Wetenschap - 29 mei 1997

Promoties

Promoties

Promoties
Duurzame landbouw onvoldoende ondersteund
Door te analyseren hoe boeren in het verleden op het landbouwbeleid hebben gereageerd, heeft dr ir Rene de Bruin van vakgroep Rurale sociologie inzicht verschaft in de interactie tussen agrarische ontwikkeling en het gevoerde landbouwbeleid. Hij concludeert dat boeren vaak succesvoller zijn naarmate ze, in reactie op beleidsveranderingen, vasthouden aan hun eigen koers. De Bruin promoveerde 16 mei bij prof. dr ir Jan Douwe van de Ploeg, hoogleraar in de Rurale sociologie
De Bruin analyseerde de bedrijfseconomische gegevens van honderd Friese melkveebedrijven over een periode van dertig jaar. De promovendus deelde de boeren anno 1970 in vier bedrijfsstijlen in: intensief, schaalvergroting, zuinig en fokkerij. Boeren blijken verschillend in te spelen op de invoering van de superheffing. De helft van de agrariers houdt vast aan de eigen koers; de rest gaat er tussenin zitten. De Bruin ontdekte het inkomen hoger is naarmate boeren duidelijker vasthouden aan hun eigen keus
Als het gaat om een duurzame landbouw hebben de verschillende stijlen verschillende sterkten en zwakheden. De Bruin: Je kan kiezen voor bedrijfseconomische duurzaamheid, natuur en landschap, of milieu en waterbeheer. Binnen elke stijl liggen kansen om bepaalde combinaties van duurzaamheid te realiseren. In de nota Dynamiek en vernieuwing wordt daar nu wel op ingespeeld, maar de ideeen blijven hangen op een politiek niveau. Daardoor worden uiteenlopende kansen voor een duurzame landbouw nog onvoldoende ondersteund. (WRe)
Beschermd vaccin maakt orale vaccinatie vissen mogelijk
Ir Ellen Joosten van de vakgroep Experimentele diermorfologie en celbiologie heeft voldoende aanwijzingen gevonden om aan te nemen dat het immuunsysteem van vissen vergelijkbaar is met dat van zoogdieren. Joosten promoveerde op 22 mei bij prof. dr Wim van Muiswinkel, hoogleraar in de Zoologische celbiologie
Tot nu toe werd aangenomen dat vissen met een algemeen immuunsysteem een type antistof produceren tegen ziekteverwekkers die via het bloed over het lichaam worden verspreid. Joosten zag echter dat vissen, net als zoogdieren, naast een algemeen immuunsysteem ook een lokaal systeem hebben
Naast de toepassing van antibiotica worden vissen in de intensieve visteelt geinjecteerd tegen ziekten of wordt badvaccinatie toegepast. Nadeel van injectie is dat het veel arbeid kost en stress voor de dieren oplevert. Voor badvaccinatie zijn grote hoeveelheden vaccin nodig, wat het gevaar van resistentievorming onder bacterien met zich meebrengt. Een goed alternatief is orale vaccinatie van vissen
Probleem van die methode is dat veel vaccin in het spijsverteringskanaal verloren gaat, voordat het terecht komt in de einddarm, waar lichaamsvreemde stoffen het best worden opgenomen. Dus zocht Joosten naar methoden om het antigeen te beschermen tegen afbraak
Door de vissen te voeren met kreeftjes die verrijkt waren met antigeen, bleek het mogelijk om opname van antigeen in de einddarm te meten. Probleem was dat het vaccineren van vissen tot een leeftijd van een maand niet werkt. Alleen vissen jonger dan twee maanden eten kreeftjes, daarna wordt korrelvoer gegeven. De tweede levensmaand die dus overblijft is te kort om vissen goed te vaccineren
Om orale vaccinatie in oudere vissen mogelijk te maken stopte Joosten het antigeen in alginaten, micropartikels uit algen. Ze verwerkte die in regulier visvoer. De alginaten bleken het antigeen te beschermen tegen verteringsenzymen in de zure omgeving van het spijsverteringsorgaan. In het minder zure milieu van de einddarm kleven ze vast aan de darmwand en geven ze het antigeen af
Naast een algemeen immunologisch geheugen voor het toegediende antigeen, aangetoond in het bloed, kon Joosten in de darm en de kieuwen specifieke antilichaamproducerende cellen aantonen. Orale vaccinatie met micropartikels is volgens haar dan ook een veelbelovende methode tegen ziekten in vissen, omdat naast een algemeen geheugen ook een lokale afweerreactie wordt geinduceerd. (WRe)
Sluipwespen leren door ervaring
Specialistische sluipwespen hoeven niet te leren bij welke gastheer en waardplant zij het beste hun eitjes kunnen leggen. Minder kieskeurige sluipwespen leren gedurende hun leven wel de meest aantrekkelijke gastheren uit te zoeken. Dat blijkt uit het onderzoek waarop dr Jacqueline Geervliet 21 mei promoveerde
Sluipwespen leven gedurende het larvestadium in of op het lichaam van een gastheer, meestal een insect. Geervliet onderzocht hoe de sluipwespen hun gastheren uitzoeken. Zij vergeleek daarvoor de generalist Cotesia glomerata, die de eitjes afzet in verschillende rupsensoorten, met de sluipwesp Cotesia rubecula, die slechts een soort rups als gastheer accepteert. In een eerste experiment vond Geervliet dat de sluipwespen voor de langeafstandscoordinatie voornamelijk gebruik maken van chemische informatie van de planten waarop de rupsen zich bevinden. Die informatie bestaat uit stoffen die de plant uitscheidt als deze is aangevreten door rupsen. Het maakt beide sluipwespsoorten niet veel uit door wat voor rups de planten zijn aangevreten
Het volgende experiment onderzocht het moment waarop de sluipwespen de plant zijn genaderd. Dan blijkt dat de generalist in eerste instantie minder kieskeurig is maar door ervaring leert welke soort rups de meest geschikte is. Bij analyses van chemische mengsels die het rups-waardplantcomplex afgeeft, blijkt geen duidelijk verschil te meten zijn. Volgens Geervliet moet de sluipwesp Cotesia glomerata dus in staat zijn om zeer subtiele verschillen in chemische informatie te onderscheiden. Bij de specialist werden geen leereffecten waargenomen. (GDu)
Nematoden fungeren als indicator voor vervuiling
Nematoden kunnen een geschikte indicator zijn voor verontreinigingen in de bodem. De veranderingen in de samenstelling van nematodengemeenschappen zijn een indicatie voor de aard en omvang van de verontreiniging. Dat stelt dr Gerard Korthals in zijn proefschrift Pollutant changes in terrestrial nematode communities, waarop hij op 26 mei promoveerde
Korthals heeft onderzocht wat de effecten zijn op nematoden-gemeenschappen als deze worden blootgesteld aan cadmium, koper, nikkel en zink en combinaties van deze metalen. Nematoden zijn te onderscheiden naar voedselkeuze en levensstrategie. Korthals onderzocht of er onder invloed van de metalen verschuivingen in deze groepen optreden binnen de gemeenschap. Bij toenemende concentraties koper, nikkel en zink vond hij inderdaad verschuivingen, bij cadmium niet. Zo bleek bijvoorbeeld dat het aantal carnivoren en omnivoren bij lage concentraties al duidelijk afnam
In veldproeven onderzocht Korthals de langetermijneffecten van de verontreinigingen. De invloed van metalen op de nematodengemeenschap bleek sterk afhankelijk van de aan- of afwezigheid van vegetatie. Bij aanwezigheid van vegetatie is de invloed van de verontreiniging veel kleiner dan wanneer er geen vegetatie is. Korthals pleit er dan ook voor om ecotoxicologische studies naar nematoden altijd in de aanwezigheid van vegetatie uit te voeren, omdat dit de veldsituatie het best benadert. (GDu)

Re:ageer