Wetenschap - 6 februari 1997

Top-down kennisbeleid veroorzaakt ondoelmatigheid

Top-down kennisbeleid veroorzaakt ondoelmatigheid

Top-down kennisbeleid veroorzaakt ondoelmatigheid
Van Zon opent lezingencyclus Beleid en universiteit
Dr H. van Zon, directeur-generaal Landbouw en voedselvoorziening van het ministerie van LNV, begraaft het dirigistische top-down landbouwkennissysteem en stelt er een open systeem met partnership en marktpartijen voor in de plaats. Ook prof. J. Bouma is voorstander van samenwerking tussen onderzoekers en maatschappelijke groeperingen, maar hij is beducht voor koud kapitalisme
De geest van adviseur Bram Peper waarde door De Leeuwenborch toen directeur-generaal Van Zon op 3 februari de lezingencyclus Beleid en universiteit van de LUW opende. Van Zon, anderhalf jaar geleden door minister Van Aartsen weggelokt van het ministerie van Binnenlandse Zaken, benadrukte een noodzakelijke trendbreuk in het landbouwonderzoek
Van Zon droeg het bekende OVO-drieluik (onderwijs, voorlichting, onderzoek) ten grave als een kennissysteem dat top-down en lineair werkt, aanbodgestuurd dus. Hij laakte de vele organisaties in het kennisnetwerk die elk hun steentje moesten bijdragen om de kennis van de wetenschap bij de boeren te laten terechtkomen. Het onderzoek werd gescheiden in instanties voor fundamenteel, strategisch en toepassingsgericht onderzoek, die alleen samenwerkten met elkaar en met derden als de overheid daarom vroeg. Mede hierdoor werkt de markt niet goed. Er zijn afstemmingsproblemen ontstaan (tussen de onderzoeker en de kennisvraag, red.) en dat heeft overlap en verlies van doelmatigheid in de hand gewerkt.
Van Zon wees erop dat de consumenten een gevarieerde vraag naar voedselproducten hebben en dat de producenten alleen succesvol kunnen zijn als het management snel inspeelt op de wensen van de consument. Als gevolg daarvan zijn de onderzoeksresultaten niet langer een collectief goed, maar een manier om de markt te veroveren. Kennisinstellingen moeten vraaggestuurd gaan werken. Ze worden geconfronteerd met individualisering en met verzakelijking. Er zullen andere interactiepatronen moeten komen die veel directer werken. Dat kan alleen als de verantwoordelijkheden duidelijk zijn.
Xenotransplantatie
Van Zon hield er rekening mee dat vraag en aanbod van voedsel de komende vijftien jaar sterk zullen veranderen. Hij bracht de industrieel geproduceerde eiwitten ter sprake, die als vleesvervanger kunnen dienen en wellicht het einde van de dierhouderij inluiden. Rekenen we die productie tot de kern van de landbouwactiviteiten en de agribusiness? En wat betekent het voor onze voedingsbehoeften, voedingsgewoonten, gezondheid en leefstijl? Hoe ook in dit verband te denken over de productie van geneesmiddelen in transgene dieren en wat denkt u van de teelt van deze dieren voor xenotransplantatie. Het gaat me niet zozeer om de morele of ethische aspecten van die ontwikkeling, het gaat me om de vraag of en hoe we deze rekenen tot de landbouwactiviteiten.
Om te kunnen inspelen op dergelijke ontwikkelingen en andere vragen uit de samenleving, moet er een open kennisinfrastructuur komen, waarin de onderzoekers in partnership samenwerken met de vragende partijen, concludeerde Van Zon. De kennisinstellingen moeten de belangen van de klant dienen, of dat nu een particuliere onderneming is, een student of de overheid. In de kenniswereld ligt het accent op consultancy en kennistransfer, op informatie-uitwisseling, al dan niet elektronisch. De overheid is de partij die de overeengekomen spelregels zo nodig formaliseert.
De bodemkundige prof. dr J. Bouma van de LUW kreeg de gelegenheid op de inleiding van Van Zon te reageren. Hij stelde dat de vraagsturing van het onderzoek niet te ver moet doorschieten. Partnership is beter. In Australie werken landbouw- en milieuorganisaties aan het Land Care Project, waarin drieduizend groepen vanuit hun gebied als stakeholders mede bepalen wat het landgebruik moet worden. Dat project is nu halverwege en ik was een van degenen die het mocht evalueren. De projecten waarbij de stakeholders op gelijkwaardige wijze samenwerken met onderzoekers draaien het beste. De projecten waarbij de stakeholders zich isoleren en voorstellen doen op basis van ervaring in plaats van onderzoek, stagneren.
Pionier
Bouma was groot voorstander van een vorm van vraagsturing van het onderzoek waarbij groeperingen samen met onderzoekers tot een holistische probleemstelling komen, waaraan onderzoekers van diverse pluimage reductionistische bijdragen kunnen leveren, zodat uiteindelijk weer een holistische set van oplossingen tevoorschijn komt. Hij zag goede voorbeelden in Nederland van dergelijk onderzoek, zoals het programma voor Duurzame technologie-ontwikkeling (DTO) in Winterswijk en de prototypering van bedrijfssystemen door DLO-onderzoeker dr P. Vereijken. Van Zon was het daar helemaal mee eens
De bodemkundige temperde echter het optimisme van Van Zon dat de marktwerking in het onderzoek leidt tot dynamiek en vernieuwing op het platteland. Op de markt geldt het recht van de sterkste. Een klein deel van de boeren is pionier, maar wat doet het ministerie voor de rest? We willen geen digitaal proletariaat, geen koud kapitalisme. In Oost-Europa zijn er grote groepen die er anders over denken en verlangen naar een top-down benadering. In de Verenigde Staten groeien de conservatieve kerken die orde en zekerheden beloven. Onderzoekers signaleren nu een trend tegen de individualisering. Dus pas op; de kennis moet wel doorstromen.
Van Zon had daarna geen duidelijk antwoord op de vraag wie in de landbouw precies verantwoordelijk is voor de doorstroming van kennis. Iets duidelijker was hij over de vraag wie de onderzoeksvragen voor de toekomst bepaalt: het ministerie collecteert de vragen uit de maatschappij en spreekt de onderzoekers aan. Bouma: Wetenschappers moeten meer tijd steken in research negotiations.

Re:ageer