Wetenschap - 27 april 1995

Ontdekkingen in virusonderzoek stagneren

Ontdekkingen in virusonderzoek stagneren

Het laatste decennium is vooral een verfijning en kwantitatieve vermeerdering van het virus-onderzoek daarvoor geweest. De publikaties handelen voornamelijk om DNA-kaarten en transgene planten. Die technieken zijn voor 1986 al ontwikkeld." Dit stelde viroloog mw dr J. Dijkstra in haar afscheidsrede op 25 april.

Dijkstra begon in 1957 op de LUW bij de eerste virologie-hoogleraar, prof dr. ir T.H. Thung (1950-1960). Ze werkte aan verschillende onderwerpen als het effect van bestraling op de infectie, classificatie van virussen en de ziekte heksebezem bij de Indiase sandelboom. Dijkstra noemde in haar afscheidsrede de opheldering van de eiwitsynthese rond 1960 voor de virologie van groot belang. Een andere doorbraak betrof de ontdekking dat virussen kunnen worden overgedragen door aaltjes en schimmelsporen. En in 1966 kwamen virologen te weten dat het virus-DNA verdeeld kan zijn over meerdere virusdeeltjes. Maar vooral het derde decennium, bracht volgens Dijkstra een revolutie teweeg. In 1980 werd de base-paarvolgorde van het tabaksmozaiekvirus bepaald en weldra werden stukken virus-dna in planten gezet, om deze resistent te maken. Na 1986 zie je niet zo verschrikkelijk veel toevoegingen meer", concludeerde de virologe. Al heeft de informatica, de bepaling van base-paarvolgorde
enorm versneld."

Dijkstra waarschuwde dat moleculaire technieken een doel op zich worden. Bij de zieke plant is het waarnemen, herkennen van symptomen en de ecologie van de plant nog net zo actueel als in 1957." Wel erkende de viroloog het grote belang van moleculaire technieken bij verklaringen van ziektes. Maar", relativeerde ze, het is toch erg opvallend dat we ondanks onze kennis nog steeds geen echt beeld hebben van de interacties tussen plant en virus. In feite weten we hiervan niet zo heel veel meer als in 1957."

Re:ageer