Wetenschap - 14 mei 1998

Op jacht naar de wortels van de bakbanaan

Op jacht naar de wortels van de bakbanaan

Op jacht naar de wortels van de bakbanaan
Afrikaanse namen helpen de plantain te traceren
Gerda Rossel balanceerde op boomstammen die als brug over diepe ravijnen waren gelegd, op zoek naar bakbanaanvarieteiten in de regenwouden van Afrika. Haar promotieonderzoek naar de verspreiding van de bakbanaan, de plantain, kan plantenveredelaars helpen het gewas resistenter te maken tegen ziekten en plagen
De appendix van het proefschrift van dr ing Gerda Rossel, een taxonomisch-linguistische studie naar bakbananen in Afrika, vormt een bron van vermaak. Zo vond Rossel in oostelijk Kameroen de mundeledinga, de nek van de blanke. In Nigeria krijgen de verschillende varieteiten veelal een pikante naam, zoals de ibi egbuba, de borsten van een jong meisje. Soms zegt de naam van een varieteit iets over de tijd waarin deze is ontstaan. Zo is er in Tanzania de dessertbanaan uhuru, vrijheid, die stamt uit de tijd waarin Tanzania onafhankelijk werd. Voor Rossel, die 21 april promoveerde bij de Wageningse taxonoom prof. dr ir Jos van der Maesen en de Leidse hoogleraar Afrikaanse taalkunde dr Thilo Schadeberg, boden de lokale namen voor bakbananen onmisbare informatie
In de regenwouden van Centraal- en West-Afrika zijn bakbananen een belangrijk voedselgewas. Wanneer het gewas in Afrika is geintroduceerd en hoe het zich heeft verspreid, was tot voor kort echter onbekend. Er waren wel theorieen, maar geen bewijzen. Inzicht in de voorgeschiedenis van de meer dan honderdtwintig Afrikaanse varieteiten is echter belangrijk voor plantenveredelaars. Veredeling van de bakbanaan is dringend gewenst omdat het gewas wordt bedreigd door ziekten en plagen. Het laat echter zich lastig veredelen omdat de plant steriel is. De bakbanaan kan daarom alleen klonaal vermeerderd worden. Het werk van Rossel helpt veredelaars misschien op weg
Rossel studeerde in 1971 af aan de Rijks Hogere School voor Tropische Landbouw in Deventer. Daarna werkte ze onder meer als assistent-deskundige voor de FAO in Gabon. Om haar promotieonderzoek te kunnen uitvoeren studeerde ze Afrikaanse taalkunde in Leiden. Kennis van de Afrikaanse talen was nodig omdat de verspreiding van de namen van de bananen een belangrijke indicatie is voor de verspreiding van het gewas
Monnikenwerk
Het in kaart brengen van de verschillende varieteiten was een monnikenwerk. Niet in het minst omdat een varieteit onder verschillende groeiomstandigheden een heel verschillend uiterlijk kan aannemen. Goed kijken. Heel veel rondlopen, met heel veel mensen praten, zo vat Rossel haar aanpak samen. Het leverde een gigantische database op. Agrarisch inzicht hielp haar te begrijpen welke varieteiten zich in welk gebied goed konden handhaven
Rossel deed veldwerk in Nigeria, Kameroen, Gabon, Congo en een groot deel van Oost-Afrika. Bakbananen worden veelal diep in de regenwouden verbouwd, op kilometers loopafstand van het dorp. Het zijn velden waar het bos net is gekapt en de grond dus nog heel vruchtbaar is, legt Rossel uit. Ze moest soms diepe ravijnen oversteken waarover slechts een boomstam was gelegd. Doodeng, maar ze deed het wel. Dan loop je op zo'n plantage en de hele tijd denk je eraan dat je ook nog terug moet, weer over die boomstam.
In Afrika kappen mannen meestal de velden, maar vrouwen verbouwen de bananen, wieden en oogsten. Daarom sprak Rossel veel met boerinnen. Van de lokale bevolking kreeg ze alle medewerking. Ze zijn wel gewend aan Europeanen die rare vragen stellen. Ik vertelde altijd dat ik een woordenboek ging maken, zodat ze de namen voor de verschillende varieteiten konden uitwisselen. Dat begrepen ze, want binnen een dorp zijn er vaak al verschillende taalgroepen. De dorpelingen vertelden elkaar doorgaans snel wat de blanke vrouw wilde weten. Dan kwamen ze naar me toe om te vertellen over een bijzondere varieteit en mocht ik mee naar het veld.
Soms had Rossel veel geluk. Zo hoorde ze in Gabon over een bijzondere varieteit die diep in de Fernan Vaz-lagune wordt verbouwd. Het was onmogelijk om er te komen. Op een dag stond ze op een vliegveld te wachten op een toestel van Air Gabon dat haar naar de hoofdstad zou brengen. Het vliegtuig kwam niet. Wel landde er een prive-toestel van een rijke bankier. Rossel vroeg hem om een lift. Maar ik ga niet naar de hoofdstad, zei de bankier. Toch ging Rossel mee. De bankier zette haar af in Port Gentil, een centrum voor de off shore olie-industrie. Daar hoorde ze dat een boot van een Nederlands bedrijf de lagune in zou trekken. Rossel werd afgezet in een dorpje en vond de bijzondere varieteit
Portugezen
De bakbanaan is waarschijnlijk via zuidelijk India naar Oost-Afrika verspreid, concludeert Rossel op basis van haar onderzoek. Via Kenia en Uganda heeft de plantain Centraal-Afrika bereikt. Een andere verspreidingsroute loopt langs de oostkust van Afrika omlaag en via de westkust weer omhoog. Daarmee verwerpt Rossel de theorie dat de bakbanaan via Madagascar op het Afrikaanse continent is gekomen en langzaam naar het noorden is verspreid
De benedenloop van de Nigerrivier in Nigeria was volgens Rossel lang een natuurlijke grens voor de verspreiding. Ze concludeert dat de bakbanaan pas veel later pas in West-Afrika werd verbouwd. Rossel verwerpt de theorie dat de bakbanaan lang voor de komst van de Portugezen al in West-Afrika te vinden was, met het argument dat de meest algemene namen voor bakbananen in West-Afrika zijn afgeleid van talen die niet in de regio worden gesproken. Ze komen uit het Portugees of uit het Bantu, een verzamelnaam voor een groep talen die onder meer in Gabon, Congo en Kameroen worden gesproken. Ook zijn er namen die verwijzen naar de herkomst, zoals boro ode, Europese Yam. De bakbanaan is naar West-Afrika gebracht door de Portugezen of door hun Afrikaanse slaven en handelspartners, concludeert Rossel

Re:ageer