Wetenschap - 19 maart 1998

Podium

Podium

Podium
Dies en wegwerpzeugen
De dag van de dies van de Landbouwuniversiteit was ik mee met de jaarlijkse tweedaagse binnenlandse excursie van studenten Zootechniek. Vrijdagmiddag bezochten we een melkveehouder aan de Lek. Een vakman, die de wens ecologisch bezig te zijn combineert met een fijne neus voor markt en maatschappij. Heel leerzaam
Tengevolge hiervan was ik niet aanwezig bij het uitspreken van de diesrede en moest ik van de inhoud kennisnemen via het WUB. Was ik er wel geweest dan zou ik met kromme tenen in de aula hebben gezeten. Niet vanwege de door Van der Ploeg geschetste relatie tussen de in gang zijnde landhervorming in Zuid-Afrika en de over enige jaren noodzakelijke landhervorming in Nederland. Die gedachtengang beschouw ik als een intellectuele uitdaging. Ik zou daar met genoegen naar hebben geluisterd
De kromme tenen horen bij de door Van der Ploeg voor het voetlicht gebrachte wegwerpdieren. Hij schetst daarmee een sfeer rondom veehouderij en veehouder die niet in overeenstemming is met de feiten. De gemiddelde levensduur van melkkoeien bijvoorbeeld is de laatste tientallen jaren in Nederland niet noemenswaardig veranderd. De melkproductie per koe is daarentegen ongeveer verdubbeld. Het aantal verbruikte dieren (om Van der Ploegs jargon te gebruiken) per eenheid product is daarmee helemaal niet groter geworden. Integendeel
Van der Ploeg richt zijn pijlen in het bijzonder op de zeugenhouderij. Daar zou sprake zijn van zeugenhouders die de biggenproductie per stalplaats eenzijdig willen maximaliseren, wat leidt tot een lagere biggenproductie gerekend over de totale levensduur van de zeug. Een tamelijk ongenuanceerde visie op de doelstellingen van een zeugenhouder. Ik heb de jaarcijfers voor me liggen van TEA (Technische Economische Administratie zeugenhouderij) van 1982 tot 1995. Die van 1996 heb ik niet bij de hand, al zullen die er wel zijn. Het gaat in 1982 om 1710 zeugenhouderijbedrijven met gemiddeld 110 zeugen en in 1995 om 838 bedrijven met gemiddeld 168 zeugen. De vermindering van het aantal bedrijven en de vergroting van de gemiddelde omvang sluit aan bij landelijke trends
Kijk je naar het vervangingspercentage bij zeugen dan blijkt dat dit in bijna vijftien jaar niet is veranderd. Als er al sprake is van een verandering dan is er sprake van een daling (van 45 procent naar 42 procent), wat betekent dat zeugen langer meegingen. In diezelfde periode steeg het aantal worpen per zeug per jaar van 2,04 naar 2,28 en het aantal grootgebrachte biggen per zeug per worp van 8,5 naar 9,5. De biggenproductie gerekend over het leven van een zeug is dus aanmerkelijk toegenomen en in het geheel niet gedaald zoals Van der Ploeg suggereert
Het kan zijn dat hij zijn feiten ontleent aan het interessante onderzoek van Monica Commandeur. Dit betreft 23 zeugenhouderijbedrijven die verdeeld zijn over vier bedrijfsstijlen: ondernemers, vaklieden, overlevers en hoeders. Los van de interpretatie van de daarin vermelde resultaten lijkt het me niet op zijn plaats met gegevens van 23 bedrijven een visie te onderbouwen. Op basis van zo'n aantal is hoogstens hypothesevorming op zijn plaats
Er worden regelmatig dingen gezegd en geschreven waar ik op zou kunnen reageren. Ik maak daar geen gewoonte van. Het gaat hier echter om onze meest spraakmakende hoogleraar die een diesrede uitspreekt. Je mag dan visie verwachten gebaseerd op juiste feiten. Van dat laatste was in elk geval geen sprake

Re:ageer