Wetenschap - 13 februari 1997

Steeds meer natuurlijke vijanden nodig om plaag te bestrijden

Steeds meer natuurlijke vijanden nodig om plaag te bestrijden

Steeds meer natuurlijke vijanden nodig om plaag te bestrijden
Tuinders kiezen voor goedkoop en niet voor kwaliteit
De kwaliteit van natuurlijke vijanden in de biologische gewasbescherming is in het geding. Per vierkante meter zijn steeds meer parasieten nodig om plaaginsecten te bestrijden. Tuinders moeten beschermd worden tegen bedrijven die slecht werkende natuurlijke vijanden afleveren, want nu chemische bestrijdingsmiddelen steeds schaarser en duurder worden zijn goede biologische bestrijders een voorwaarde voor de toekomst
In 1995 lieten paprikatelers maar liefst 26 miljoen lieveheersbeestjes los in hun kassen. De kevertjes werden in 1992 nog niet ingezet. Ook tomatentelers maakten massaal gebruik van nieuwe natuurlijke vijanden om plaaginsecten te bestrijden. Tachtig procent van de bedrijven gebruikte een nieuwe roofwants om de wittevlieg te bestrijden
Het aantal beschikbare biologische bestrijders is flink vergroot. Sinds 1990 zijn er jaarlijks drie tot vier nieuwe soorten bijgekomen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek registreerde in 1995 voor het eerst de aantallen uitgezette beestjes. In totaal telde het CBS ruim twee miljard biologische bestrijders. Alle kasgroentebedrijven met tomaten, komkommers of paprika's blijken inmiddels een of meer soorten biologische bestrijders gebruiken
Naast nieuwe soorten is ook het gebruik van bestaande bestrijders toegenomen. Bij de teelt van tomaten en paprika's zijn met name veel meer galmuggen tegen bladluis ingezet. De sluipwesp tegen wittevlieg wordt inmiddels door alle tomatentelers en 98 procent van de komkommertelers gebruikt
Volgens prof. dr ir Joop van Lenteren, hoogleraar Entomologie, gebruikt geen land ter wereld zoveel parasieten als Nederland. Die massale toepassing kent echter ook een keerzijde. De toegenomen vraag naar parasieten heeft de concurrentie onder de aanbieders vergroot. De prijzen staan onder druk, waardoor de kwaliteit van de afgeleverde insecten in gevaar komt. Sommige bedrijfjes kweken parasieten op met te weinig gastheren. De parasieten komen nog wel uit, maar zijn door voedselgebrek van mindere kwaliteit. Daarnaast is soms het kweekoppervlak te klein. Tegen de grote afstanden die de parasieten buiten of in kassen moeten afleggen om hun prooien te vinden zijn ze dan niet opgewassen
Klimaatomstandigheden
Ir Martin Zuijderwijk, gewasbeschermingsdeskundige bij de Dienst Landbouwvoorlichting in Naaldwijk, herkent het probleem van parasieten die hun werk minder goed doen dan in het verleden. Hij plaats echter kanttekeningen bij de oorzaken die Van Lenteren noemt. Het probleem speelt met name bij sluipwespen tegen wittevlieg. Telers klagen daar ook over. Vroeger hoefden ze slechts negen sluipwespen per vierkante meter uit te zetten. Nu gaat het aantal richting de twintig, en sommigen tuinders redden het zelfs daar niet meer mee. Roofmijten en roofwantsen worden volgens Zuijderwijk nog te kort gebruikt om daar al problemen te kunnen signaleren
Voor Zuijderwijk is niet duidelijk of het probleem enkel aan de kwaliteit van de sluipwesp te wijten is. Zaken als andere gewasrassen en klimaatomstandigheden in de kas spelen volgens hem een wezenlijke rol. In de loop der jaren zijn tuinders andere rassen gaan gebruiken. Die zijn misschien gevoeliger voor plaaginsecten. Daarnaast telen we nu het hele jaar rond. Vroeger stond de kas van oktober tot februari leeg; een lange, koude periode zonder voedsel voor de plaaginsecten. Nu gaan pas in december de laatste tomaten eruit en de eerste komen er een maand later al weer in. Voor plaaginsecten is het veel makkelijker die periode te overleven.
Er zijn kweekbedrijven die kwaliteitscontrole toepassen op hun natuurlijke vijanden, hoewel dat niet verplicht is. Maar volgens de DLV-man zijn tuinders daar niet in geinteresseerd. Tuinders kijken naar de prijs. Als de ene handelaar een cent minder vraagt per insect dan een ander, dan gaan ze voor de goedkoopste. Dat scheelt dan veelal een paar honderd gulden per tuin.
Virussen
Inmiddels wordt in Europees verband gewerkt aan regelgeving om kweekbedrijven aan kwaliteitscontroles te onderwerpen. Nu mag iedereen natuurlijke vijanden kweken in een achterkamertje en op de markt te brengen
Dat geldt niet voor een microbiele biologische bestrijders als virussen, bacterien of schimmels plaaginsecten uitroeien. Dr Peter Smits van het Instituut voor Planteziektenkundig Onderzoek (IPO-DLO) vertelt dat voor die middelen een wettelijke toelating verplicht is, net als voor chemische bestrijdingsmiddelen. Zo'n toelating kost tonnen tot miljoenen guldens en zet een rem op de toepassing van microbiele middelen. In veel gevallen is dat niet nodig omdat we werken met selectieve pathogenen. Maar microbiele organismen worden per definitie als gevaarlijk gezien.
Smits stoort zich aan het beleid. Voor microbiele middelen vindt hij de toelating te zwaar en voor natuurlijke vijanden is helemaal geen toelating vereist. Terwijl natuurlijke vijanden schade kunnen aanrichten als ze niet selectief genoeg werken en ook nuttige insecten eten. Het beleid is arbitrair. Het heeft iets te maken met de aaibaarheidsfactor. Als je het beestje met het blote oog kan zien, dan zal het wel ongevaarlijk zijn. Daarnaast wordt de kans op mutatie bij macro-organismen kleiner geacht.
Smits pleit voor een meldingsplicht voor bedrijven die biologische bestrijders op de markt brengen, zowel microbiele organismen als natuurlijke vijanden. Bij die melding hoort dan een toelichtend document en een kwaliteitscontrole. Resultaat daarvan is dat de microbiele middelen gemakkelijker beschikbaar komen en dat de kwaliteit van natuurlijke vijanden gewaarborgd is. We willen niet te veel regelgeving, maar we moeten voorkomen dat er spul verkocht wordt dat in de tuin niet blijkt te werken. Dat bezorgt de biologische bestrijding een slechte naam.

Re:ageer