Wetenschap - 21 maart 1996

Transgene plant kruist met wilde variant

Transgene plant kruist met wilde variant

Je moet ervan uitgaan dat een niet-natuurlijk gen een keer ontsnapt

Begin maart maakten Deense onderzoekers bekend dat genetisch gemodificeerde koolzaadplanten genen uitwisselen met in het wild voorkomende varieteiten. In het koolzaad was een gen ingebouwd dat de plant resistent maakt tegen de allesdoder Basta, ook bekend onder de naam Finale. Na kruisingsproeven manifesteert dat gen zich in een verwante wilde plantesoort. Wat er gebeurt als het gen zich blijvend vestigt in de natuurlijke populatie, is niet bekend. Boeren hebben evenwel niets te vrezen van eventuele nieuwe Basta-resistente onkruiden, want die plantjes zijn wel weer met een ander herbicide te doden.


In het Britse wetenschappelijke tijdschrift Nature van 7 maart berichtten de Deense onderzoekers T.R. Mikkelsen, B. Andersen en R.B. Jorgensen van het Riso National Laboratory in Roskilde over de uitwisselingsrisico's van transgene gewassen. In een ingezonden brief maakten ze de resultaten bekend van een onderzoek waarin met veldexperimenten en laboratoriumtests de uitwisseling van genen tussen de cultuurplant koolzaad (Brassica napus) en het onkruidachtige raapzaad (Brassica rapa) is bestudeerd. Volgens de brief blijkt uit de Deense veldexperimenten dat de gevormde hybriden transgeen zijn, net als het gemodificeerde koolzaad. Het lukte zelfs om de transgene hybriden te kruisen met het wilde raapzaad, waaruit - in tegenstelling tot eerdere observaties - zaadvormende planten voortkwamen.

De onderzoekers concluderen dat bij het inbrengen van nieuwe eigenschappen in koolzaad het risico bestaat dat al na twee generaties fertiele transgene onkruidachtige planten kunnen ontstaan, die een snelle verspreiding van koolzaadgenen naar wilde varianten mogelijk maken.

J.E.N. Bergmans van de Commissie genetische modificatie (Cogem), die het ministerie van Vrom adviseert over het afgeven van vergunningen voor gemodificeerde planten, reageert fel op de Deense resultaten. Dat onderzoek levert voor ons geen nieuwe gegevens op. De resultaten waren al aangetoond in Engels en Frans onderzoek en zijn in de risico-analyse van Basta-resistent koolzaad meegewogen. Dit onderzoek is voor ons absoluut geen reden om de toelating opnieuw te bekijken."

Bergmans laat doorschemeren het uitwisselen van ingebouwde genen met wilde flora een minder relevant gegeven te vinden. Dat uitkruisen is een punt, maar het is de vraag of het gen zich ook in de populatie settelt."

Voor een antwoord op die vraag verwijst de Cogem-man naar R. van der Meijden van het Rijksherbarium in Leiden. Van der Meijden spreekt zijn verbazing uit over de publikatie in Nature. Het artikel is eigenaardig, omdat er iets ongehoords aan de hand zou zijn. Uit de gemaakte kruising zou een triploide plant moeten ontstaan. Zij vinden een diploide plant. Dat die ook nog eens fertiel is, is helemaal eigenaardig."

Uitsterven

Van der Meijden is uiterst voorzichtig in zijn kritiek omdat hij nog niet met de Denen kon communiceren over zijn twijfels. Wel weet hij dat dezelfde onderzoekers ook in 1994 met proefresultaten naar buiten kwamen. Ze zetten toen rijtjes raapzaad tussen een veld gemodificeerde koolzaad. Daaruit bleek een laag percentage triploide nakomelingen voort te komen. Die deden het overigens slecht; in het wild zouden ze snel uitsterven. Zulke kruisbestuivingen treden op door de gekozen proefomstandigheden, waarbij de planten zeer dicht bij elkaar zijn gezet. Maar als gemodificeerd koolzaad in de praktijk wordt gebruikt, zal de afstand tussen de planten veel groter zijn."

Voor zover Van der Meijden zich kan herinneren is het overigens de eerste keer dat er terugkruisingen tussen kool- en raapzaad zijn aangetoond. Als er al triploiden worden gevormd, zullen ze weinig levenskracht bezitten."

Hoewel de kans op uitwisseling van het resistentie-gen klein is, is het volgens Van der Meijden vast en zeker een mogelijkheid. Maar het is onwaarschijnlijk dat het gen in de natuurlijke populatie standhoudt, want hybriden hebben slechts een kort leven.

Het Basta-resistentie-gen zou moeten doorgaan in het wilde raapzaad, maar daarmee komt het volgens Van der Meijden nog niet meteen in de wilde natuur. Sinds de middeleeuwen is al bekend dat raapzaad vooral voorkomt op akkers. In het wild tref je het alleen aan op plaatsen met veel menselijk ingrijpen, zoals in bermen van wegen. In de wilde natuur komt raapzaad niet of nauwelijks voor."

Naar het kruisen van genetisch gemodificeerde planten met wilde verwanten wordt in Nederland niet veel onderzoek verricht. Onlangs promoveerde ir F.N. Frietema aan de Rijksuniversiteit Leiden. In opdracht van de Cogem onderzocht zij wat er allemaal al bekend is over het kruisen van cultuurplanten met wilde flora. Frietema zocht in de literatuur en het herbarium naar het kruisingsverleden van veertig geselecteerde plantesoorten. Copromotor Van der Meijden: Van sommige cultuurplanten komen in het wild hybriden voor, maar van de meeste is dat nooit aangetoond."

Dat betekent volgens de plantenkenner overigens niet dat hij adviseert om er maar vrolijk op los te modificeren. Alle planten hebben van Frietema een code gekregen, van nul tot vijf. Daarbij staat nul voor geen gevaar voor uitkruising; vijf duidt op een groot gevaar. Van de veertig onderzochte plantesoorten scoorde 25 procent een vijf: daarvan wordt verwacht ze veelvuldig genen zullen uitwisselen met de wilde flora. Daar zitten wel veelgebruikte cultuurgewassen bij, maar daarbij zal de Cogem alleen onder zeer specifieke omstandigheden toestemming verlenen voor het maken van transgenen, pas na het inbouwen van allerlei veiligheden."

Vermeerderen

Bij bepaalde gewassen, zoals Engels raaigras, is zelfs dat niet mogelijk, omdat die zich met de wind vermeerderen. Als je dat gras gaat modificeren, is verspreiding niet of nauwelijks te voorkomen. De Cogem zal dat dan ook niet gauw goedkeuren."

Prof. dr J.M.M. van Damme, hoogleraar in de oecologische populatie-genetica aan de Universiteit Utrecht en werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek in Heteren, heeft minder vertrouwen in de Cogem. De tijd dat de Cogem bij hoog en laag beweerde dat uitkruising niet optreedt, is gelukkig voorbij. Maar er is weinig bekend over wat er gebeurt als een transgeen gewas wel uitkruist. De effecten zijn onbekend en ik vermoed dat het te weinig wordt onderzocht. In principe kan uitkruising bij ieder gewas optreden. Driekwart van de gewassen heeft een hybridisatie-event in het verleden. Elke plant heeft wel ergens een variant. Je moet ervan uitgaan dat een niet-natuurlijk gen een keer ontsnapt. Hoe snel dat gebeurt, weet je niet. Misschien maak jij het niet meer mee, maar je kinderen wel. We moeten bedenken hoe erg dat dan kan zijn. Laat het voor mijn part een keer bewust gebeuren, om de effecten te zien. De Cogem oordeelt nu over toelatingen op grond van ideeen ov
er wat er zou kunnen gebeuren. Hoeveel feiten de Cogem werkelijk in handen heeft, daar heb ik zeer mijn twijfels over."

Bergmans van de Cogem ziet echter niets in veldproeven. We kunnen beter onderzoek doen met gegevens uit het verleden, zoals dat van Frietema. Het herbarium en de literatuur omvatten een schat aan informatie over hybriden die ooit zijn voorgekomen. Met een proefje van drie jaar kan je echt niet zomaar de milieurisico's in beeld brengen."

Milieumeetlat

De Cogem heeft die milieurisico's ingeschat en acht ze toelaatbaar. Maar over de risico's van Basta-resistent zaad voor de telers hoeft de commissie geen advies te vellen.

Voor akkerbouwers heeft het Basta-zaad het voordeel dat ze onkruid kunnen bestrijden wanneer ze maar willen. Het gewas is resistent en ondervindt geen schade van het herbicide. Daarnaast is van Basta minder kilogram actieve stof nodig dan van nu gebruikelijke middelen. En bovendien scoort Basta beter op de milieumeetlat van het Centrum voor landbouw en milieu.

Nadeel is dat het Basta-resistente koolzaad in de jaren nadat het gewas op het veld heeft gestaan, opnieuw kan opkomen. Wie dan de Basta-resistente mais verbouwt die binnenkort op de markt komt, kan het koolzaad niet met Basta bestrijden. De koolzaadplantjes, inmiddels onkruid tussen de mais, zijn immers resistent. Bergmans: Dat is inderdaad een probleem, maar dat valt onder het telersrisico. Als je als akkerbouwer zaad koopt, moet je de eigenschappen zelf nagaan. Bij koolzaad leven de zaden langer dan een jaar in de grond, dus het effect kan zeker over een langere periode optreden. De leverancier van het zaad moet die eigenschappen ook melden."

Mocht het koolzaad het Basta-resistentie-gen doorgeven aan het raapzaad op akkers, dan is ook dat niet meer met Basta te bestrijden. Dr W.J. Stiekema van het Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek (CPRO-DLO) in Wageningen ziet daarin geen probleem. Als dat gebeurt, kan je nog altijd van die plantjes afkomen door een ander middel te spuiten. Bovendien zal de uitwisseling waarschijnlijk alleen optreden in gebieden waar raapzaad naast koolzaad als cultuurgewas wordt verbouwd."

Tot slot bestaat de kans dat onkruiden die met het middel bestreden moeten worden, resistentie ontwikkelen tegen Basta.

Zaadveredelingsbedrijven kennen de problemen rond Basta reeds langer dan vandaag. Ze zijn druk doende om gewassen resistent te maken tegen andere herbiciden dan Basta.

Re:ageer