Wetenschap - 26 maart 1998

Podium

Podium

Podium
De oligarchisering van onderwijs en onderzoek
De vorm en werkwijze van het nieuwe KCW beginnen zich langzamerhand af te tekenen. De aanleiding was de nota Peper, die een specifieke ratio in zich droeg. In het kabinetsbesluit dat daarna volgde werden de hoofdlijnen van Peper opnieuw bevestigd: de landbouwwetenschappen dienden zich veel meer te orienteren op de grote en brandende kwesties in en rond de sector. Daarnaast dienden de versplintering, verdubbeling en tegenwerking die DLO en LUW tezamen vertegenwoordigden, plaats te maken voor een meer rationele arbeidsdeling en cooperatie. Tot zover geen probleem, integendeel. Het intrigerende is evenwel dat zich achter deze intenties een geheel ander proces lijkt te voltrekken - een proces met uitkomsten die haaks staan op de oorspronkelijke intenties
Een gedachte die steeds hardnekkiger wordt, betreft de vorming van divisies, waarin het personeel van DLO-instellingen en daarmee corresponderende LUW-departementen wordt samengevoegd tot een arbeidspool. De zogeheten schotten worden daarbij opgetrokken. Deze pool vertegenwoordigt het aanbod. Zo heet dat in de nieuwe taal die lijkt te horen bij de KCW-vorming. Daarnaast is er de vraagzijde. Die is meerledig van aard. Ze omvat de vraag naar onderwijs en naar toegepast, strategisch en fundamenteel onderzoek. Die vraag wordt gearticuleerd door onderwijsinstituten, door maatschappelijke instellingen die voor onderzoek kunnen betalen, door NWO, et cetera
Nu kan de ontmoeting en wederzijdse afstemming van vraag en aanbod, zo weet elke student in de sociale en economische wetenschappen, tal van vormen aannemen. De markt is een van de mogelijke coordinatiemechanismen. Echter, ook een markt kan op uiteenlopende manieren worden gestructureerd. Op zich pleit er ook wel iets voor het idee om universiteit en toegepast onderzoek volgens de fictie van een interne markt te organiseren. Het kan een zinnige correctie inhouden op het eindeloze gepalaver, de niet te rechtvaardigen verspillingen en de exotische uitwassen die niet meer weg te branden zijn
Binnen KCW wordt echter voor een merkwaardige vorm van marktwerking gekozen. Want wat moet vraag en aanbod bij elkaar brengen? Niet het beroemde vrije spel van marktkrachten, maar de macht en positie van een aantal baronnen. Anders kan ik het niet noemen
Tussen vraag en aanbod wordt een aantal programma's gesitueerd. Bijvoorbeeld een programma voor onderwijs. En een ander programma voor toegepast onderzoek. Elk programma kent een directeur. Deze directeur ontvangt de vragen en kiest vervolgens uit de pool degenen die het werk moeten doen. Hij (ik zie nog geen zij) kiest daartoe de besten. Daarnaast hebben de directeuren zitting in de directieraad die de pool bestiert. De ontmoeting van vraag en aanbod verloopt m.a.w. niet via veelvormige en fijnmazige netwerken. Ze wordt juist in sterke mate gecentraliseerd. En precies dat draagt het gevaar van oligarchie-vorming in zich. Vanuit een kleine groep wordt om te beginnen bepaald welke vragen ontvankelijk worden geacht en hoe deze vragen moeten worden geinterpreteerd. Op de tweede plaats koppelt deze groep van directeuren de vraag aan het door hen te selecteren aanbod. En op de derde plaats controleren zij, via de directieraad, ook nog eens het aanbod als zodanig. Zo kan zo'n groep, hoe intelligent, verlicht en/of liberaal ze ook mag zijn samengesteld, niets anders dan functioneren als oligarchie. Of, als men wil, als nomenklatura
De merkwaardige vorm van marktwerking waarvoor het KCW lijkt te gaan kiezen, is gebaseerd op systematische vergissingen. Ik stip enkele punten aan
Wetenschap laat zich niet ordenen op een schaal die simpelweg van slecht naar goed loopt. Wetenschap is een verzameling van uiteenlopende, elk voor zich goed gefundeerde gezichtspunten. Soms vloeien die samen, dan weer is er sprake van distantie en kritiek. Wetenschap is expertise en contra-expertise. Wat vandaag contra-expertise is, is morgen expertise en andersom. Dat heeft alles te maken met dominantieverhoudingen en met verschuivingen daarin. In Rusland viel het communisme, hier krijgen we een nomenklatura terug. Straks zal die weer sneven, maar het is essentieel dat ondertussen de wetenschap als pluralistisch geheel wordt gehandhaafd. Precies daar ligt mijn zorg. De nomenklatura of oligarchie die wij ons hier creeren kan, zoals hiervoor betoogd, niet anders dan vrij rechtlijnige ideeen hanteren over goede en slechte wetenschappers. Ideeen die dreigen samen te vallen met wat op de korte termijn goed verkoopt. Dat is fnuikend voor een universiteit
Een tweede probleem betreft de verhouding tussen centrum en periferie. Onder de nieuwe verhoudingen gaat de koopkrachtige vraag het wetenschappelijke centrum definieren. Dit centrum wordt versterkt, de periferie wordt verder naar de marge geschoven. Ik denk dat in ieder geval een deel van het landbouwdrama dat we thans meemaken, teruggaat op de centrum-periferie verhoudingen in het landbouwkennissysteem van de jaren '60 tot en met '80. Vernieuwingen ontspruiten vaak aan de periferie - aan datgene wat aanvankelijk contra-expertise is. Dat is zo in de landbouw, het geldt a fortiori in de landbouwwetenschap. Het baronnen-mechanisme dat ik hiervoor schetste kan niets dan averechts uitpakken. Het versterkt het centrum, terwijl een vernieuwende periferie verder zal worden gemarginaliseerd. Met deze aanpak leggen we de basis voor een volgende drama
Daar komt een subtiel verschil bij, dat moeilijk is te duiden maar dat je overal om je heen voelt. In bepaalde stijlen van wetenschapsbeoefening is sprake van geduldig investeren. Men weet dat de kosten voor de baat uitgaan, ook in internationaal verband. Wie uit is op gemakkelijk geld redt het niet. Ik laat me niet verleiden tot zwart-wit schema's die betrekking hebben op de vraag waar welke stijl wordt gehanteerd. Maar een ieder voelt aan z'n water dat de vorm van marktwerking waar KCW nu voor kiest, in dit opzicht zeer wel verkeerde effecten kan bewerkstelligen. Zo wordt de LUW deel van, in plaats van de uitzondering in een wereld waarin de opdracht, als ze eenmaal binnen is gehaald, zo gladjes en zo goedkoop mogelijk wordt afgerond
Ik ben bang dat de afkorting KCW binnen de kortste keren staat voor Koop Conformistische Wetenschap. Intern wordt het de dood in de pot, extern staan we over een aantal jaren te kijk als onnozelo's, die onvoldoende hebben vernieuwd. Ik wordt gesterkt in die angst door de vreemde verhouding tussen de Strategische Visie en het alledaagse (markt-)gebeuren. Je zou mogen verwachten dat een strategische visie wordt gehanteerd om de ontsporingen van de interne markt te corrigeren. Ik merk er niks van
Ben ik te pessimistisch als het gaat om de toekomstige rol van de baronnen? Ik denk het niet. De inzet van DLO draait, zo zal blijken als straks de details openbaar worden, om het verdelingsvraagstuk. Wie krijgt welk stuk van de markt die inmiddels is opgetuigd. Exact die achtergrond maakt van de directeuren van straks baronnen. Ironisch genoeg ook als het om LUW-baronnen gaat
De creatie van arbeidspools en de daarna volgende marktwerking zal een abject effect hebben op de generatie jonge onderzoekers van nu. Allemaal aangenomen op tijdelijke contracten of - erger nog - geparkeerd bij arbeidsbureaus, maken ze geen enkele kans in het institutionele geweld van de nieuwe marktwerking. Het worden per definitie outsiders, ook al komt een groot deel van de vernieuwing en verrijking van de laatste jaren bij uitstek van hun kant. In hun geval slaat de marginalisatie van de periferie nu al toe
Ik heb in een eerder stadium volop meegepraat over de voorstellen tot verandering die uiteindelijk hun neerslag kregen in de nota-Peper. De hiervoor geformuleerde kritiek vindt haar inspiratie beslist niet in de wens om alles bij het oude te laten. Er was en is te veel dat niet deugt. Maar wat zich nu voltrekt is iets totaal anders. De rector heeft tijdens de dies benadrukt dat we de traditie van de academie in de klassieke zin van het woord moeten verdedigen. De veranderingen die zich nu voltrekken, geven aan dat verandering niet automatisch verbetering betekent. Het is tijd dat we onze academische verantwoordelijkheid serieus nemen
Wegwerpzeugen (2)
In zijn commentaar naar aanleiding van de diesrede maakt collega Brascamp een klassieke fout. Tegenover een tendens die speelt in een deel van de sector, plaatst hij gemiddelde cijfers die betrekking hebben op het geheel. In situaties evenwel, die gekenschetst worden door een sterke divergentie (zoals het geval is in de hedendaagse melkveehouderij, varkenshouderij, et cetera), is zo'n gemiddelde helemaal niet meer maatgevend. Gemiddelde cijfers over de vervangingsgraad en over het aantal biggen/zeug/jaar sluiten helemaal niet uit dat zich in een deel van de varkenshouderijsector, zoals ik uitdrukkelijk heb betoogd, een tendens naar de creatie van wegwerpdieren voordoet
Dat is een. Punt twee betreft de feiten. Ik weet niet of collega Brascamp van mening is of de LEI-dataverzameling, DELAR-gegevens, de datasets van AVM/CCLB en ga zo maar door betrekking hebben op feiten of niet. Hoe het ook zij, uit analyses van die databestanden blijkt dat de gesignaleerde tendens naar een verkorting van de productieve periode terwille van een maximalisatie van de productie per stalplaats zich wel degelijk voordoet. Dat blijkt in synchroon en ook in diachroon opzicht. Laat me volstaan met een verwijzing. In 1985 bedroeg op de wat kleinere en meer extensieve melkveehouderijbedrijven de gemiddelde uitstoot van melkkoeien 29 procent. Op de grotere en intensieve bedrijven was dit 39 procent. Dat geeft al aan hoe weinig een gemiddelde (M=34; s=12) zegt. Gaat men vijf jaar verder in de tijd dan is de gemiddelde uitstoot weliswaar gelijk gebleven, doch de standaardafwijking rond dat gemiddelde steeg van 12 tot 15 procent. Dat verwijst naar een groeiende divergentie. Overigens hebben we hier veel over gepubliceerd. Het thema is ook het object van een proefschrift geweest
Brascamp verwijst met name naar TEA, een datasysteem dat betrekking heeft op varkens. Ook wat dat betreft kan ik collega Brascamp geruststellen. Met TEA hebben we veel gerekend. Soms alleen, soms met deskundigen van het IKC. Sterker nog: er is bijna sprake van een traditie. De sociologen Mok en Van den Tillaart begonnen daar al vroeg in de jaren '80 mee (toen nog met een van de voorlopers van TEA, nl. met de CVP- data). Jos Verstegen heeft daar in een recent proefschrift weer op voortgebouwd. Met de feiten, beste Brascamp, zit het wel goed
Wellicht is het tijd dat we weer eens een goed gezamenlijk onderzoeksprogramma opzetten?

Re:ageer