Wetenschap - 8 december 2016

Paraatheid in het lab

tekst:
Yvonne de Hilster

De uitbraak van vogelgriep in Nederland betekent extra werk voor de medewerkers van Wageningen Bioveterinary Research. Ze draaien nu crisisdienst in het streng beveiligde laboratorium waar monsters van dode en verdachte dieren worden onderzocht.

Foto's: Koen van Weel, Bioveterinary Research en ANP

Samen met drie collega’s bekeek Eefke Weesendorp, afdelingshoofd diagnostiek en crisisorganisatie bij Wageningen Bioveterinary Research (voorheen CVI), op vrijdagavond 18 november de uitslagen van routinetesten op watervogels. Ze schrok. ‘Van de meeste diagnostische testen zijn de uitslagen negatief. Maar nu zag ik één bundel van positieve signalen: vogelgriep.’

Een uur later, nadat alle testresultaten gekoppeld waren aan de binnengebrachte monsters, bleek dat alleen wilde fauna besmet was met vogelgriep van het type H5 (zie kader). Het geteste commerciële pluimvee had de ziekte nog niet; de crisisdraaiboeken hoefden nog niet in werking te treden. In de nacht van 25 op 26 november ging het echter alsnog mis. Weesendorps collega’s troffen een vogelgriepvirus van het type H5 aan in monsters genomen op een eendenfokkerij. Die zaterdag werd het betreffende bedrijf in Biddinghuizen geruimd, evenals enkele gerelateerde en omliggende pluimveebedrijven. De nieuwste uitbraak van vogelgriep in Nederland was een feit.

Altijd paraat

Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad is altijd op uitbraken van dierziekten voorbereid, vertelt Weesendorp. Het is te vergelijken met brandweerlieden in de kazerne die hopen dat er nergens brand uitbreekt en er niemand gered hoeft te worden, maar wel altijd paraat zijn. Apparatuur en voorraden zijn te allen tijde op orde, de mensen zijn getraind en iedereen kent zijn taken. ‘Ons algemene doel als crisisorganisatie is snelle diagnostiek leveren zodat de overheid en de veeteeltsector snel kunnen ingrijpen om verdere verspreiding van ziektes te voorkomen. Daar is alles op gericht.’

‘Wij leveren snelle diagnostiek zodat de overheid en de sector snel kunnen ingrijpen’

Economische Zaken (EZ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Zij werken met vier fasen: normaal, aandacht, crisis en afbouw. In ‘vredestijd’, als er geen signalen van dierziekten zijn, hebben bij WBVR iedere dag zes personen pieperdienst. ‘Soms krijg je ’s avonds een bericht van een verdenking en zit je vervolgens tot 6 uur ’s ochtends op het lab’, vertelt Weesendorp. ‘Terwijl je agenda die dag gewoon vol zit met afspraken. Maar in je dienstweek weet je dat dit kan gebeuren.’ In diezelfde vredestijd worden de draaiboeken voor crisis voortdurend up-to-date gehouden.

Opschalen

De aandachtfase gaat in bij een uitbraak van een aangifteplichtige dierziekte in een buurland of als het aantal ontdekkingen van de dierziekte bij wilde dieren oploopt en daarmee de dreiging voor de commerciële sector in Nederland toeneemt. Eric de Kluijver, projectleider crisisorganisatie, loopt dan voor de zekerheid alle draaiboeken nogmaals door. Ook seint hij toeleveranciers en extra personeel in, zodat zij zich kunnen voorbereiden op een crisis. ‘We moeten altijd direct kunnen opschalen. Om te zorgen dat er binnen Wageningen Bioveterinary Research voldoende mensen zijn die bij een crisis de benodigde testen uit kunnen voeren, verzorgen we jaarlijks trainingen. Daarbij worden de sleutelfiguren getraind voor hun rol tijdens de crisis. Alles is ook vastgelegd, van de precieze testen en hun verwachtte doorlooptijd tot de taken van de leden van het crisisteam.’

18-ACH-onderzoekers.JPG
18-ACH-Bioveterinary Research.JPG

De crisisfase begint als er een uitbraak op een commercieel bedrijf is geconstateerd – wat op zaterdag 26 november dus het geval was. WBVR vormt dan twee crisisteams : een ‘intern’ team in het laboratorium en een ‘extern’ team dat contact heeft met onder meer beleidsmakers, onderzoekers en epidemiologen. De Kluijver: ‘Als het aantal samples dat we moeten testen heel groot wordt, gaan we over op een meer gerobotiseerde manier van testen.’ Indien nodig kunnen ook collega’s van andere onderdelen van Wageningen University & Research bijspringen.

Dynamisch

Het is even hard werken in de periode voor de opstart van de crisisteams, maar daarna wordt de crisiswerkwijze min of meer normaal, vertellen Weesendorp en De Kluijver. Wel blijft het belangrijk om tussendoor pauzes in te bouwen, zegt De Kluijver. ‘Als je op het moment dat het heel druk wordt gaat hollen, blijf je hollen. Terwijl het druk blijft, of je nou harder loopt of niet. Neem je geen pauzes, dan loop het je het risico fouten te maken en jezelf voorbij te rennen.’

18-ACH-Bioveterinary Research (2).JPG

Weesendorp herinnert zich goed de uitbraak van vogelgriep in 2014. ‘Het was destijds heel intensief, maar we hebben geweldig teamwerk geleverd.’ Ze vindt haar werk in de diagnostiek ook leuker dan toen ze nog ‘gewoon’ onderzoeker was. ‘Het is veel dynamischer, geen dag is hetzelfde. Het resultaat is bovendien veel tastbaarder. Want je hebt toch het idee dat je echt iets voor de Nederlandse veehouderij doet.’

Straks, als het gevaar voor de veehouderij weer is geweken en deze vogelgriep crisis voorbij is, schakelt Bioveterinary Research terug naar de fase ‘afbouw’. Dan resten evaluaties en archivering, en wordt bepaald of er aanvullend onderzoek nodig is naar de achtergronden van deze epidemie.


Bepaling van H- en N-type

Aviaire influenza ofwel vogelgriep is er in verschillende soorten, aangeduid met H- en N-typen. De H en de N staan voor oppervlakte-eiwitten van het virus. In totaal zijn er 16 H-typen en 9 N-typen. Een deel van de virussen is hoogpathogeen (zeer besmettelijk), andere zijn laagpathogeen. Het type H5N8, dat nu in Nederland heerst, is zeer besmettelijk voor wilde vogels en pluimvee.

Medewerkers van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) testen voortdurend wilde vogels en pluimvee op de aanwezigheid van vogelgriep. Dat doen ze in laboratoria die om veiligheidsredenen volledig afgesloten zijn voor buitenstaanders. Koeriers brengen de te onderzoeken dode dieren (wilde fauna) en samples van levende dieren naar het serviceloket van WBVR in Lelystad. Hun komst wordt vooraf gemeld door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Alles is volgens strenge eisen verpakt en gelabeld en ieder sample wordt in het labinformatiesysteem ingevoerd. In het lab wordt in de monsters gezocht naar erfelijk materiaal (RNA) van virussen. Testen die aantonen of er sprake is van H5 of H7 (hoogpathogene vogelgriepvirussen) duren 6 uur. Bepaling van het N-type kost nog eens minimaal 36 uur.

Bioveterinary Research werkt in opdracht van het ministerie van EZ en mag geen uitspraken doen over het aantal testen dat het uitvoert.



Re:ageer