Wetenschap - 19 december 1996

Proefslootjes

Proefslootjes

Het Gerei

Tijdens het practicum Ecotoxicologie leren studenten te bepalen hoe giftig toxische stoffen, bijvoorbeeld insecticiden, zijn voor het leven in sloten. In proefslootjes bootsen ze de effecten van sproeien met landbouwgif na.


In een beschut hoekje op De Dreijen zijn acht rechthoekige vijvertjes ingegraven, een bij drie meter groot. Het zijn de proefslootjes voor het practicum Ecotoxicologie. Naast een van de bakken staat een plastic reiger in de grond geplant. Het slootwater is helder. Op het oppervlak springen een paar insecten heen en weer; onder water hebben zich slakken en bloedzuigers aan de wanden vastgehecht.

Soms duiken er salamanders op in de slootjes, vertelt Tinka Murk van de vakgroep Toxicologie, de docent die het practicum begeleidt. Als dat gebeurt, doet het betreffende slootje niet meer mee in het practicum."

Het zwaartepunt van het practicum Ecotoxicologie is niet echt de ecologie", vervolgt Murk. Dat is meer het terrein van de vakgroep Waterkwaliteit en aquatische oecologie. We hebben een keer samen met die vakgroep een practicum gegeven. Zij onderzochten vooral de waterkwaliteit, bijvoorbeeld door zuurstofmetingen; wij deden de toxiciteit. Zo'n combinatiepracticum zou ik best vaker willen geven."

In maart verdelen de toxicologen het water uit de slootjes en de plantjes opnieuw. Zo bevatten de slootjes bij de start van het practicum zoveel mogelijk dezelfde waterkwaliteit en organismen. Het practicum duurt twee weken, eind mei of begin juni. De slootjes worden dan door een schot in tweeen verdeeld. Murk: Een helft stellen we bloot aan een reele dosis van een bestrijdingsmiddel, de andere helft krijgt niets. De concentratie in de acht slootjes loopt licht uiteen. We kijken wat er gebeurt na een uur, na 24 uur en na 48 uur."

Bij het besproeien sneuvelen vooral de beestjes die lucht moeten happen. Die moeten door de giftige laag heen. Je ziet het ook aan de schaatsenrijders, insecten die over het wateroppervlak lopen. Die gaan direct na het sproeien rare sprongen maken."

Na een uur nemen de studenten op verschillende dieptes watermonsters, om te kijken hoe snel het middel zich verspreidt. Die monsters worden op twee manieren getest. Bij de watervlooientest kijken we naar sterfte en gedragsveranderingen. En bij de microtox stellen we speciale bacterien bloot aan verschillende concentraties van het monster. Als ze gezond zijn, geven ze licht; hoe misselijker ze worden, hoe minder licht ze geven."

De studenten kijken ook naar beestjes die op de waterbodem leven, bijvoorbeeld waterpissebedden. Die moeten ze determineren. De levende beestjes gaan weer terug naar de sloot. Maar er zitten ook lijkjes bij, zeker in het begin. Slachtoffers van het sproeien. Ze dienen als voedsel voor bijvoorbeeld platwormen. Die zijn minder gevoelig voor het gif."

Met een plastic buis van een halve decimeter doorsnede steken de studenten op een paar plaatsen een watermonster. Dat water gaat door een zeef; de studenten moeten het zooplankton dat erin zit determineren onder de microscoop.

Voor de blootstelling vissen we met een netje naar de vrijzwemmende macro-fauna. Aan het einde van de proef kijken we weer naar deze beestjes. Je ziet dat vooral de dieren die moeten ademen, weg zijn. Dat is wel zielig, voor sommige studenten is het echt schokkend. Bijvoorbeeld die springende schaatsenrijders. Maar dat gebeurt in de boerenpraktijk ook; als je producten koopt uit de gangbare landbouw, doe je daaraan gewoon mee."

Voor studenten is het soms frusterend dat ze de omstandigheden van het practicum niet in de hand hebben. In het lab kun je bijvoorbeeld het dag- en nachtritme beinvloeden. Buiten heeft het weer soms meer invloed dan het bestrijdingsmiddel. Als je van vijftien graden snel overgaat naar een hittegolf, verandert in een keer de samenstelling van de sloot. Insecten vliegen uit; watervlooien gaan dieper zitten, waar het water koeler is. Het enige houvast is dat het weer ook invloed heeft op de controlehelft."

Murk gebruikt een bestrijdingsmiddel dat snel door zonlicht en bacterien wordt afgebroken. Een a twee weken na het practicum zijn de stoffen weg. Dan verwijderen we het schot, zodat de organismen in de schone helft weer de belaste helft kunnen koloniseren. De laatste paar keer gebruikten we het insecticide Deltametrine. Dat is niet zo giftig voor mensen. Want hoewel we natuurlijk de studenten goed beschermen - ze dragen lange handschoenen als ze met het middel in aanraking kunnen komen - nemen we geen enkel risico. Ik wil ook eens een herbicide gebruiken, vooral omdat het gebruik van insecticiden steeds minder wordt, terwijl de koppelverkoop van herbiciden en resistente planten juist toeneemt."

Re:ageer