangepast. Evenmin is vermeld welke taken de vakgroepen kunnen schrappen. Nee, de clusters zijn simpelweg gekort; de betrokken vakgroepen moesten onderling maar uitvechten hoe ze de pijn wilden verdelen. En uiteindelijk is het aan de vakgroep om in eigen vlees te snijden.

Bestuurlijke afschuiverij, die slechts leidt tot extra overwerk, stress en een onvermijdelijke verslechtering van het onderwijs, zegt Stroosnijder geergerd. Nu al komen docenten tijd te kort om hun acht jaar oude dictaten te herschrijven." Beter ware het geweest als het college had bezuinigd via fusie van studierichtingen, meent hij. Maar dat heeft college niet aangedurfd.

Re:ageer