Wetenschap - 11 september 1996

Nieuws Voorpagina

Nieuws Voorpagina

Nieuws Voorpagina
Dierwetenschappers selecteren deelnemers voor toponderzoekschool
Per koerier is maandagochtend 8 september, de laatste inleverdag voor aanvragen voor een toponderzoekschool, het gezamenlijke voorstel van Wageningen Institute of Animal Science (WIAS) en Utrecht Graduate School Animal Health (GSAH) naar de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappen (NWO) in Den Haag gebracht
Het samenwerkingsverband heeft de naam Adaptation, Resistance and Pathobiology of Animals (ARPA) meegekregen. De Universiteit Utrecht is penvoerder. NWO selecteert de voorstellen voor toponderzoekscholen
Wageningse deelnemers aan het voorstel zijn de veefokkerijonderzoekers prof. dr Pim Brascamp, dr ir Johan van Arendonk en dr Martien Goenen, gezondheidsleer- en reproductieonderzoeker prof. dr Jos Noordhuizen, hoogleraar veevoeding dr ir Martin Verstegen en neuro-endocrinoloog prof. dr Victor Wiegant. Binnen GSAH zijn vijftien sleutelfiguren geselecteerd, die mee mogen doen met de aanvraag voor extra geld voor een toponderzoekschool
De toponderzoekschool moet zich vooral richten op de onderlinge wisselwerking tussen genetica, fysiologie, ziekteleer en omgevingsinvloeden bij landbouwhuisdieren. Het te verkrijgen extra geld willen de initiatiefnemers gebruiken voor het aantrekken van senior-onderzoekers op onderzoeksterreinen waar het aantal onderzoekers onder de kritische massa is gekomen, om excellente aio's en postdocs aan te stellen en om wetenschappelijke informatie uit te wisselen. Daarnaast willen ze geld gebruiken voor de modernisering en uitbreiding van de experimentele faciliteiten en voor de aanwinst en het behoud van waardevol genetisch materiaal van dieren
Als NWO dit voorstel niet honoreert, willen de onderzoekers toch op het in het voorstel beschreven spoor verder gaan, al is het met minder geld. Tijdens het schrijven van zo'n voorstel leer je elkaar beter kennen. Het is een stimulans voor de verdere samenwerking tussen Utrecht en Wageningen, meent WIAS-secretaris ir Gab van Winkel. Momenteel is ook overleg gaande over een fusie tussen beide onderzoekscholen. (MS)
Beursplan universiteiten stuit op kritiek

Het gezamenlijke plan van universiteiten en hogescholen voor een nieuw studiefinancieringsstelsel is niet met veel enthousiasme onthaald. De Tweede Kamer stelt zich terughoudend op, minister Ritzen is ertegen en de twee studentenbonden zijn verbijsterd
De kern van het plan is dat studenten alleen in het eerste jaar zeker van een beurs zijn. In het tweede jaar hangt de hoogte van de beurs af van het aantal behaalde studiepunten. En voor de rest van hun studie kunnen studenten geld lenen. Het plan is opgesteld door een werkgroep van de VSNU, de vereniging van universiteiten. Voorzitter van de werkgroep was dr. Tom Stoelinga, collegevoorzitter van de Nijmeegse universiteit
In het eerste jaar krijgt elke student in Stoelinga's stelsel tienduizend gulden als beurs. Eenzelfde bedrag kan hij ook in zijn tweede jaar krijgen, maar dan moet hij in het eerste jaar wel alle studiepunten halen. Als hij slechts de helft van zijn punten haalt, krijgt hij vijfduizend gulden; bij nog minder punten krijgt hij niets
Voor de rest van de studie moeten studenten bijverdienen, bij hun ouders aankloppen of lenen. Na twee jaar studie kunnen ze volgens de universiteiten en hogescholen overzien welke risico's ze met een lening lopen. De angst voor studieschulden zal hen er daarom niet van weerhouden te gaan studeren. Dat gebeurt onder het huidige stelsel wel, denken VSNU en HBO-Raad
Volgens hen moeten studenten in een individueel studieplan afspreken met hun universiteit hoeveel geld ze willen lenen en wanneer ze dat ontvangen, maar ook hoe snel ze willen studeren en hoeveel tijd ze besteden aan werk naast hun studie. Ze mogen hun studie over tien jaar uitsmeren, maar krijgen voor ten hoogste vijf jaar geld: twintigduizend gulden beurs en 55 duizend gulden aan leningen. Wie recht wil hebben op dit geld, moet voor z'n 25ste aan een studie beginnen
De ov-kaart verdwijnt in het stelsel van de universiteiten en hogescholen, net als het verschil tussen uit- en thuiswonende studenten. Van vijftienduizend gulden per jaar kunnen studenten leven, betoogt Stoelinga, en of ze dat besteden aan kamerhuur of aan reiskosten, moeten ze zelf maar beslissen. Dat houdt het systeem eenvoudig
Het stelsel kost volgens eigen berekeningen van VSNU en HBO-Raad zo'n 160 miljoen gulden per jaar meer dan het huidige. De overgang van het huidige stelsel kost zo'n 2,8 miljard gulden
Minister Ritzen reageert niet enthousiast. Volgens hem komt er te veel geld terecht bij kinderen van rijke ouders en te weinig bij studenten die het echt nodig hebben. Dezelfde kritiek hebben de Tweede-Kamerfracties van PvdA en D66 en ook de VVD heeft een hele serie vraagtekens
De landelijke studentenbonden LSVb en ISO vrezen dat het vooruitzicht van hoge studieschulden studenten blijft afschrikken, ook als ze die schuld pas in de tweede helft van de studie oplopen. Ook Corien van Vliet, voorzitter van de Wageningse studentenorganisatie, ziet niets in het stelsel. Ik vind de uitgangspunten van het stelsel van de VSNU goed. De toegankelijkheid van het onderwijs moet beter en studenten moeten meer vrijheid krijgen. Maar na twee jaar studiefinanciering worden studenten echter gedwongen te lenen en zullen velen stoppen. Dat draagt niet bij aan de toegankelijkheid.
Van Vliet vindt dat de politiek zich te veel richt op de korte termijn. In Australie hebben ze de studiefinanciering beter geregeld. Het stelsel daar is gebaseerd op academici-belasting. Voor elk jaar dat je studiefinanciering ontvangt, betaal je later belasting. Hoe minder salaris je ontvangt, hoe minder academiebelasting je betaalt. Het stelsel betaalt zichzelf terug na vijftien jaar. De koppeling van prestatie en geld vind ik een goede zaak. (HOP/SHo)
Ozonlaag is over tachtig jaar hersteld

Het probleem van de dunner wordende ozonlaag is bijna opgelost. De productie en het gebruik van stoffen die de ozonlaag aantasten, is nagenoeg stopgezet. Het grootste probleem is nu nog de illegale smokkel van de stoffen van Oost-Europese landen naar het westen. Dat zegt prof. drs W.J. Kakebeeke, hoogleraar Internationaal milieubeleid aan de Landbouwuniversiteit. Op 16 september krijgt hij samen met 22 anderen in Montreal de UNEP Ozone Award 1997 voor zijn internationale werk tegen de ozon-aantastende stoffen
Kakebeeke was onder andere voorzitter van de onderhandelingen die in de jaren tachtig tot het Verdrag van Wenen leidden. In dat verdrag staan afspraken om de verdere aantasting van de ozonlaag te voorkomen. Later beheerde Kakebeeke ook het Montreal-fonds waarin geld zat voor ditzelfde doel. Twee jaar geleden kreeg de Nederlandse Nobelprijswinnaar prof. dr Paul Crutzen de prijs van het VN-milieuprogramma UNEP
Vergeleken met de klimaatproblematiek was het ozonvraagstuk relatief eenvoudig, meent Kakebeeke. Het gaat om een beperkte hoeveelheid stoffen die door een kleine groep producenten werden gemaakt. Bovendien stonden de wetenschappers bij het ozonproblematiek vrij snel op een lijn. Bij het klimaat is dat nog steeds niet het geval. Volgens Kakebeeke is niet alleen de smokkel een probleem in de komende jaren, maar ook het gebruik van methylbromide als ontsmettingsmiddel en de cfk-vervangers. Als we erin slagen ook die stoffen uit te bannen, mag je verwachten dat over zestig tot tachtig jaar de ozonlaag weer op het niveau van veertig jaar geleden is.
Uiteraard vereist een dergelijk lange termijn een vertaalslag naar de burger toe, licht de hoogleraar toe. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen afname van de concentratie gemeten van die stoffen. Je moet de burger dus goed vertellen dat we nu een probleem hebben opgelost voor twee of drie generaties verder. (GDu)

Re:ageer