Wetenschap - 18 april 1996

Restauratie steenfabriek ligt in het verschiet

Restauratie steenfabriek ligt in het verschiet

Over bakstenen, zeilboten en idealen

Naar alle waarschijnlijkheid klinkt in juni in de uiterwaarden eindelijk het startschot voor de restauratie van de Wageningse steenfabriek De Bovenste Polder. Na zo'n tien jaar geharrewar onder zelfwerkzame idealisten, weerbarstige scouts, flitsende fondsenwervers en bezorgde boswachters. De wereld in het klein langs de Rijn.


We hebben nog een paar ton nodig, maar ik denk wel dat we die bij elkaar krijgen. De provincie wil dat er in juni een beslissing valt, en dat willen wij ook. Ik denk dat de restauratie dan kan beginnen." Aldus A.O.J. van Swaay, bestuurslid van stichting De Bovenste Polder die ijvert voor de herbestemming van de steenfabriek. De Wageningse aannemer rekent erop dat de begroting van een dik miljoen alsnog geheel wordt gedekt. De ondernemerssocieteit Veluwezoom lijkt goed voor 25 duizend gulden. Voor de gesponsorde verbouw van de tien steenovens in het gebouw komt wellicht het dubbele bedrag beschikbaar. Deze en enkele andere lucratieve ideeen geven volgens Van Swaay voldoende garanties voor een definitief ja.

Een klein wonder", vindt H.W. Bik, coordinator Monumentenzorg van de gemeente. Hij herinnert zich nog levendig hoe de steenfabriek in 1990 op de Wageningse monumentenlijst belandde en hoe de gemeenteraad 116.500 gulden reserveerde als een eenmalige bijdrage aan de restauratie. Het bedrag was gekoppeld aan een vergelijkbare provinciale subsidie van een ton.

Beide subsidiegevers bleken zeer gecharmeerd van de inzet van de Vereniging tot behoud van De Bovenste Polder. Deze vereniging was in 1986 abrupt uit de grond gestampt toen de gemeente aanstalten maakte om de uit 1923 stammende steenfabriek te slopen wegens instortingsgevaar. Verontruste Wageningers wilden de teloorgang van dit typisch stukje Wageningse cultuurhistorie voorkomen; de baksteenindustrie had immers een belangrijke rol gespeeld in de Gelderse en Wageningse geschiedenis. Kap en schoorsteen moesten bovendien bewaard blijven omdat ze het gezicht van de uiterwaarden bepalen. Redeneringen die leidden tot forse financiele toezeggingen. Toch bleven de potjes tot op de dag van vandaag onaangeroerd.

Ateliers

Initiatiefnemer van het eerste uur is architect P. Roza. Op de vraag waarom pas na tien jaar het eindresultaat in zicht komt, antwoordt hij dat een groot geisoleerd gelegen gebouw zich slecht leent voor een rendabele herbestemming. Door de moordende concurrentie in de baksteenindustrie was de komst van een volgende stenenbakker uitgesloten. Daarom stelde de vereniging destijds voor de dikwandige ovens, grote ruimtes van zo'n twintig vierkante meter, te gebruiken voor een kanovereniging, kunstenaars en popbands. Op de bovenverdieping zou plaats zijn voor ateliers en twee woningen. De verwachte gebruikers konden echter geen hoge huur opbrengen, dus was het nodig de bouwkosten te drukken. Zelfwerkzaamheid stond daarom hoog in het vaandel: vele vrijwilligers timmerden en metselden er driftig op los. Maar langzamerhand werd toch duidelijk dat de overstelpende hoeveelheid werk rustte op een te kleine groep mensen. Behoud van onderhoudsgevoelige cultuurhistorie trok minder actievelingen d
an de strijd tegen leegstand en voor betaalbare woonruimte, zoals in gebouw De Wilde Wereld. Naarmate het steenfabriek-project ingewikkelder bleek en de vermoeidheid onder de vrijwilligers groeide, nam de zelfwerkzaamheid af. Mede daardoor liepen de begrote kosten geleidelijk op van 620 duizend gulden tot een dikke miljoen.

Volgens Roza was de aanlooptijd ook lang doordat het gebouw in 1988 van eigenaar wisselde. De Dienst der Domeinen gaf het door aan Staatsbosbeheer en dat leidde tot nodeloze herhalingen van zetten, meent Roza. Ir L. Oldenkamp, tot voor kort regiohoofd Staatsbosbeheer Veluwe-Achterhoek, denkt er anders over. Volgens hem kozen de boswachters bewust voor een duidelijk andere aanpak. Domeinen keek vooral naar de toekomst van het gebouw en was daardoor te snel bereid tot overdracht, meent Oldenkamp. Staatsbosbeheer neemt echter het omringende gebied in ogenschouw en stelt striktere financiele voorwaarden. Een niet sluitende exploitatie kan bijvoorbeeld volgens Oldenkamp leiden tot de ongewenste vestiging van een restaurant, om zo de inkomsten op te krikken. Dat geeft extra toeloop, die de rust van de omwonenden verstoort en de natuur bedreigt.

Waterscouting

Ook eiste Staatsbosbeheer een betere samenwerking met waterscouting Musinga Rijn. Het waarom blijkt tijdens een bezoekje aan de steenfabriek op een zaterdagmiddag. De met boten bezaaide werf krioelt van jongeren die af en aan sjouwen met allerlei materiaal. In het propvolle clubgebouw naast de fabriek vertellen voorzitter T.C. Lammers en groepsleider B. van Holst dat Musinga Rijn al sinds 1961 materiaal opslaat in de steenovens. Lammers: Wij hebben hier altijd gezeten en alle mensen weggestuurd die er niet thuis hoorden. Zo hebben we ervoor gezorgd dat het gebouw niet is gesloopt. Toen de kanoclub opslagruimte vroeg, wilden we wel inschikken, maar dan komt er ineens een vereniging die claims legt en een andere bestemming voorstelt. Dat is een rare zaak. Ineens werden er beslissingen buiten ons om genomen. Dan denk je: Ze bekijken het maar. Toch zijn we altijd voor restauratie geweest. Als het betaalbaar is, gaan wij niet dwarsliggen."

Lammers doelt op de plannen van de vereniging, waarin Musinga Rijn de ovens moet ontruimen en de oude loods naast de steenfabriek moet slopen, omdat het metalen ding foeilelijk is. Daarmee zou de club in feite afstand doen van de in de loop der jaren verworven rechten op de fabriek. Met de bouw van een nieuwe loods zou bovendien minstens anderhalve ton gemoeid zijn.

Dat alles zat de waterscouts niet lekker, hetgeen de samenwerking allerminst bevorderde. Staatsbosbeheer had echter weinig zin in een rol als scheidsrechter en dwong de beide partijen alsnog tot samenwerking in een nieuwe stichting. Alleen op die voorwaarde was verkoop van het gebouw voor een gulden mogelijk, met een erfpachtcontract voor het gebruik van de terreinen.

Achteraf bezien een geslaagde zet, meent Oldenkamp. De partijen kunnen nu samen door een deur". De omslag bleek mede mogelijk door personele wisselingen. Zo kreeg Musinga Rijn een nieuwe secretaris, T. Hupkes-Wijnstra, die niet belast was door conflicten in het verleden. Bij de steenfabriekclub maakten zelfbouwers en activisten plaats voor bestuurders, juristen en financiele experts. Een essentiele omslag, vindt Roza. Professionalisering was dringend gewenst bij het lobbyen, opdrachten uitzetten en subsidies binnenhalen. Zo zijn onlangs het VSB- en het Prins Bernhardfonds met geld over de brug gekomen, hetgeen de status van het project verhoogt.

Hupkes-Wijnstra spreekt over een heel plezierig contact en gelijkwaardige gesprekspartners binnen de stichting. De bouw van de nieuwe loods acht ze niet langer een breekpunt. Er is altijd wel een oplossing denkbaar." 57 Duizend gulden aan toezeggingen is al binnen en de waterscouts willen een sponsoractie organiseren. Verder hoopt Musinga Rijn dat Staatsbosbeheer goedkoop hout zal leveren voor de bouw van de loods.

Bodemonderzoek

De nieuwe stichting is bijna opgericht, de ondertekening van de contracten is nabij en Van Swaay verwacht dat het ontbrekende geld alsnog toestroomt. Ook het komende bodemonderzoek is hoogstwaarschijnlijk geen beletsel voor daadwerkelijke uitvoering. Via een zogeheten kettingbeding in het contract moeten onverhoopte extra bodemvervuilingskosten kunnen worden verhaald op de vorige eigenaars: voor Domeinen en Staatsbosbeheer de gemeente en eerder nog de stenenbakker zelf. Oldenkamp: De huidige gebruikers mogen er niet de dupe van worden."

Daarmee staan bijna alle lichten op groen. Bij voltooiing van het langlopende project is er sprake van een nationale primeur: nimmer tevoren werd een in onbruik geraakte steenfabriek gered van de slopershamer. Een interessant gegeven, vooral omdat het Projectbureau Industrieel Erfgoed en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg 1996 hebben uitgeroepen tot het Jaar van het Industrieel Erfgoed. Gemeentelijk monumentenkenner Bik sluit niet uit dat De Bovenste Polder kan meedelen in deze extra publieke aandacht en na 2000 op de landelijke monumentenlijst zal belanden. Dat levert dan weer aardige fiscale voordelen op in de exploitatie.

Terugkijkend op het afgelopen decennium concludeert Roza dat de voortdurende herstelwerkzaamheden van vrijwilligers van doorslaggevend belang waren. Anders was de steenfabriek voortijdig ingestort. Dat zag je gebeuren bij andere projecten. Die gebouwen raken tijdens lange voorbereidingen alsnog onherstelbaar verwoest. Maar voor mij staat vast dat de restauratie hier doorgaat."

Re:ageer