Wetenschap - 27 maart 1997

Rampologie voor beginners

Rampologie voor beginners

Rampologie voor beginners
We komen altijd te laat en we kunnen te weinig doen
Een kleine drie jaar na de genocide in Rwanda staat in het jachtige noodhulpcircuit nog steeds een knagende vraag hoog op de agenda. Hoe heeft het zover kunnen komen? Dat bleek tijdens een studiemiddag in De Wereld, waar de talrijke dilemma's en mankementen van de hulpverlening de revue passeerden. Aan leerobjecten geen gebrek voor de nieuwe hoogleraar Rampenmanagement
Ik studeer nu tijdelijk in Oxford, het Europese Mekka van disaster- en refugee-studies. Ik verwachtte daar een grote voorraad evaluatie- en monitoringmethoden aan te treffen. Helaas is de eerste indruk niet veelbelovend. Kan de LUW dat oppakken? Ir Leonard van Duijn raakte op 20 maart in De Wereld tijdens de studiemiddag over noodhulp een gevoelig punt. Noodhulporganisaties snellen voortdurend van de ene ramp naar de andere om menselijk lijden te verlichten en de uitbraak van gevreesde ziekten te voorkomen. Een prijzenswaardig streven, maar het jachtige gedrag laat onvoldoende ruimte voor reflectie en bezinning, constateerde Van Duijn bij de lege boekenplanken in Oxford. Dat concludeerde hij al eerder na een korte studie over het optreden van drie Nederlandse organisaties tijdens de Rwanda-crisis in 1994. Ook bij hen ontbrak het aan goed gedocumenteerde evaluaties
De noodzaak van evaluaties neemt echter toe, stelde dr ir Nico Keulemans. Volgens de voormalige emergency officer van de Wereldraad van Kerken, inmiddels gepensioneerd, zijn de relatief simpele en overzichtelijke natuurrampen sinds de beeindiging van de Koude Oorlog overvleugeld door complexe, gewelddadige internationale crises. Het verstrekken van goede hulp op de juiste plek aan de meest behoeftige personen wordt daarmee een ingewikkelde klus. Dat vereist een doordachte verwerking van eerder opgedane ervaringen, kennis van de lokale situatie en een gedetailleerd inzicht in de oorzaken van de crisis. En daar schort het nogal aan, meent Keulemans
Beide sprekers gaven daarmee een inhoudelijke voorzet voor het takenpakket van de aankomend hoogleraar Disaster management en zijn wetenschappelijk medewerker. Deze posten worden gefinancierd door de Stichting Nationaal Erfgoed Hotel de Wereld. Voor de post van hoogleraar is inmiddels een benoemingscommissie aangesteld. De stichting betaalt ook het Educatief Centrum dat sinds kort in De Wereld zetelt en activiteiten organiseert rond vredes- en veiligheidsvraagstukken, waaronder de studiemiddag. Verder stelde Keulemans op verzoek van de stichting voor de nieuwe Wageningse prof een geannoteerde bibliografie samen over problemen rond rampen
Spankracht
Westerse hulporganisaties moeten volgens Keulemans nauwer samenwerken met lokale organisaties. Maar bij onoverzichtelijke vluchtelingenstromen kun je moeilijk lokale organisaties traceren en inschakelen, stelde een aanwezige medewerker van Artsen Zonder Grenzen. Evenmin kun je in massale vluchtelingenkamp snel groepen onderscheiden, zodat soms ook de verkeerden hulp ontvangen. Daarmee verwees de medewerker impliciet naar de bekritiseerde hulp aan gewapende Hutu-milities. Keulemans onderkende het probleem. Toch zag hij onvoldoende redenen voor eigengereide en grootschalige interventies. Dan onderschat je de lokale spankracht en zelfredzaamheid, meende hij
Keulemans was de afgelopen twee jaar gesterkt in deze opvatting door het lezen van meerdere standaardwerken over crisisbeheer en noodhulp. Het bevredigen van zijn jarenlang uitgestelde leeshonger bevestigde de twijfels die al knaagden sinds de aardbeving in Armenie in 1988. Toen schoten op verzoek van Sovjet-president Gorbatsjov van alle kanten Westerse organisaties te hulp. In een plaatselijk ziekenhuis hoorde Keulemans dat van de 300 patienten er ongeveer 280 direct na de ramp waren aangevoerd door mensen uit het gebied zelf. De resterende twintig werden later met Westerse hulp onder het puin vandaan gehaald. Maak je maar niet te veel illusies, stelde Keulemans. We komen altijd te laat en we kunnen te weinig doen.
Barbarisme
Van Duijn lanceerde op de studiedag een prikkelende theorie. De Wageninger onderscheidde twee crisisconcepten barbarisme en social exclusion. Het barbarisme komt uit de koker van de Amerikaan Kaplan. Die schetst een geweldadige wereld in ontbinding waarin je amper iemand kunt vertrouwen. Noodhulporganisaties die zich hierdoor laten inspireren, richten zich vooral op curatieve zorg. Ze werken met vertrouwde, snel oproepbare blanke gezichten die ze even snel weer evacueren als de situatie escaleert. Zo'n organisatie is op militair-logistieke leest geschoeid, inclusief vlagvertoon, en is sterk mediagericht om fondsen los te weken
De social exclusionists baseren zich op inzichten van de Engelsman Richards, die aan de LUW doceert. Hij ziet West-Afrikaanse crises vooral als een uitbarsting van onvrede van uitgesloten groepen binnen de samenleving. Dit impliceert dat noodhulp achteraf niet volstaat. Organisaties die zo'n visie onderschrijven zijn daarom veelal in het crisisgebied aanwezig voordat de problemen escaleren, blijven langer hangen, werken nauwer samen met lokale organisaties en laten zich minder leiden door de camera
Van Duijn was duidelijk meer gecharmeerd van de social exclusionists, ook al wil de veelgeroemde lokale samenwerking nog wel eens mislukken. Hun aanpak herbergt volgens hem ook andere voordelen: goed geinformeerd lokaal personeel kan tijdig waarschuwen voor naderend onheil en zo deel uitmaken van een early warning system. Opdrachtgevers en beleidsmakers moeten de alarmerende boodschappen dan wel serieus nemen en niet interpreteren als een verkapte vraag om financiele steun, zoals een door Van Duijn geinterviewde noodhulpmedewerker meemaakte
Keulemans koestert minder illusies over de haalbaarheid van een goed early warning system. De Wereldvoedsel en -gezondheid organisaties FAO en WHO voorspellen tegenwoordig redelijk goed hongersnoden, maar adequate reacties blijven soms uit door onwillige regeringen en donoren. Bij ingewikkelde, gewelddadige crises zijn Westerse regeringen nog minder geneigd tot steunoperaties en de onvoorspelbaarheid is vele malen groter
Vredesconferentie
Dat bleek bij de onderhandeling tussen de Tutsi-rebellen en de Rwandese regering. De Afrikaanse secretaris van de Wereldraad van Kerken was daarbij betrokken. De onderhandelingen leidden tot een geslaagde vredesconferentie in Arusha, die verdere oorlogshandelingen kon voorkomen. Dat dacht althans de goed geinformeerde secretaris - zelf een Tutsi. Maar toen op 6 april 1994 de helikopter van de Rwandese president Habyarimana werd neergehaald, barstte alsnog de bom en was de genocide een feit
Gegeven dergelijke onzekerheden verbetert Keulemans liever direct de bestaande hulpverlening. Zo is meer kleinschalige geestelijke bijstand nodig voor oorlogsslachtoffers. De communicatie en coordinatie tussen de talrijke binnenlandse en buitenlandse hulpverleners ter plekke moet beter verlopen, evenals de keuze van de kamplocaties. Daarbij moet de eerste opvang van vluchtelingen geen doel op zich zijn, maar ook een ontwikkelingsperspectief bieden. Deze roerige bedrijfstak is kortom, naar analogie van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, ook dringend toe aan een herijking die moet stoelen op goede evaluaties en nauwkeurige monitoring
Dit alles onderstreept volgens de voormalige emergency officer tevens het belang van goed opgeleid personeel in de hoofdkantoren. Geen enkele universiteit draait echter een volledig curriculum rampologie. Wel willen een Belgische, een Spaanse en een Italiaanse universiteit gezamenlijk een programma opzetten. En in Wageningen wordt gewerkt aan de opzet van de leerstoel Disaster management
Bemoedigend, maar er is nog een lange weg te gaan, constateert Keulemans. Ondertussen ploeteren barbaristen en social exclusionists door. Vooral de eerste groep moet oppassen, meent Van Duijn. Ik vermoed dat de barbaristen, in hun haast om projecten te scoren, naast termen als field officer en brigade ook de term body bag in hun vocabulaire moeten opnemen. Dit type organisaties loopt een verhoogd risico te worden uitgeescaleerd. Hoeveel lokale en Westerse hulpverleners zijn er het laatste jaar al niet gestorven en hoeveel goede projecten zijn daardoor al niet voortijdig gestopt?