Wetenschap - 23 februari 1997

Spruitjes komen straks uit de fabriek

Spruitjes komen straks uit de fabriek

Spruitjes komen straks uit de fabriek
Symposium over duurzame voedselproductie
Het symposium Wat eten we in 2040, 17 januari in Amsterdam, trachtte een blik te verschaffen in de toekomst van de voedselproductie. Groenten komen uit fabriekshallen en varkens die vlees produceren zijn deels vervangen door bacterien en schimmels die eiwithoudende ingredienten vervaardigen. De boeren zijn de baronnen van het platteland, die in samenwerking met waterwin-, energie- en afvalverwerkingsbedrijven garant staan voor duurzaam landgebruik
Als de Elfstedentocht in 2040 wordt verreden en Henk Angenent doet mee, dan wint hij met gemak. Tegen die tijd kan hij namelijk dag en nacht trainen voor de tocht. Spruitjes telen op het land is dan niet langer nodig; die komen uit de fabriek. Het huidige systeem van grondgebonden groenteteelt is over vijftig jaar achterhaald. Daarom moeten we nu reeds op zoek naar alternatieven. Ir O.C.H. de Kuijer bijt krachtig de spits af aan het begin van het symposium Wat eten we in 2040, georganiseerd door het interdepartementaal onderzoekprogramma Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO)
De Kuijer is reeds drie jaar programmaleider Voeden van Duurzame Technologische Ontwikkeling, een initiatief van de ministeries VROM, EZ, V&W, LNV en OC&W. Doel is te zoeken naar een manier om in de toekomstige behoeften van de wereldbevolking te voorzien. Uitgangspunt is dat radicale veranderingen nodig zijn, die met behulp van technologische doorbraken gerealiseerd kunnen worden. Samen met kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties hoopt de overheid binnen het onderzoekprogramma technologische ontwikkelingen in een duurzame richting te sturen. Naast het programma Voeden bevat DTO ook de thema's water, chemie, huisvesten en verplaatsen
Het symposium Wat eten we in 2040 geeft een weerslag van het onderzoekprogramma Voeden, waaraan inmiddels acht miljoen gulden is besteed. Het merendeel is gefinancierd door overheid, bedrijfsleven, grote kennisinstellingen als TNO en DLO en adviesbureaus. Meer dan tweehonderd mensen van meer dan vijftig instellingen zijn bij het programma betrokken
Volgens De Kuijer zal in 2040 de bevolking verdubbeld en het welvaartsniveau vervijfvoudigd zijn. Ervan uitgaande dat de milieubelasting met de helft terug moet, betekenen deze uitgangspunten dat de productie twintig keer zo milieuefficient moet worden. Twintig keer zo efficient produceren, daar zijn trendbreuken voor nodig, poneert De Kuijer. Met het programma Voeden zoekt hij technologische doorbraken in drie richtingen: High tech agroproductie (HTA), Novel protein food (NPF) en Duurzaam landgebruik
De tegenstellingen tussen enerzijds het HTA- en het NPF-project en anderzijds het project Duurzaam landgebruik zijn groot. 's Ochtends wekt de presentatie van de projecten High tech agroproductie en Novel protein food, waarin voedselproductie plaatsvindt in laboratoria en fabrieken, de indruk dat boeren en tuinders wel kunnen inpakken. 's Middags zijn diezelfde boeren en tuinders opgewaardeerd tot plattelandskoningen die in hun rijk duurzame agrarische grondstoffen, natuur, water en elektriciteit produceren en recreatiegebieden beheren
Mijnschacht
De projecten High tech agroproductie en Novel protein food weten zich gesterkt door kapitale ondernemingen en de inzet van veel wetenschappelijke kennis. Zo participeren in het project High tech agroproductie kennisinstellingen uit Japan, Amerika en Australie, op initiatief van het DLO-Instituut voor Agrotechnologisch Onderzoek (ATO). A. Simons van het ATO-DLO zet de ideeen van het HTA-project uiteen. De huidige groenteproductie in volle grond en kassen is inefficient. Bovendien is de belasting van het milieu in die systemen hooguit met een factor twee tot acht terug te dringen. We richten ons binnen HTA op een systeem dat verse groenten twintig tot honderd keer zo milieuefficient produceert.
Bij high tech agriculture moet je denken aan een mijnschacht of een flatgebouw in een stedelijk gebied. Alles begint bij het opgevangen zonlicht. Dat wordt omgezet in elektriciteit en met die stroom wordt kunstlicht voor het gewas geproduceerd. In gesloten klimaatkamers groeien op substraat de planten, die de juiste hoeveelheid nutrienten krijgen toegediend. Simons: Om werkelijk technologische doorbraken te vinden, hebben we wereldwijd topinstituten gemobiliseerd. Kennisinstellingen in Europa en Australie participeren vanwege hun kennis op het gebied van de plantenfysiologie. Onderzoekinstituten in Japan omdat ze daar al jarenlang streven naar volledige zelfvoorziening.
Tussendoortje
Cebeco Handelsraad is ook betrokken bij het project. Dr A. Capelle, directeur Onderzoek en ontwikkeling, ziet kansen op de markt. Toch maakt hij zich zorgen. Het DTO-programma besteedt geen aandacht aan consumentenacceptatie; dat vind ik een pijnlijk gemis. We hebben te maken met een afgesloten systeem met een sterk fabrieksmatig karakter. Het beeld van een lieflijk platteland dat consumenten nu vaak koesteren, vervalt. Zelf denk ik niet dat consumenten geinteresseerd zijn in de herkomst en productiewijze van voedsel, zolang het maar door een erkend grootwinkelbedrijf wordt aangeboden, goed van kleur, geur en smaak is en acceptabel geprijsd. Toch blijft de vraag of consumenten dit soort artikelen werkelijk gaan consumeren.
Bij het Novel protein foods-project maken de onderzoekers zich minder zorgen over het consumentengedrag. Ze gaan ervan uit dat het eetgedrag in de volgende eeuw verandert. Mensen eten niet langer drie keer per dag. De komende generaties grazen: vele keren per dag nemen ze een tussendoortje. Nieuwe eiwithoudende voedingsmiddelen gaan daarin een belangrijke rol spelen. Deze Novel protein foods (NPF's) hebben volgens de voorspelling in 2005 vijf procent van de vleesconsumptie verdrongen en in 2040 veertig procent. De vleesvervangers worden vooral in tussendoortjes en kant-en-klare maaltijden verwerkt, die de drukbezette 21ste-eeuwer volop nuttigt
Productie van NPF's, zo is de gedachte, is twintig keer zo milieuvriendelijk als de productie van vlees. Met behulp van bacterien en schimmels of uit plantaardig materiaal worden nu al substanties gekweekt met de namen Protex, Fibrex en Fungopie. Grote ondernemingen als Unilever en Gist-Brocades participeren in het NPF-project. Ir J.A. Roels, directeur Corporate strategy and technology van Gist-Brocades legt uit waarom. Door deel te nemen aan dit DTO-programma denken we hordes te kunnen slechten die we bij het volgen van maatschappelijke trends in de toekomst zeker tegenkomen. Roels ziet een trend in voeding die beter is afgestemd op de behoeften van het lichaam en hoopt met het onderzoek naar vleesvervangers de strategische research in die richting te sturen. Wij hopen op een spin-off van dit onderzoek voor innovaties op de middellange termijn die passen binnen de kerntaken van ons bedrijf.
Volgens projectleider dr ir B.G. Linsen is grootschalige toepassing van vleesvervangers voorlopig nog niet mogelijk. Veel extra onderzoek is nodig naar sensoriek, smaak en geur, opschaling en verdere terugdringing van de milieubelasting. Toch schat Linsen de kansen hoog in. Uitgaande van een autonome ontwikkeling kan de productie van varkensvlees nooit een milieureductiefactor van twintig halen. De ecologische varkenshouderij is maar drie keer zo milieuvriendelijk als de gangbare. Terwijl de producten Protex en fibrex een reductie in milieubelasting van vijftien tot dertig procent halen ten opzichte van de huidige varkensvleesproductie. Een ander groot voordeel is dat NPF's een vijfde tot de helft goedkoper zijn dan vlees. Alles bij elkaar maakt dat de ontwikkeling van NPF's zeker interessant.
Lichaamswarmte
De intensieve varkenshouderij wordt binnen het project Novel protein food verguisd om haar milieuonvriendelijkheid. In het project Duurzaam landgebruik vervult de varkenshouderij juist een centrale rol binnen een multifunctioneel bedrijfssysteem. Doel van het project is verschillende functies van landgebruik te integreren, zoals landbouw, waterwinning, energiewinning, natuurbeheer en recreatie. Agrarische productiebedrijven vormen de spil van het systeem
Een door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek doorgerekend model toont een multifunctionele varkenshouderij die met duizend zeugen en tienduizend vleesvarkens jaarlijks tienduizend ton vlees produceert. Het bedrijf is 750 hectare groot, waarvan 200 hectare voor natuur. Een derde deel van het voer komt voort uit menselijk afval. Een derde is eigen voerproductie en een derde wordt aangevoerd van buiten. De lichaamswarmte van de dieren levert energie om vier hectare kassen te verwarmen. Ammoniak wordt afgevangen en gebruikt in de substraatteelt. Het bedrijf produceert een miljoen kuub drinkwater per jaar en als recreatiegebied is het toegankelijk voor burgers
Projectteamlid J. van Tiggeloven: Duurzaam landgebruik is een collectief probleem van boeren, energie-, afval- en waterwinbedrijven. Als we samen het veranderingsproces trekken, kent duurzaam landgebruik alleen maar winnaars.
Watertekorten
Wederom volop optimisme. Leefden we 's ochtends nog in een kille high tech-maatschappij, 's middag ziet het er, aan de hand van Achterhoekse kiekjes, alweer een stuk gezelliger uit. De grote vraag aan de politiek is welke systemen voor de toekomst wenselijk zijn. Een forum met afgevaardigden van de vijf grote partijen laat weten vooral voor en-en oplossingen te kiezen. De zaal is ontevreden
Een grote vraag is waarom geen aandacht is besteed aan ecologische landbouw als duurzame oplossing voor 2040. Ook hameren velen erop dat onderzoekers zich, als het gaat om oplossingen voor de voedingsproblematiek in 2040, meer op technologieen moeten richten die toepasbaar zijn in ontwikkelingslanden
Een van de aanwezigen vat de gevoelens van onbehagen aan het eind van de discussie nog eens duidelijk samen: Biologische landbouw is een luxe die alleen het westen zich kan permitteren. Door watertekorten zijn daarvoor in tropische landen geen mogelijkheden weggelegd. Ook high tech-landbouw is daar vanuit economische motieven geen oplossing. Het enige wat overblijft is de conventionele, vieze landbouw. Dat lijkt nu de enige toepasbare voor de derde-wereldlanden. We moeten ons afvragen wat we daarmee gaan doen. De grote vraag is namelijk niet wat wij eten in het jaar 2040, maar wat 95 procent van de wereldbevolking eet.

Re:ageer