Wetenschap - 15 mei 1997

Risico-indicatoren voor afwijkende vluchtprestaties van wedstrijdduiven

Risico-indicatoren voor afwijkende vluchtprestaties van wedstrijdduiven

Risico-indicatoren voor afwijkende vluchtprestaties van wedstrijdduiven
Harry de Groot, Veehouderij
Niet iedere postduif weet de weg naar huis te vinden. Vooral jonge duiven - jonger dan een jaar - willen nog wel eens wegblijven. Een groot probleem voor duivenhouders die meedoen aan wedvluchten. Het meest vrezen zij rampvluchten - vluchten met verliezen van vijftig procent of meer. De Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) vroeg de vakgroep Veehouderij een wetenschappelijk licht te laten schijnen over dit fenomeen. Vierdejaars zootechnologiestudent Harry de Groot wijdde daarom zijn afstudeervak geheel aan wedvluchtduiven
Geen alledaags onderwerp voor de vakgroep. Maar De Groot is met duiven vertrouwd. Hij stamt uit een familie van duivenhouders. Zo is zijn vader een fanatiek duivenmelker, die af en toe meedoet in de regionale top. Bovendien trok het epidemiologische karakter van het onderwerp De Groot aan
Het houden van wedvluchtduiven is een populaire hobby in Nederland. Jaarlijks worden veertien miljoen duiven ingepakt voor een wedstrijd. Per auto gaan ze naar de losplaats, vanwaar ze weer de weg naar het eigen hok moeten vinden. Voor De Groot zijn afstudeervak begon, had een aio al de invloed van klimatologische omstandigheden tijdens het vervoer onderzocht. Hieruit bleek ondermeer dat duiven door vervoer onder hogere temperaturen verzwakt raakten, waardoor ze een grotere kans hadden de weg kwijt te raken
De prestaties van postduiven tijdens een wedvlucht kunnen beoordeeld worden aan de hand van een aantal parameters: vliegsnelheid, percentage verloren duiven, conditie van de duiven bij thuiskomst en verloop en duur van de wedstrijd. Deze vluchtprestatieparameters vertonen een grote variatie, zowel tussen duiven als tussen vluchten en vluchtseizoenen
De Groot wilde bekijken of het mogelijk is een model te fabriceren waarmee de risicofactoren voor slechte prestaties zijn te achterhalen. Weersomstandigheden, condities tijdens het transport, voeding en huisvesting van het gevogelte; alles kan invloed hebben. De Groot: Er doen veel bakerpraatjes de ronde. Sommige duivenmelkers zijn er bijvoorbeeld van overtuigd dat de vlucht niet goed zal gaan als het eergisteren geregend heeft. Dat soort beweringen kun je al dan niet hard maken met zo'n model.
Hoewel bij De Groot de nadruk meer lag op het ontwikkelen van een methodiek voor verzameling en analyse van gegevens dan op het daadwerkelijk aangeven van risicofactoren kwamen toch verschillende factoren aan het licht. Die moeten echter in de nabije toekomst nog statistisch hard gemaakt worden omdat de hoeveelheid data te klein was
De Groot onderwierp de gegevens van vier vluchten met jonge duiven aan een nauwgezet onderzoek en analyseerde informatie over transport, zoals rijtijden, luchtvochtigheid en luchttemperatuur. Ook hield De Groot schriftelijke enquetes onder duivenhouders van de grootste afdeling van de NPO, Oost- Brabant. Daarin vroeg hij naar verzorging en training van de duiven, huisvesting en voorbereiding op de vlucht. Op basis van deze gegevens ontwikkelde hij vier modellen: twee lineaire voor de percentages duiven die na een dag hun hok nog niet wisten te vinden en duiven die na een week nog steeds niet thuis waren; twee logistische voor de conditie waarin een thuisgekomen duif verkeerde na de vlucht en het verloop van de vlucht - beide goed of slecht, te beoordelen door de duivenhouder zelf
Zo blijkt het ad libitum voeren van de jonge duiven een groot ricico te vormen. Duivenmelkers die hun beestjes zoveel te eten geven als ze maar op kunnen, hebben een verhoogde kans op duiven met een slechte conditie. Die kans is maar liefst 182 maal zo groot als bij degenen die hun dieren strak afgemeten porties verstrekken
Opmerkelijk zijn de uitkomsten met betrekking tot het gebruik van medicijnen. Enten tegen paratyfus, gebruik van middeltjes tegen infecties aan de luchtwegen, curatieve bestrijding van luizen en regelmatig preventief gebruik van medicijnen tegen wormen, hebben allemaal grotere verliezen tot gevolg. Mogelijk gaat veelvuldig medicijngebruik ten koste van de algehele conditie van de vogels. Anderzijds resulteert een preventieve luizen- en een curatieve wormenbestrijding juist in minder verliezen tijdens een wedvlucht
Zo vond De Groot een scala aan - helaas niet significante - risicofactortjes, waarvan er nog een vermeldenswaard is. Bij duiven die regelmatig door iemand anders dan hun baasje worden verzorgd, ligt het percentage verliezen lager dan bij duiven wier baasje altijd hoogstpersoonlijk in de hokken komt. Waarschijnlijk raken de beesten door contact met vreemden beter gewend aan stress

Re:ageer