Wetenschap - 19 juni 1997

Promoties

Promoties

Promoties
Sporten ook belangrijk voor bejaarden
Regelmatig bewegen is niet alleen belangrijk voor jongeren en mensen van middelbare leeftijd, maar ook voor bejaarden. Sportende ouderen lopen minder kans op hart- en vaatziekten en voelen zich fysiek en emotioneel beter. Deze hypothese werd bevestigd door ir Jantine Schuit, die 16 juni promoveerde bij epidemioloog prof dr F. J. Kok
Schuit onderzocht de effecten van een zes maanden durend bewegingsprogramma bij 229 ouderen van zestig tot tachtig jaar. De ouderen werden verdeeld in drie groepen: een hometrainergroep, waarvan de deelnemers thuis vier keer per week dertig minuten fietsten, een groep die drie keer per week gezamenlijk sportactiviteiten beoefende zoals balsport en bewegen op muziek, en een controlegroep. Na zes maanden training was de conditie - het vermogen zuurstof op te nemen en de maximale inspanningscapaciteit - significant verbeterd
Verschillende factoren die het risico op hart- en vaatziekten en aderverkalking verhogen waren bij de sporters in gunstige zin beinvloed. Het cholesterolgehalte was gedaald. En de zogeheten t-PA-activiteit, een factor die de fibrinolyse stimuleert, was verhoogd. Fibrinolyse zorgt voor afbraak van fibrinogeen, een risicofactor voor trombose. Ook de verandering in hartritmevariabiliteit, een maat voor de spontane schommelingen rondom de gemiddelde hartfrequentie, duidde op een betere gezondheid bij de sporters
Na het bewegingsprogramma waren de lichamelijke vaardigheden verbeterd. Ook waren er minder symptomen van depressie, al was verschil met de controlegroep niet significant. De meeste deelnemers hielden zich goed aan het trainingsprogramma, merkte Schuit. Omdat het aantal afhakers het hoogst was bij de hometrainers, concludeert ze dat groepstraining de voorkeur heeft. (MHs)
Magere zeugen produceren slecht
Het gewichtsverlies van zeugen tijdens de kraamperiode bepaalt in belangrijke mate het aantal dagen dat verstrijkt tussen het spenen van de biggen en de eerste bronst. Dat interval is weer van invloed op de productie van het dier. Daarom is het belangrijk zeugen in de kraamstal zo goed mogelijk te voeren. Dat concludeert ir Peter Vesseur, die 17 juni promoveerde bij prof. dr Jos Noordhuizen, hoogleraar in de veehouderij. Vesseur voerde zijn onderzoek uit op het Praktijkonderzoek Varkenshouderij in Rosmalen, waar hij werkt als hoofd van de afdeling Reproductie en kwaliteit
Normaal zijn zeugen vier tot vijf dagen na het spenen bronstig. Vesseur zag dat een verlenging van dat interval met enkele dagen zorgde voor maximaal 29 procent minder succesvolle inseminaties en een afname van het aantal biggen met gemiddeld 0,4 tot 0,8 big per worp. Volgens Vesseur valt die afname te verklaren door een slechte synchronisatie van ovulatie en inseminatie. Een aanpassing van de inseminatiestrategie - eerder tijdens de berigheid insemineren - zou de afname kunnen voorkomen
Bij zeugen die pas negentien of meer dagen na het spenen bronstig zijn, zorgt het verlengde interval voor een grotere worp. De promovendus veronderstelt dat deze varkens, die tijdens de zoogperiode lichaamsreserves aanspreken en in een negatieve energiebalans verkeren, dan al enige tijd in een positieve energiebalans verkeren. Dat is gunstig voor de ontwikkeling van de follikels en van de vrucht. Ook de toestand van de baarmoeder is tegen die tijd verbeterd
Vesseur ontdekte dat de energiebalans van de zeug ook valt te verbeteren door de grootste biggen uit een toom reeds na drie in plaats van vier weken te spenen. De melkproductie neemt hierdoor af, waardoor energie beschikbaar komt voor een betere de groei van follikels. Bij zeugen die al minimaal twee keer hebben geworpen, neemt daardoor het percentage succesvolle inseminaties toe van 86 naar 97 procent. (WRe)
Proefdierwerkers allergisch voor rattenurine
Een op de vijf proefdierwerkers heeft allergische klachten tijdens of na het werken met proefdieren. De mate van blootstelling aan allergenen afkomstig van proefdieren is een belangrijke factor bij het ontstaan van proefdierallergie. Bij een hogere blootstelling is ook het risico groter. Zeker bij gevoelige werknemers is die relatie sterk. Zo is een allergie voor huisdieren een belangrijke indicator voor een verhoogde kans op het ontwikkelen van een proefdierallergie. Dit concludeert epidemioloog ir Albert Hollander in zijn proefschrift Laboratory animal allergy. Hij hoopt op 23 juni te promoveren bij prof. ir B. Brunekreef, hoogleraar in de gezondheidsleer, en dr P. Malmberg van het Zweedse National Institute for Working Life
Hollander inventariseerde klachten en nam huidprikken en bloedmonsters bij 540 mensen die met proefdieren werken. Hij ontdekte dat vooral de urine van ratten een allergische reactie oproept. Ook ontwikkelde hij tijdens zijn onderzoek een methode waarmee de blootstelling aan allergenen (het gehalte aan allergenen per liter lucht) zeer nauwkeurig valt te meten. Vooral het aantal dieren en hun activiteit blijkt daarop van invloed. Ook blijkt dat de allergeenconcentratie twee keer zo hoog is op de dag dat de hokken verschoond worden. Het plaatsen van een filterkap geeft een zes keer lagere rattenallergeenconcentratie in de ruimte te zien. Daaruit valt af te leiden dat maatregelen zoals afzuigkappen, minder beesten en vaker verschonen de gezondheidsrisico's van het werken met proefdieren kunnen verminderen. (WRe)
Bacterie is flexibele verwerker van plantafval
In de landbouw en de papierindustrie gaat heel wat plantaardig materiaal verloren in de vorm van schillen, stelen, grassen en houtresten. Wereldwijd zoeken biotechnologen naar microbiele enzymen die dit afval efficient kunnen omzetten in waardevolle producten zoals biogas, ethanol of oplosmiddelen. Dr ir Philippe Schyns, die 9 juni promoveerde bij microbioloog prof. dr Alex Zehnder, onderzocht vijf xylaan-afbrekende enzymen van de bacterie Bacteroides xylanolyticus
Xylaan is een polysuiker en een van de belangrijkste bestanddelen van celwanden. Omdat xylaan bij elke plant net even een andere structuur heeft, moet een xylaan-afbrekende bacterie zich steeds aanpassen. Schyns ontdekte dat B. xylanolyticus, die hij isoleerde uit gistende rundermest, zich goed weet aan te passen aan verschillend plantmateriaal. De bacterie heeft meerdere enzymen om xylaan af te breken en deze worden onafhankelijk van elkaar gereguleerd
Alle vijf de enzymen breken xylaan af, zo merkte de promovendus, maar ze hebben verschillende eindproducten. De eindproducten vormen geen onderdeel van het onderzoek van Schyns, die zich heeft geconcentreerd op de wijze waarop de enzymen in de cel worden gesynthetiseerd en gereguleerd. Het ene enzym wordt aangemaakt onder algemene omstandigheden en is geschikt voor een heleboel plantmateriaal, het andere wordt alleen aangemaakt onder specifieke omstandigheden. (MHs)
Flavonoide aan glucose wordt beter opgenomen
Groenten en fruit zijn gezond, vermoedelijk mede door bepaalde flavonoiden in de planten. Ir Peter Hollman, die 18 juni promoveerde bij prof. dr Jo Hautvast van de vakgroep Humane voeding, vond dat de flavonoide quercetine beter in het bloed wordt opgenomen als die aan een glucosemolecuul vastzit
Quercetine zit in thee, uien, appels en rode wijn. Het is een sterke anti-oxidant, een stof die zuurstofradicalen wegvangt. Quercetine kan zo meewerken aan het voorkomen van chronische ziekten, aangezien zuurstofradicalen weefselschade kunnen veroorzaken. Hollman onderzocht in hoeverre quercetine in uien en appels ook wordt opgenomen in het bloed
De promovendus, die zijn onderzoek deed op het Rijkskwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten (Rikilt-DLO), vond een groot verschil in opname tussen quercetine aan de suiker glucose, quercetine aan de suiker rutinose en vrij quercetine. Negen proefpersonen kregen bij het ontbijt gebakken uien, waarin quercetine vastzit aan glucose. De helft van het quercetine werd teruggevonden in het bloed. De proefpersonen kregen ook quercetine aan rutinose en vrij quercetine. Daarbij werd vaak niet meer dan een kwart teruggevonden in het bloed
Quercetine aan glucose wordt ook sneller opgenomen, zo ontdekte de promovendus. Na de consumptie van uien mat hij al na veertig minuten een quercetine-piek in het bloed. Bij consumptie van appels, waar het quercetine ook aan andere suikers vastzit, mat hij pas na 2,5 uur een piek; bij consumptie van zuiver quercetine aan rutinose na negen uur. Hollman vermoedt dat quercetine aan glucose al in de dunne darm wordt opgenomen. Andere quercetine-complexen worden pas in de dikke darm opgenomen. (MHs)

Re:ageer