Wetenschap - 26 oktober 1995

Sluipwesp zoekt prooi lukraak

Sluipwesp zoekt prooi lukraak

De vasthoudendheid, loopsnelheid en loopactiviteit van een sluipwesp zijn betere criteria voor de sluipwespselectie voor biologische bestrijding van de kaswittevliegplaag dan de nu vaak gehanteerde maximale dagelijkse ei-leg. Dat concludeert dr ir H.J.W Roermund, die vorige week bij prof. dr J.C. van Lenteren en prof. dr ir R. Rabbinge promoveerde.

Roermund ontwikkelde een model dat het aantal witte vliegen en sluipwespen gedurende het groeiseizoen simuleert op basis het zoekgedrag van individuele sluipwespen. Aanleiding is het feit dat de witte-vliegbestrijding met sluipwespen in teelten als gerbera en komkommer veel minder succesvol is dan in de tomatenteelt.

Volwassen witte vliegen migreren naar de jonge bladeren in de top van het gewas. Bij een langzame produktie van nieuwe bladeren hebben sluipwespen meer succes omdat de volwassen witte vliegen langer blijven zitten op een blad en daar meer eieren leggen. De sluipwesp E. formosa zoekt lukraak naar larven. Treft de wesp een gastheer, dan verblijft ook zij langer op het betreffende blad. Het verschil in witte-vliegverdeling is dus volgens Roermund een van de oorzaken van het verschil in succes van biologische bestrijding tussen gewassen. Volgens het model hebben bladgrootte en totale bladoppervlak een sterk effect op de reductie van witte vlieg, op de snelheid waarmee de sluipwesp het zoeken opgeeft en op haar loopsnelheid en loopactiviteit. Dat geldt niet alleen voor tomaat, maar ook voor komkommer en gerbera.

Volgens Roermund zijn bij de tomaat de verschillen soms aanzienlijk. Een volgende stap in het onderzoek is volgens hem de parameters in het model aan te passen voor komkommer en gerbera. Pas dan is verklaarbaar waarom E. formosa op die gewassen witte vlieg minder goed onder controle houdt en zijn sluipwesp-introductieschema's voor die gewassen te verbeteren.

Re:ageer