Wetenschap - 12 juni 1997

Promoties

Promoties

Promoties
Kennis over zoekgedrag sluipwesp verhoogt betrouwbaarheid biologische bestrijding
De kwaliteitscontrole en selectie van sluipwespen voor de biologische bestrijding kan beter. Een hogere betrouwbaarheid van de biologische bestrijding is noodzakelijk opdat de methode ook in de toekomst kan blijven concurreren met andere bestrijdingsmethoden. Dat stelt ir Bas Suverkropp in het proefschrift Host-finding behaviour of Trichogramma brassicae in maize waarop hij op 10 juni promoveerde bij prof. dr Joop van Lenteren van de vakgroep Entomologie
De sluipwesp Trichogramma brassicae wordt veel ingezet ter bestrijding van de maisstengelboorder, Ostrina nubilalis. De larve van deze mot vreet de stengel van maisplanten aan en is een wereldwijd probleem in de maisteelt. Over het succes van vrijlatingen van de sluipwesp is nog weinig bekend. Suverkropp heeft middels veldonderzoek in Zwitserland een beschrijving gemaakt van het zoekgedrag van de sluipwesp. Hij onderzocht onder andere op wat voor signalen van gastheer en waardplant de sluipwesp reageert en hoe de sluipwesp zich verspreidt in een maisveld. Op grond daarvan heeft hij een model gemaakt om de meest efficiente hoeveelheid uit te zetten sluipwespen te bepalen
Suverkropp eindigt zijn proefschrift met de waarschuwing dat de biologische bestrijding wordt bedreigd door de invoering van genetisch gemanipuleerde mais die resistent is tegen de mot. Hij vreest dat vroeger of later de O. nubilalis resistent wordt tegen de toxine die de gemanipuleerde mais afscheidt. Daarom is het zinnig om in het veld naast de gemanipuleerde maisvarianten, niet-gemanipuleerde planten te zetten. Als er op de lange duur een wijdverbreide resistentie tegen de toxine ontstaat zal de landbouw weer relatief gemakkelijk op de sluipwespen kunnen teruggrijpen. (GDu)
Docenten te weinig betrokken bij ontwikkelen lesprogramma's
Het tegenvallend gebruik van computers in het agrarisch onderwijs kan worden vergroot door meer rekening te houden met de wensen van docenten. Dat stelt ir Chris Blom in zijn proefschrift, waarop hij op 10 juni promoveerde bij prof. dr J. van Bergeijk, hoogleraar onderwijskunde, en prof dr J. Moonen, hoogleraar in de instrumentatietechnologie aan de Universiteit Twente
Blom heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van courseware, lesmateriaal waarin computers gebruikt worden. Volgens Blom is er een groot verschil in de ontwikkeling van zulke lesprogramma's bij de LUW en in de rest van het agrarisch onderwijs. Aan de LUW ontwikkelen docenten zelf hun lespakket, in samenspraak met het Steunpunt educatief computergebruik. In het middelbaar agrarisch onderwijs worden veel lespakketten centraal ontwikkeld voor een groot aantal scholen
Door beter in te spelen op de wensen van individuele docenten kan het computergebruik worden vergroot. Volgens Blom is het goed bij de ontwikkeling van courseware eerst een pakket te ontwikkelen dat speciaal is afgestemd op de wensen van een school. Van daaruit kan lesmateriaal worden ontwikkeld dat geschikt is voor andere scholen. (KVe)
Spuitbussimulator ontrafelt fysische eigenschappen slagroom
De vorming van schuim bij slagroom uit een spuitbus vindt plaats in de gaatjes van het ventiel. De omtrek en lengte van de gaatjes is daarbij een belangrijke factor. Het uiteindelijke volume van de spuitroom wordt bepaald door de hoeveelheid lachgas die in de room is opgelost op het moment dat die het ventiel in stroomt. Dit concludeert ir Marlies Wijnen, die 11 juni promoveerde bij prof. dr Albert Prins, hoogleraar in de fysica en fysische chemie van levensmiddelen met bijzondere aandacht voor de zuivel. De zuivelcooperatie Coberco financierde het onderzoek
Wijnen ontwikkelde een spuitbussimulator om de effecten van allerlei factoren op het schuim te bestuderen. Spuitroom is vergeleken met gewoon geklopte slagroom niet erg stevig. Dat komt doordat de gasbellen niet omringd zijn door een netwerk van vetbolletjes, zoals bij geklopte room. Daardoor vindt makkelijk gastransport plaats naar grotere bellen, zodat spuitroom snel aan stevigheid verliest. Het breken van een vloeistoffilm rond een gasbel komt nauwelijks voor en is dus geen oorzaak van het gebrek aan stevigheid
Om de spuitroom lekker op te kloppen moet zowel de druk in de spuitbus als de oplosbaarheid van lachgas in de room hoog zijn. Die grote oplosbaarheid is echter nadelig voor de stevigheid. Bij een hogere oplosbaarheid krimpen er meer gasbellen omdat er meer gastransport plaatsvindt. De room heeft geen fysische eigenschappen die dit proces van uitzakken kunnen stoppen. Wijnens fysische onderzoek biedt dan ook geen aanknopingspunten om de schuimstabiliteit te verbeteren. Wel kan het helpen de begineigenschappen van het schuim te optimaliseren. (MS)
Resistente plant breekt RNA van het virus af
Planten kunnen resistent worden tegen een plantenvirus als genen van dat virus in hun eigen erfelijke materiaal zijn ingebracht. Ir Titia Sijen, die 12 juni hoopt te promoveren bij moleculair bioloog prof. dr Ab van Kammen, onderzocht het mechanisme van die resistentie in tabaksplanten
In die tabaksplanten zette ze genen van het cowpea mozaiek virus (CPMV). De resistentie blijkt het gevolg te zijn van een mechanisme dat zeer selectief en zeer efficient het transgene boodschapper-RNA afbreekt. Dat transgene boodschapper-RNA wordt geproduceerd door de genen van het virus die in het erfelijk materiaal van de tabaksplant zitten. Binnendringend RNA van het virus, waarvan gedeeltes dezelfde basevolgorde hebben als het RNA dat de virale genen in het erfelijke materiaal in de plant produceren, wordt door ditzelfde mechanisme herkend en afgebroken. Een niet-resistente plant produceert met het virale RNA eiwitten voor het virus. Als dat RNA wordt afgebroken, houdt die productie op en kan het virus zich niet vermenigvuldigen. Dat maakt de plant resistent
Niet alle planten met genen van het virus in hun erfelijke materiaal worden resistent. Planten die meer vreemd boodschapper-RNA in de kern produceerden, waren vaker resistent. Sijen ontdekte dat een veel groter percentage van de planten resistent werd als er twee kopieen van het virale DNA achter elkaar in het erfelijke materiaal van de plant werden gezet
Interessante vraag voor verder onderzoek is volgens Sijen of dit mechanisme, dat tot nu toe alleen nog is waargenomen in genetische gemodificeerde planten, ook optreedt gedurende groei en ontwikkeling van normale planten en wat dan de functie is. Wat de normale functie van dit proces ook moge zijn, het is zeer effectief voor het verkrijgen van resistentie tegen virusinfecties in het laboratorium en daarmee kan het wellicht een zeer bruikbare methode zijn om ook landbouwgewassen te beschermen tegen virusziektes, stelt Sijen. (MS)

Re:ageer