Wetenschap - 17 april 1997

Studenten leren vooral als ze zelf de opdracht moeten structureren

Studenten leren vooral als ze zelf de opdracht moeten structureren

Studenten leren vooral als ze zelf de opdracht moeten structureren
Plantenteelt heeft ontwerpersblok bijna klaar
De nieuwe studierichting Plantenteeltwetenschappen is koploper bij het opzetten van de beroepsvoorbereidende blokken. De blokken moeten vooral interdisciplinair worden. Prof. dr ir Eric Goewie hoopt dan ook dat andere studierichtingen zullen aanhaken
We zijn hier erg goed in het analyseren van problemen, maar de synthese die bij ontwerpen belangrijk is, behoort niet tot de sterkste kanten van de universiteit. We zullen in de beroepsvoorbereidende blokken moeten proberen een verbinding te leggen tussen sociaal-economische en biologische factoren, zegt prof. dr ir Martin Kropff
Het ontwerpen van een zogenaamde zonnekas is volgens tuinbouwhoogleraar Hugo Challa een goed voorbeeld van zo'n synthese. De glastuinbouw verbruikt elk jaar zo'n vijftien procent van de Nederlandse aardgasconsumptie voor de verwarming van de kassen en ligt daarom nogal onder vuur van de milieubeweging. Challa wil studenten kassen laten ontwerpen die zonder verbruik van fossiele brandstoffen toch voor een rendabele glastuinbouw kunnen zorgen. Zij moeten dan niet alleen rekening houden met de technische kanten van het ontwerp, maar natuurlijk ook met de bedrijfseconomische aspecten
Over twee jaar moeten alle studierichtingen met een vijfjarig programma een blok aanbieden van zo'n twaalf studiepunten waarin ontwerpen en beroepsvaardigheden centraal staan. De nieuwe studierichting Plantenteeltwetenschappen is al vrij ver gevorderd met het opzetten van zo'n blok. Een taakgroep die werd voorgezeten door prof. dr Eric Goewie presenteerde de ideeen op 15 april in De Wereld. Prof. dr Wynand Wijnen, geestelijk vader van het probleemgericht onderwijs in Maastricht, was uitgenodigd om de plannen te bekritiseren
De agronoom prof. dr Paul Struik presenteerde een casus waarin de opdracht veel minder eenduidig omschreven is. Hij wil studenten een systeem voor de Nederlandse landbouw laten ontwerpen dat veel meer ruimte biedt aan biodiversiteit en een divers landschap. Hij stelt zich voor dat de overheid als fictieve opdrachtgever de maximale perceelsgrootte in de landbouw wil terugbrengen naar een hectare en dat per bedrijf minimaal vijf verschillende gewassen verbouwd moeten worden
Bedrijfsvoering
Volgens Struik zouden zulke maatregel hele diverse gevolgen hebben die veel aanknopingspunten vormen voor studenten om aan de slag te gaan. Studenten dienen zich af te vragen wat de gevolgen van die maatregelen zijn op de practische bedrijfsvoering, de biodiversiteit, de verspreiding van allerlei ziekteverwekkers en het areaal voor verschillende gewassen. Ik kan me voorstellen dat het ook erg interessant is om te kijken naar de gevolgen voor veredelingsbedrijven en de kunstmestindustrie.
De opdracht is bewust niet erg strak afgebakend. Beleidsmakers moeten vaak met brede opdrachten aan de slag. Tachtig procent van het beleid van ministeries heeft een dergelijk vaag karakter. Veel ingenieurs weten zich daar geen raad mee, stelde Goewie uit ervaring Ik heb eens een half jaar achter een minister aangelopen om eindelijk duidelijk te krijgen wat hij met een bepaalde opdracht wilde.
Ik denk dat je uit onderwijskundig oogpunt kunt stellen: hoe vager de opdracht, hoe beter, vult Wijnen aan. Studenten leren vooral als ze zelf de opdracht moeten structureren. Je moet proberen een balans te vinden tussen onderwijs en leren, anders gezegd: tussen instrueren en studeren.
De brede formulering van de opdrachten vraagt om inbreng vanuit verschillende studierichtingen. Tot nu toe zijn alle studierichtingen echter allemaal een eigen blok aan het voorbereiden. Goewie hoopt nu dat andere studierichtingen bij het project zullen aansluiten. Hij kreeg bijval van prof. dr ir Bert Speelman, voorzitter van de vaste commissie onderwijs en het onderwijsinstituut Omgevingswetenschappen. Wij zullen vanuit het onderwijsinstituut krachtig bevorderen dat er verschillende studierichtingen aan dit project deelnemen. Ik denk dat deze voorstellen ook goede mogelijkheden bieden voor andere richtingen.
Presenteren
Chris Blom, de onderwijscoordinator van de vakgroep Agrarische onderwijskunde, heeft geprobeerd de inbreng van de Leeuwenborch in de beroepsvoorbereidende blokken vorm te geven. Hij heeft die bijdrage vooral gezocht in de zogenaamde beroepsvaardigheden. Het is de bedoeling dat studenten tijdens het uitwerken van de casus vaardigheden aanleren die zij later in de beroepspraktijk nodig zullen hebben. Blom denkt daarbij aan vaardigheden als presenteren en vergaderen, die je volgens Blom het beste leert door veel te oefenen. Hij wil de studenten daarom drie halve dagen training geven. Tijdens presentaties en vergaderingen kunnen studenten daarna via checklisten bekijken of ze in staat zijn het geleerde in de praktijk te brengen
Blom wil studenten ook leren een bibliotheek van ontwerpersoplossingen aan te leggen. Goede ontwerpers gebruiken volgens hem vaak oplossingen die zij in het verleden voor andere problemen hebben gevonden. Hij wil studenten leren dat proces te structureren
Onderwijskundige Wijnen zou de studenten echter andere vaardigheden willen aanleren. Ik vind dat presenteren en vergaderen al in het eerste of tweede studiejaar aan bod moeten komen. In een ontwerpersblok in het vijfde cursusjaar zou ik veel meer nadruk leggen op vaardigheden als het maken van een offerte, onderhandelen of het opzetten van een draaiboek.
Wijnen gaf ook aan dat de taakgroep nog meer aandacht moet besteden aan de manier waarop studenten beoordeeld zullen worden. Je moet je afvragen welk studiegedrag je wilt belonen en daar ook een passende methode voor bedenken. Als je studenten bijvoorbeeld aan het eind van het blok een examen afneemt waarin je alleen vraagt welke verschillende stappen in een ontwerpproces te onderscheiden zijn, zullen studenten niet geneigd zijn veel meer te doen dan de aangeboden schema's uit hun hoofd leren. Goewie wil net als Wijnen vooral de manier beoordelen waarop de groep heeft gewerkt en niet de uiteindelijke uitkomst. Hij denkt dat het mogelijk moet zijn studenten hun groepsgenoten te laten beoordelen Als er dan allemaal tienen worden uitgedeeld, weet je dat er iets mis is en moet je ingrijpen. Meestal zie je echter dat studenten een goed afgewogen oordeel kunnen geven over de inbreng van anderen. Het cijfer wijkt vaak niet veel af van het cijfer dat een begeleider zou geven.

Re:ageer