Wetenschap - 8 februari 1996

Ontwikkelingswerk weet geen raad met rampen

Ontwikkelingswerk weet geen raad met rampen

Noodsituaties worden ingewikkelder, grootschaliger en langduriger

Sinds de verschrikkingen van Rwanda en de nota Een wereld in geschil van minister Pronk staat de noodhulp hoog op de politieke agenda. Zelfs ontwikkelingswerkers, die toch vaak neerkeken op de charitatieve vliegende brandweer, kunnen er niet meer omheen: rampen worden groter en ingewikkelder en raken steeds directer hun werkterrein. De Landbouwuniversiteit draait nog steeds haar standaard-tropenpakket, maar ook hier dringt de ramp zich op.


Vrij weinig academici kennen de veranderingen die optreden in rampensituaties. Daar kunnen ze niks mee in hun analyses; daar zijn geen modellen voor. Ze concentreren zich op structurele hulp. De rest is immers dweilen met de kraan open. Maar je moet wel kunnen dweilen en daar zijn wij goed in." Aldus dr J.J. van Soest, directeur van de hulporganisatie Mensen in nood. Het curriculum van de Landbouwuniversiteit schenkt nauwelijks aandacht aan noodhulp. Dat moet volgens Van Soest veranderen, want de noodhulp is behoorlijk in beweging. Noodsituaties worden ingewikkelder, grootschaliger en langduriger. Watersnood is niet zo erg, maar grootschalige conflicten als in Somalie, Sri Lanka, Mozambique, Tsjetsjenie en Rwanda stellen hulporganisaties voor heel andere problemen dan natuurrampen."

Rampen veroorzaakt door een destructief opspelende natuur zijn tegenwoordig goed te behappen. Zo'n vijftien jaar geleden was dat duidelijk anders. Toen liepen de hulporganisaties elkaar bij een vulkaanuitbarsting in Colombia voor het oog van de camera flink voor de voeten. Dat riep publieke verontwaardiging op. Sindsdien houden Pronk, de VN-vluchtelingenorganisatie Unhcr en andere donoren strenger toezicht op hun internationale brandweer.

Ook zijn er in de landen zelf meer capabele en goed geoutilleerde organisaties die tijdig reageren en de schade beperken. Bij een watersnood in Bangladesh vragen lokale organisaties tegenwoordig voornamelijk geld. Daarmee kopen ze ter plekke goederen, vertelt Van Soest. Ook zorgen early warning systems van bijvoorbeeld de VN-voedsel- en landbouworganisatie FAO ervoor dat plagen en tegenvallende oogsten eerder worden opgemerkt, zodat er tijdig voedsel kan worden verscheept naar hongergebieden.

Vluchtelingenkampen

Maar deze aanpak faalt bij gewelddadige conflicten als in Rwanda. Dan stort het bestuur in, raken enorme bevolkingsgroepen op drift en zijn de lokale organisaties onvoldoende op hun taak berekend. Dus komen de internationale hulptroepen aangevlogen. Zij nemen de touwtjes in handen en zorgen voor provisorische huisvesting, drinkwater en noodrantsoenen.

Met dit verschijnsel is ir A.G.M. de Klerk goed bekend. Hij is aan de LUW opgeleid in de niet-westerse sociologie en voerde onlangs als consultant in opdracht van Pronks Directoraat-generaal Internationale Samenwerking een monitoringmissie uit in de vluchtelingenkampen in Tanzania.

De coordinerende Unhcr had een grote Tanzaniaanse non-gouvernementele organisatie (ngo) belast met de organisatie van een kamp. De Klerk concludeert achteraf dat dit te hoog was gegrepen. De indeling van het kamp was een zootje, de locatie was slecht gekozen met het oog op de watertoevoer en de medische hulp was onder de maat. Dat kost mensenlevens. Er zijn dus eigenlijk richtlijnen nodig voor de inschakeling van lokale ngo's. Misschien zijn zij beter op hun plaats bij kleinere vluchtelingenstromen."

Dergelijke wrange gebeurtenissen dwingen tot een brede discussie over de effectiviteit van noodhulp; een discussie die onder druk van de publieke opinie langzaam loskomt.

Daarnaast zou het volgens De Klerk goed zijn als de Landbouwuniversiteit aandacht schenkt aan dit soort vraagstukken, zodat toekomstige noodhulpwerkers beter beslagen ten ijs komen. Daarmee raakt hij een gevoelige snaar, want de LUW is van oudsher gericht op structurele ontwikkelingssamenwerking. Afgestudeerde ontwikkelingswerkers kijken vaak met enig dedain neer op zaken als voedselhulp. Die is slechts charitatief, belemmert de landbouw in de derde wereld en levert geen structurele bijdrage aan werkelijke ontwikkeling.

Melkpoeder

Dr A.P. den Hartog van de vakgroep Humane voeding beaamt dit. Zo eisten kritische studenten in de jaren zeventig en tachtig dat de vakgroep zou afzien van pleidooien voor het gebruik van melkpoeder in de bijvoeding. Dergelijke voedselhulp diende toch vooral de EG, die afwilde van haar melkplas. De consumptie van melkpoeder paste niet in de lokale voedingsgewoonten en draaide de lokale melkveehouders de nek om. Daarop verwoordde de vakgroep haar ideeen in het boekje Young children and supplementary feeding, dat uitging van een lokaal dieet.

De verhitte discussies behoren inmiddels tot het verleden. Het pragmatisme heeft gezegevierd, meldt Den Hartog. Wat moet je ook anders? Als je het structureel wilt aanpakken, ben je zo 25 jaar verder. Ondertussen moet je iets doen aan noodsituaties. Noodhulp moet je wel verstrekken met een blik op de toekomst; het structurele lange-termijnperspectief moet gehandhaafd."

Uitgedrukt in studiebelastingsuren komt dit neer op een bescheiden plek voor de noodhulpdiscussie in het vak Voedsel en ontwikkeling. De vakgroep houdt zich vooral bezig met situaties van marginale beschikbaarheid van voedsel en het probleem van seizoengebonden tekorten. Juist in de steeds fragielere ecologische systemen van Afrika dreigen voortdurend misoogsten. In Benin kijken staf en studenten hoe de bevolking haar voeding en voedingspatronen daaraan aanpast. Dat inzicht vormt de basis voor structurele hulp.

De bevolking houdt het hoofd net boven water, totdat de fatale slag van nog een misoogst komt. Dan rest slechts de noodhulp, vertelt Den Hartog. Wageningers die daarin werkzaam zijn, moeten stevig in hun schoenen staan. De belangrijkste voorvereisten zijn volgens Den Hartog een goede stage en een eerste baan als ontwikkelingswerker in een rustiger situatie. Een manco is dat het deze mensen ontbreekt aan een logistieke opleiding.

Het door Den Hartog geschilderde carriereperspectief past goed bij ir J.P. van Horn. Na een baan als ontwikkelingswerker in Bhutan belandde deze tropisch cultuurtechnicus via de Britse ontwikkelingsorganisatie Oxfam in vluchtelingenkampen in Burundi. Daar installeerde hij drinkwatersystemen ter vervanging van de kleine mobiele pompjes die Artsen zonder grenzen bij de eerste bliksemacties installeerde.

Zijn technische kennis verkreeg hij vooral tijdens een voorbereidende cursus op een Britse technische universiteit en door adviezen van Oxfam collega's.

De studie aan de Landbouwuniversiteit bleek nauwelijks van direct nut. Begrippen als participatie van de doelgroep en counterparts zijn niet op hun plaats in de enorme kampen, die heel rap worden opgezet. Snel ingevlogen hulpverleners regelen als een soort cowboys onder Unhcr-vlag de meest dringende zaken. Zoals de voedselvoorziening, want honger zet de verhoudingen tussen de vluchtelingen op scherp.

De voormalige ontwikkelingswerker was verbaasd over de professionaliteit van de noodhulporganisaties en de uitvoerige discussies 's avonds over de beste aanpak. Ze hebben zeker geen oogkleppen op."

Een van de grootste morele dilemma's was de vraag of ze gevluchte Hutu-militia-leden moesten helpen. Ben je dan niet de volgende genocide aan het voorbereiden? Een vreselijke vraag waar de hulpverleners niet goed uitkwamen, maar die wel doordrong tot hoge burelen in het buitenland.

De overstap van noodhulp naar meer structurele hulp is moeilijk, oordeelt Van Horn. Noodhulp draait op diesel." Aggregaten, pompen en auto's maken overuren, dieselmotoren slurpen brandstof. En dat is hartstikke duur, weet de Wageninger. Dat kan de lokale bevolking nooit opbrengen, zodat de kans op een structurele overdracht van het kamp aan de tijdelijke bewoners vrijwel nihil is. Een fact of life, waar je slechts goede hulp tegenover kan zetten, meent Van de Horn.

Modderstroom

Prof dr A. Niehof van de vakgroep Huishoudstudies zoekt niettemin naar alternatieven. De voormalige DGIS-ambtenaar had gezien hoe na het verschijnen van Pronks nota Een wereld in geschil het aantal noodhulpambtenaren op het departement stevig toenam, zonder dat dit gepaard ging met een integratie met de reguliere ontwikkelingssamenwerking. Dat is begrijpelijk, want de uitgangspunten van noodhulp en ontwikkelingshulp zijn verschillend. Er is een nieuw paradigma nodig om die aansluiting te maken."

Zo heeft Niehof onderzoek gedaan naar de wijze waarop de bevolking van Tarlac in de Filipijnen probeert een nieuw bestaan op te bouwen in een situatie van continuing disaster. Sinds de uitbarsting van de Pinatubo in 1991 zorgt iedere regenval voor een modderstroom over de vroeger vruchtbare rijstvelden. Er kan geen rijst meer worden verbouwd op die velden, maar de mensen zijn wel in het gebied blijven wonen. Noodhulp krijgen ze niet meer, hoewel de situatie nog steeds rampzalig is. Veel boeren zijn overgegaan op de verbouw van de zoete aardappel, door deskundigen ook disaster crop genoemd."

Niehof onderzoekt hoe de huishoudens in het gebied nieuwe strategieen ontwikkelen om in hun levensonderhoud te voorzien en hoe ze gesteund kunnen worden. Daarbij voldoet volgens haar noch de traditionele ontwikkelingssamenwerking, die uitgaat van bestaande structuren, noch de noodhulp, die voor een beperkte tijd de directe nood lenigt.

Het is de vraag of de boodschap van Niehof aanslaat in Wageningen. De grootste inhoudelijke verschuiving binnen de tropische studierichtingen lijkt vooral de opkomst van het comparatieve denken: de tropenwerker moet worden omgeschoold tot een internationale deskundige die overal zijn analytische en vergelijkende kennis van landbouwsystemen inzet. Daarbij zijn niet zozeer conflictgebieden en overstroomde vlaktes in beeld. Misschien ontpoppen de rampen, die volgens Van Soest alleen maar ingewikkelder, grootschaliger en langduriger worden, zich wel als groeiende afzetmarkt voor Wageningers. Maar de opleiding zal er niet direct door veranderen.

Nog niet althans, want schoorvoetend rukken de rampen toch op in het Wageningse curriculum. De Stichting nationaal erfgoed Hotel De Wereld wil de Landbouwuniversiteit een bijzondere leerstoel Disaster management aanbieden. De nieuwe hoogleraar moet ingaan op preventie van rampen en rehabilitatie van rampgebieden. Volgens prof. dr ir F. Hellinga, een van de initiatiefnemers, is de financiering bijna rond en is er de komende vijf jaar ook geld voor een fulltime wetenschappelijk medewerker. Nu maar afwachten of dit nieuwe duo in Wageningen voor een aardverschuiving kan zorgen.

Re:ageer