Wetenschap - 17 april 1997

Studenten moeten hun ontwerp marktgericht kunnen toetsen

Studenten moeten hun ontwerp marktgericht kunnen toetsen

Studenten moeten hun ontwerp marktgericht kunnen toetsen
Gewasbeschermers DLO moeten verbrokkelde markt bedienen
Het Instituut voor plantenziektekundig onderzoek (IPO-DLO) heeft net een fikse bezuiniging achter de rug en moet extra financiering vinden bij de industrie en internationale overheden. Ook wil het IPO bijdragen aan het LUW-onderwijs in het kenniscentrum Wageningen. Directeur dr Hans van Veen: Er moet straks geen onderscheid meer zijn tussen wij en jullie.
Het moderne witte gebouw van het Instituut voor plantenziektekundig onderzoek (IPO-DLO) aan de Binnenhaven schittert in de zon. Trots verheft het glinsterende dak zich boven de gebouwen van de LUW-vakgroepen Entomologie, Nematologie, Virologie en Fytopathologie. De plantenziektekundigen van DLO zitten op maar enkele meters afstand van hun collega's op de LUW. Ze delen de bibliotheek, wisselen materiaal uit en bezoeken elkaars werkbesprekingen. Twee hoogleraren van de LUW zitten in het IPO-bestuur en deze winter belegden hoogleraren en IPO-managers een eerste bijeenkomst vanwege het aankomende kenniscentrum Wageningen
Het mooie nieuwe gebouw heeft niet kunnen voorkomen dat het IPO de afgelopen drie jaar flink moest bezuinigen. De vaste formatie liep terug van 120 naar 102 personeelsleden. Iedereen heeft opnieuw moeten solliciteren. Ook moest het instituut tijdelijk medewerkers inleveren. Dat hield verband met het Meerjarenplan Gewasbescherming. In 1990 trokken het ministerie van LNV en het bedrijfsleven zo'n twintig miljoen gulden extra uit voor gewasbeschermingsonderzoek. Heffingen op bestrijdingsmiddelen moesten de ingezette projecten daarna continueren, maar de heffingen kwamen niet, waardoor het IPO de meeste van de twintig extra aangestelde onderzoekers geen vervolgcontract kon aanbieden
Het instituut onderzoekt het gedrag van schadelijke planteters en ziekteverwekkers. De medewerkers ontwikkelen ondermeer feromoonvallen, bestuderen hoe mengteelten het zoekgedrag van insecten verstoren, bekijken hoe aaltjes aardappelen vinden, experimenteren met concurrenten van schadelijke schimmels op glasgroenten, volgen ziekteverwekkende bacterien in de grond en detecteren virussen op zaden
Cultuurverandering
Directeur prof. dr Hans van Veen kan even opgelucht ademhalen. De opgelegde bezuinigingen zijn gehaald, de reorganisatie van afdelingen is bijna rond en - niet het minst belangrijk - het instituut is hard op weg een marktgerichte organisatie te worden. Mensen leren projecten binnen te halen, legt de directeur uit. Dat vraagt een cultuurverandering. Vroeger werkte een onderzoeker met zijn analist jarenlang aan hetzelfde onderzoek. Nu werkt men in teams. En de drijfveer is niet meer alleen de nieuwsgierigheid, zoals in de academische wereld: het is de vraag naar jouw onderzoek.
Van Veen moest sinds zijn aantreden in 1992 onderzoek waar geen vraag naar is, afbouwen, ook al vinden medewerkers het nog zo belangrijk voor een duurzame landbouw. Zo sneuvelde het onderzoek naar gentegreerde plaagbestrijding in boomgaarden, waar het IPO internationale faam mee had opgebouwd. De overheid vond dat de fruittelers de financiering van dit onderzoek moesten overnemen, maar die vonden het te duur. Eenzelfde lot trof het onderzoek naar biologische bestrijding van de Fytoftora-schimmel in aardappel
Voor het agrotechnologisch instituut ATO-DLO lijkt het vinden van financiers geen probleem: dit instituut haalt inmiddels meer dan zeventig procent van haar budget van andere opdrachtgevers dan LNV. Voor het IPO is dat lastiger. Grote opdrachten, zoals van Unilever of Nutricia, zitten er voor ons minder in, verklaart de directeur. Wij hebben te maken met een versnipperde en kleinschalige markt van producenten en produktschappen. Voor hen is het onderzoek relatief duur.
Daarbij krijgt gewasbescherming nog steeds een lage prioriteit. Telers steken liever geld in nieuwe rozen met zwarte spikkeltjes dan in rozen die resistent zijn tegen een ziekte die misschien de kop kan opsteken. Maar dat kan veranderen als consumenten en supermarkten een schone produktiewijze als een kwaliteitskenmerk gaan zien. Dan kunnen we misschien ook projecten opzetten met supermarkten als Albert Heijn.
Twee jaar geleden kwam tachtig procent van de financiering van het ministerie van LNV, vorig jaar was dat nog maar zeventig procent. Het IPO streeft naar vijftig procent financiering van andere opdrachtgevers dan LNV. Een marktonderzoek toonde aan dat het instituut belangrijke markten nog niet of nauwelijks heeft aangeboord. De chemische industrie is zo'n potentiele markt. Het IPO kan helpen bij de vermindering van het insecticidengebruik, door bijvoorbeeld een techniek te ontwikkelen waarbij insecten met seksferomonen naar het insecticide worden gelokt. Ook kan het instituut haar kennis over ziekten en plagen inzetten bij het toetsen van nieuwe bestrijdingsmiddelen
Voorts hoopt Van Veen op financiering van de veredelingsindustrie. Veredelaars moeten ziekteverwekkers kunnen onderscheiden en moeten weten tegen welk organisme ze de genen inbouwen. Zo verkopen we al schimmelstammen die zij bij tests gebruiken om te kijken of een gewas inderdaad resistent is.
Een derde markt zijn de organisaties voor ontwikkelingssamenwerking, zoals de wereldgezondheidsorganisatie WHO, de Wereldbank en DGIS. De Wageningse plantenziektekundigen zijn de tropische expertise aan het kwijtraken; de jongste medewerker op dit gebied is de vijftig al gepasseerd. Het IPO en de LUW onderzoeken of dit opnieuw een interessante markt kan worden. Zo ja, dan zal het instituut volgens de directeur flink moeten investeren in persoonlijke contacten; juist bij internationaal opererende organisaties is dit belangrijk
Onderscheid
De samenwerking met de LUW in het kenniscentrum Wageningen kan een positieve ontwikkeling zijn, meent Van Veen. DLO ontwikkelt zich tot een goed georganiseerde, marktgerichte onderzoeksorganisatie die efficient met geld omgaat. De LUW leidt ingenieurs op, mensen die iets moeten kunnen maken, iets kunnen ontwerpen. Een collega van de LUW zei laatst dat ze dat zelf niet altijd in huis hebben.
Over vijf tot tien jaar moet er geen onderscheid meer zijn tussen wij en jullie; anders wordt het nooit iets. Ik hoop op een organisatie waarin studenten meer mogelijkheden krijgen om hun kennis en kunde in een marktgerichte organisatie te toetsen. De LUW vergroot zo haar aanbod, en voor de marktgerichte organisatie kan het voordelig zijn om goede mensen te krijgen. De proefstations zouden ook onderdeel van het kenniscentrum moeten worden. Het is jammer dat een aantal stations zich nog afzijdig houdt.
Werkvloer
Het kenniscentrum kan negatief uitpakken als de top een bestuur heeft, terwijl op de werkvloer niks verandert. Dan kan het gebeuren dat het ene deel van de organisatie moet opdraaien voor de problemen van het andere deel. Stel dat er een verdere terugloop is van studenten. Ik voel er niks voor om bezuinigingen van de LUW op te vangen als ik verder niks met de vakgroepen zou hebben. Omgekeerd kunnen er ook negatieve ontwikkelingen bij DLO zijn waar de LUW voor zou moeten opdraaien
Volgens een notitie van LUW en DLO moeten er zes expertise-clusters komen voor tweede-fase onderwijs en strategisch en toegepast onderzoek. Alleen met de onderzoekers op de Binnenhaven kunnen we geen expertise-cluster vormen; we zijn maar met tweehonderd tot driehonderd mensen, meent Van Veen. We moeten dus integreren met Experimentele plantwetenschappen en CPRO-DLO, of met Produktie-ecologie en het AB-DLO. We horen bij beide. De gewasbescherming is niet los te zien van andere teeltaspecten en ook niet van de veredeling. Al deze groepen samen vormen weer een erg groot geheel. Ik vind het heel moeilijk een keuze te maken.
Er zijn sinds de zomer veel besprekingen geweest tussen instituten en universiteit en het wachten is nu op de bestuursvoorzitter om de plannen in goede banen te leiden, stelt Van Veen. Dat moet niet te lang duren, anders bloeden de initiatieven dood.

Re:ageer