Wetenschap - 19 november 1998

Nieuws

Nieuws

Nieuws
Nederland heeft hoog BSE-risico
In Nederland zit BSE meer in het systeem dan in een land als Duitsland. De BSE-gevallen in Nederland zijn niet terug te voeren op import van BSE-koeien uit Engeland, in Duitsland wel. Drs Bram Schreuder, BSE-expert bij het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO) reageert met deze uitleg op de onlangs voorgestelde BSE-aanpak van de Europese Commissie
De EC heeft landen binnen en buiten de EU in vier categorieen ingedeeld, van laag BSE-risico, categorie 1, tot hoog, categorie 4. Nederland zit in categorie 3. Duitsland zit in categorie 2; Groot-Brittannie en Portugal, allebei met veel BSE-gevallen van eigen bodem, zitten in de hoogste categorie. In Nederland zijn vier BSE-gevallen geregistreerd. In geen van de gevallen is de oorzaak achterhaald
Afhankelijk van de categorie moet een land na de slacht meer onderdelen uit de koe verwijderen, zoals hersens en ruggenmerg. De maatregelen moeten in januari van kracht worden. Het vernietigen van de specifieke onderdelen uit het rund gebeurt volgens Schreuder al in Nederland. In die zin heeft het land weinig last van het voorstel
Wel verwacht de onderzoeker in de toekomst extra maatregelen. Zo worden op dit moment in Zwitserland en Ierland twee tests ontwikkeld die aan de slachtlijn in de hersenen kunnen aantonen of een dier BSE had zonder dat het ziekteverschijnselen vertoonde. Zijn die tests eenmaal praktijkrijp, dan zal voor bepaalde categorieen landen een van beide tests verplicht worden bij alle geslachte koeien. Dat betekent een hoop extra kosten. (LeNo)
Bodemdegradatie oorzaak van verdwijnen vegetatie
Stukken vegetatie in begraasde, halfdroge ecosystemen, bijvoorbeeld de Sahel, verdwijnen vaak plotseling. De gangbare verklaring is dat begrazing en concurrentie tussen planten de oorzaken zijn. Volgens dr ing Max Rietkerk, die op 18 november promoveerde bij de leerstoelgroep Bodem- en waterconservering, is echter vooral bodemdegradatie de oorzaak
Met behulp van wiskundige modellen liet Rietkerk zien dat bodemerosie zorgt voor een tekort aan bodemvocht en -nutrienten en daardoor ook een verminderde vegetatie, wat vervolgens weer de erosie versterkt. Deze negatieve spiraal kan in beweging worden gezet door begrazing. Verder voorspellen de modellen dat catastrofale vegetatieveranderingen op zandige bodems vooral verwacht kunnen worden bij een tekort aan bodemnutrienten; op lemige en kleiige bodems treden ze vooral op bij een tekort aan bodemwater. Dit komt doordat zandige bodems een hogere infiltratiecapaciteit hebben dan lemige of kleiige bodems, maar tegelijkertijd gevoeliger zijn voor nutrientenverliezen als gevolg van erosie
De modeluitkomsten zijn getoetst in een savannegebied in Tanzania. Na verwijdering van bovengrondse biomassa nam de biomassaproductie en de hoeveelheid bodemvocht af en nam de bodemverdamping toe, wat weer leidde tot een hogere erosiegevoeligheid. Volgens Rietkerk zijn de verkregen inzichten algemeen toepasbaar. De catastrofale vegetatieveranderingen in de Sahel zijn bijvoorbeeld vergelijkbaar met die van de arctische kwelders langs de kust van de Hudson Bay in Canada. Een toename van de begrazingsdruk ging in beide systemen gepaard met verwoestijning, waarvan de eigenlijke oorzaak ligt in de negatieve spiraal die ontstaat door tekort aan vocht en verminderde vegetatie. (HBou)
Staring-Centrum wil niet alleen geld verdienen aan studenten

Het Staring-Centrum wil graag studenten van de LUW over de vloer, en niet alleen om geld aan hen te verdienen. Dat stelt SC-directeur dr Andre van der Zande. Hij reageert op de uitlatingen van zijn voorlichter tijdens de informatiedag voor LUW-studenten op 5 november. Die liet weten dat studentenonderzoek leuk is zolang het geld oplevert voor het DLO-instituut
Van der Zande distantieert zich van die uitlatingen. Wij zullen onze bijdrage aan het onderwijs uiteraard zakelijk bekijken, maar we doen het niet alleen als er geld aan te verdienen is. Onderwijs dien je ook te doen uit idealisme, dat is heel waardevol. Ik was persoonlijk heel blij dat zoveel studenten bij het instituut op bezoek kwamen en ik zie hen daarbij ook als een mogelijke toekomstige collega. Dus ik wil niet graag dat we bekend staan als instituut dat de studenten met Hollandse zuinigheid tegemoet treedt.
Het Staring-Centrum richt momenteel een laboratorium in waarin Wageningse reguliere en MSc-studenten kunnen worden onderwezen in GIS en remote sensing. Bovendien nodigt het DLO-instituut in samenwerking met de LUW vier keer per jaar gericht studenten uit om kennis te nemen van het onderzoek en mogelijk stages. (ASi)
Zoetwaterbiologen in centrum voor stroomgebieden
Om al het biologische onderzoek over stroomgebieden in Nederland te bundelen is op 13 november het Nederlands Onderzoekcentrum Stroomgebieden (NOS) opgericht. Hierin participeren zoetwaterbiologen van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek, de Katholieke Universiteit Nijmegen en de Landbouwuniversiteit Wageningen
De nadruk van het NOS-onderzoek zal liggen op kwaliteit en functies van zoete wateren, op het niveau van het stroomgebied. Drie hoofdthema's zijn vastgesteld: stromende en stilstaande wateren, uiterwaarden en natte bodems, en het rivierenlandschap. De achterliggende problemen die een rol spelen zijn onder andere klimaatveranderingen, ontbossing en vervuiling
De initiatiefnemers, het NIOO en de KUN, financieren de start van het NOS-onderzoek, in eerste instantie voor vijf jaar. Hiermee is bijna een miljoen gulden gemoeid. Zij benadrukken dat onderzoekers uit het hele land welkom zijn om te participeren in het nieuwe onderzoekcentrum
Prof. dr Marten Scheffer, hoogleraar van de LUW-leerstoelgroep Aquatische oecologie en waterkwaliteitsbeheer, verwacht veel van het samenwerkingsverband. Op het moment loopt een deel van het onderzoek in de uiterwaarden langs elkaar heen. Dit zal nu gaan veranderen. Scheffer merkt op dat er al een basis voor het samenwerkingsverband bestaat. Wageningse zoetwaterbiologen van de zijn leerstoelgroep werken namelijk al samen met onderzoekers van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling en het KUN-Centrum voor Zoetwaterbiologie. Dit betreft onderzoek naar de ecologie van uiterwaarden en de verontreiniging van natte bodems. (HBou)
Agroketen schept kansen en bedreigingen voor derde wereld
Agroketens worden gezien als het wondermiddel dat de ontwikkelingslanden aansluiting op de wereldeconomie zal bieden. Maar er bestaat ook gevaar voor marginalisatie van kleine boeren en bedrijfjes, doordat ketens vaak leiden tot concentratie van bedrijven. Stond de twintigste eeuw van de agrobusiness in het teken van de groene revolutie, de eenentwintigste zal een organisatorische revolutie te zien geven, aldus dr Peter Zuurbier, adjunct-directeur van het LUW-departement Economie en Management. Hij was een van de sprekers op de Internationale Landbouwdag, die dit jaar bij de hogeschool Larenstein in Deventer werd gehouden
Als voorbeeld van mondiaal ketendenken noemde Zuurbier Ahold, een concern dat voor zijn vestigingen in Thailand ketenafspraken heeft met zevenhonderd Thaise boeren. Dat biedt de boeren een kans om hun producten in supermarkten in het westen af te zetten
Ir Adelien van de Kasteele van Food World R&C belichtte de andere kant van de keten. Ze constateert dat ketens leiden tot de vorming van grote bedrijven. De vraag is dus hoeveel van die zevenhonderd Thaise boeren over tien jaar nog een eigen bedrijf hebben. Ketendenken is gewoon een nieuwe ronde van rationalisatie en verlangt grote, efficiente bedrijven en geen grote hoeveelheid kleine bedrijven. Ketens brengen in de derde wereld grote sociale verschuivingen met zich mee en aangezien daar geen andere sectoren zijn waarin mensen werk kunnen vinden, kan die ontwikkeling leiden tot marginalisering van grote groepen. Dit is nog afgezien van de boeren die door gebrek aan kennis en kapitaal niet kunnen voldoen aan de normen die de keten stelt
Van de Kasteele pleit voor meer onderzoek naar de invloed van ketens op de economie van een land of streek als geheel. Ontstaan er bijvoorbeeld secundaire industrieen of een middenklasse? (MHs)
Hoger onderwijs kan nog acht procent bezuinigen
Universiteiten en hogescholen kunnen efficienter met hun geld omgaan. De gemiddelde hogeschool en universiteit morst nog acht procent van haar budget. Dat staat in een voorlopige versie van een rapport dat het Instituut van Overheidsuitgaven (IOO) en het Twentse onderzoeksinstituut CSHOB in opdracht van het ministerie van Onderwijs opstellen
In het onderzoek worden van alle universiteiten en hogescholen de jaarlijkse kosten per student vergeleken. Tevens wordt onderzocht waar de verschillen door ontstaan. De prestaties van de hogeschool en universiteit die in de periode 1900-1994 het slimst geld uitgaf zijn als ijkpunt genomen. Uit het rapport blijkt dat de gemiddelde hogeschool en universiteit het acht procent slechter doet
Deze uitkomst betekent in feite dat universiteiten en hogescholen meer kunnen produceren voor het geld dat ze krijgen. Of het betekent dat het ministerie nog acht procent kan bezuinigen op het hoger onderwijs zonder dat deze in financiele problemen komt
Hoe kwistig de LUW en Diedenoort met hun geld omspringen is niet duidelijk. Het ministerie van OC&W wil nog geen gedetailleerde cijfers over de verschillende universiteiten en hogescholen vrijgeven. Half december komt het definitieve rapport uit
In 1994 konden de universiteiten nog een efficiencywinst boeken van zes procent. De hogescholen zouden zelfs zeventien procent beter kunnen draaien. Dat blijkt uit eenzelfde onderzoek vier jaar geleden
Hoewel het beter kan, constateren het IOO en het CSHOB dat de Nederlandse hogescholen en universiteiten goed presteren in vergelijking met buitenlandse instituten. (HOP/PvdW)
Gemengde landbouw en kunstmest moeten bodemdegratie Sahel stoppen
Boeren in de Sahel moeten overstappen op een gemengd landbouwsysteem, waarbij de akkerbouw profiteert van de veeteelt en het vee de resten van de akkerbouw eet. Daarbij moeten ze wel meer kunstmest gebruiken. Dit stelt de Malinese econoom dr Keffing Sissoko. Sissoko promoveerde 10 november op onderzoek naar alternatieve landbouwmethoden in de Sahel
Kunstmest vinden veel boeren in de Sahel te duur. Ze gebruiken het bijna alleen voor het lucratieve katoen, en dan nog in heel lage doses. Wel gebruiken veel boeren de mest van hun dieren voor hun akkers. Ze laten hun vee overdag grazen in de velden rond de dorpen. 's Nachts worden veel dieren opgesloten in een soort kraal, zodat de mest wordt opgevangen
De weidegronden worden nu echter overbegraasd, vooral in het droge seizoen. Dat leidt tot bodemdegradatie. Ook bij de akkerbouw en vooral bij de teelt van katoen putten boeren de bodem uit
Toch stelt Keffing niet dat het aantal koeien, geiten en schapen in de Sahel moet verminderen. Integendeel, hij pleit ervoor om de veestapel flink uit te breiden. Dat is nodig om voldoende vlees en melk te produceren voor de bevolking en vooral voldoende mest voor de akkers. Wel moeten de dieren voortaan in het droge seizoen binnen de kraal worden gehouden. Dit kan als de opbrengst in de akkerbouw toeneemt, zodat de dieren kunnen worden gevoed met wat na de oogst op de akkers achterblijft
Die opbrengstverhoging is met dierlijke mest alleen niet te realiseren. Daarvoor is ook kunstmest nodig. Keffing heeft berekent dat het inkomen van de boeren ook na aankoop van kunstmest toeneemt. Het probleem is dat de boeren ook bereid en in staat moeten zijn om in de bodem te investeren. Die voelen daar weinig voor, want ze vinden kunstmest heel duur, moeten het op krediet aanschaffen en zijn bang voor het risico van misoogst. Om de investeringen voor de boeren toch aantrekkelijk te maken zijn overheidsmaatregelen nodig, zoals prijsondersteuning. Ook lagere prijzen voor kunstmest helpen de boeren om de noodzakelijke investeringen te doen. (LKe)
Universiteiten nog steeds vrouwonvriendelijk
Vrouwen stromen nog steeds nauwelijks door naar de hoogste functies in het wetenschappelijk onderwijs. De universiteiten zelf zijn de aangewezen instanties om dit te veranderen. In een onderzoeksrapport doet Wil Portegijs van de vakgroep Vrouwenstudies in Leiden aanbevelingen die universiteiten moet helpen bij het aantrekken van vrouwen voor hoge functies
Nog altijd is het aantal vrouwen in de universiteitstop schrikbarend laag. In 1996 was landelijk nog geen vijf procent van de hoogleraren en krap zeven procent van de universitair hoofddocenten vrouw. De LUW vormt hierop geen uitzondering: 6,5 procent van de hoogleraren is vrouw, 4,8 procent van de universitair hoofddocenten
Om meer vrouwen op hoge posities te krijgen, is in 1997 de Wet Evenredige Vertegenwoordiging in het leven geroepen. Deze wet bepaalt dat universiteiten elke vier jaar een emancipatieplan moeten opstellen. Daarin moet ondermeer staan hoeveel vrouwen zij over een bepaalde tijd in schaal dertien en hoger willen hebben. Binnen de LUW zitten de universitair hoofddocenten in schaal 14 of hoger. De LUW probeert het percentage vrouwen binnen een vakgebied in een bepaalde functiecategorie gelijk te krijgen aan het percentage vrouwen op de arbeidsmarkt
Van evenredige vertegenwoordiging is nog lang geen sprake, blijkt uit de beschikbaarheidsanalyse 1998. De dierwetenschappen brengen het er het slechtste vanaf: ze hebben geen enkele vrouwelijke hoogleraar of universitair hoofddocent, terwijl ze moeten streven naar veertien procent vrouwelijke hoogleraren en zeventien procent vrouwelijke universitair hoofddocenten
Bij de sociaal-economische wetenschappen liggen de werkelijke percentages vrouwen in hoge posities het dichtst bij de streefpercentages. Zeventien procent van de hoogleraren is vrouw, het streefpercentage is 21 procent. Van de universitair hoofddocenten is negentien procent vrouw, de LUW streeft naar 25 procent
Portegijs meent dat de universiteiten meer rekening moeten houden met deeltijdwerk. Universiteiten zouden ervoor moeten zorgen dat hoge functies ook parttime kunnen worden uitgevoerd. Volgens Gesina Noordewier van Personeelszaken zijn er aan de LUW al hoogleraren en universitair hoofddocenten die in deeltijd werken
Daarnaast denkt Portegijs dat een gebrek aan wetenschappelijke publicaties een belemmering vormt voor vrouwen om een hoge post te krijgen. Vrouwen die parttime werken, kunnen niet tippen aan de publicatiekwantiteit van hun mannelijke collega's. Maar volgens Noordewier kijkt de LUW niet alleen naar het aantal publicaties, maar meer nog naar de soort publicatie en het wetenschappelijk belang ervan. (PvdW)
Genetische werking ontcijferd van tomatenbronsvlekkenvirus
Een dierenvirus uit de familie der Bunyaviridae kan met een extra gen ook planten infecteren. Dit virus is bekend als het tomatenbronsvlekkenvirus en heeft het unieke vermogen om zowel planten als dieren te infecteren. Het extra gen dat dit virus heeft, codeert voor een transporteiwit dat zorgt voor een vergroting van de beschikbare ruimte voor virusdeeltjes in de transportkanalen tussen de plantencellen. Dat concludeert ir Marc Storms in zijn proefschrift, waarop hij 2 december hoopt te promoveren bij viroloog prof. dr Rob Goldbach
Het tomatenbronsvlekkenvirus is een van de tien schadelijkste plantenvirussen in de wereld en veroorzaakt een verlies aan opbrengst van zo'n een miljard dollar. Het virus kan meer dan 650 verschillende plantensoorten infecteren, waaronder tomaten, aardappels, peper, selderij, sla, ananas, chrysanten, dahlia, gerbera en iris
Om de functie van het extra gen te onderzoeken, bracht Storms dit gen tot expressie in tabaksplanten. Zo ontdekte hij dat het gen codeert voor een transporteiwit dat een buisvormige structuur vormt in van nature aanwezige kanaaltjes in de celwand. Hierdoor wordt het transport van virusdeeltjes door de kanaaltjes tussen plantencellen mogelijk en kan het virus zich door de hele plant verspreiden
Storms onderzocht ook insectencellen waarin het gen tot expressie was gebracht. De insectencellen produceerden het eiwit en vormden buisvormige structuren. In levende tripsen, een insectensoort, worden echter geen functionele buisvormige structuren gevormd. In trips heeft het transporteiwit dus waarschijnlijk geen functie, meent Storms
Kennis over het transporteiwit is nuttig bij het ontwikkelen van resistente planten waarin de verspreiding van het virus in de plant wordt verhinderd. Daarvoor zijn verschillende strategieen mogelijk. Onderzoekers kunnen DNA in de plant inbrengen dat ervoor zorgt dat het virus het transporteiwit niet kan produceren. Ook is het misschien mogelijk om eiwitten in de kanaaltjes van de plant te veranderen, waardoor het transporteiwit van het virus niet goed meer hecht. Of onderzoekers kunnen proberen een antilichaam in de plant in te brengen dat de werking van het transporteiwit verstoort. (MS)
Genieten in natuur is populairste vrijetijdsbesteding
Genieten in de natuur, dat is waar de Nederlandse bevolking het liefst haar vrije tijd aan besteedt. Het beoefenen van spannende sporten wordt het minst gewaardeerd. Dit concludeert dr Margit Jokovi van het Staring-Centrum in haar onderzoek naar de populariteit van openluchtrecreatie in Nederland
Jokovi onderzocht de populariteit van elf recreatiebeelden, zoals genieten in de natuur, gezellig een dagje de stad in, het beoefenen van een spannende sport, en gezellig met de kinderen recreeren. We onderzochten niet op activiteit, wat gebruikelijk is in recreatie-onderzoek, maar op combinaties van factoren. Zeshonderd mensen van vijftien jaar en ouder werd gevraagd hoeveel dagen ze wilden besteden aan een bepaald recreatiebeeld
De Nederlandse bevolking wil volgens Jokovi in haar vrije tijd vooral genieten en gezelligheid beleven. Actieve en contemplatieve recreatievormen als sport en lezen zijn minder populair. Jongeren neigen meer naar actieve recreatie, terwijl ouderen een voorkeur hebben voor de contemplatie en de rust. Over het algemeen zouden mensen vaker buiten willen recreeren dan ze nu feitelijk doen. Veel ouderen vinden dat er te weinig recreatiemogelijkheden zijn in hun omgeving, aldus het rapport. Zij zijn door hun mindere mobiliteit juist aangewezen op het lokale recreatiemogelijkheden. (MWo)
Bestuur wil drie ton besparen op mensa
De raad van bestuur wil zo'n drie ton bezuinigen op de mensa's. Dat heeft vice-voorzitter ir Kees van Ast de studentenverenigingen in een overleg bekend gemaakt
De mensa's krijgen nu elk jaar ruim zes ton subsidie. Per maaltijd betekent dat ongeveer 7,50 gulden. Het bezuinigingsbedrag van drie ton staat volgens Paul van der Kraan, de woordvoerder van de raad van bestuur, nog niet definitief vast. Het bestuur wil graag in overleg met studentenraad en de studentenverenigingen bezien op welke manier de mensa's goedkoper kunnen. Volgens de voorzitter van het mensaoverleg van de studentenverenigingen, Stijn Bierman, werken de verenigingen een aantal scenario's uit voor de toekomst van de mensa. Hij wil eerst meer duidelijkheid hebben over de plannen van de raad van bestuur over de verdere toekomst van de mensa's. Een optie die genoemd wordt is dat de mensamaaltijden in de toekomst niet langer worden verstrekt bij de vier Wageningse studentenverenigingen, maar in het nog te bouwen centrale onderwijsgebouw op De Dreijen. (KVe)
Afschieten knobbelzwanen is dweilen met de kraan open
In het polderlandschap in Noord- en Zuid-Holland, op het eerste gezicht verstoken van wilde dieren, ligt het broedgebied van duizenden knobbelzwanen. Natuurliefhebbers zijn er blij mee, boeren niet. De vogels eten namelijk het voor het melkvee bestemde gras op. In mindere mate vergrijpen ze zich aan wintergraan, schapegras en bloemen. Het onlangs verschenen IBN-DLO rapport Knobbelzwanen in Noord- en Zuid Holland brengt de schade in kaart en geeft aan wat de verwachte effecten zijn van verschillende beheersmaatregelen. Volgens de auteurs lijkt het afschieten van de zwanen op dweilen met de kraan open. Zwanen uit onder andere Overijssel, Friesland en Groningen vullen de plaatsen van de afgeschoten vogels weer op
De onderzoekers denken dat er diervriendelijke alternatieven zijn voor het afschieten van de vogels. Bijvoorbeeld het herstellen van waterplantvegetaties door verbetering van de waterkwaliteit. Nu zoeken de zwanen namelijk weilanden op omdat waterplanten, waar ze de voorkeur aan geven, steeds minder voorkomen. Een andere optie is knobbelzwanen vangen en verplaatsen naar streken die zo ver weg liggen dat de vogels niet alsnog terugkeren
Tenslotte zijn er wellicht mogelijkheden om gedoogcontracten met boeren af te sluiten die bereid zijn groepen knobbelzwanen op hun land op te vangen, waardoor het mogelijk is knobbelzwanen van schadegevoelige percelen te verjagen. Dit wordt voor overwinterende ganzen al op diverse plaatsen uitgeprobeerd. De zwanen zouden zelfs kunnen veranderen van een schadepost in een winstgevend product, door ze zoals vroeger te benutten voor het winnen van zwanendons. (HBou)
Eerste Nederlandse waarnemingstuin

De eerste planten van de eerste Nederlandse waarnemingstuin gaan de grond in. Ir Arnold van Vliet van de leerstoelgroep Milieusysteemanalyse heeft de waarnemingstuin opgezet in de botanische tuin Belmonte in Wageningen. De tuin moet helpen bij onderzoek naar het effect van klimaatverandering op het plantenleven. Om meer inzicht te krijgen in dat effect heeft het Internationaal Genootschap voor Biometeorologie een mondiaal fenologisch monitoringproject (Global Phenological Monitoring, GPM) opgezet, waar de waarnemingstuin deel van uitmaakt. Fenologie is de bestudering van jaarlijks terugkerende verschijnselen in de natuur, zoals het moment van bloei en bladafval. In het Duitse Erkelenz is al een fenologische tuin gevestigd. Op het programma staan verder tuinen in Duitsland, China, Slowakije, de Verenigde Staten, Estland en Canada
In de Wageningse tuin komen zestien plantensoorten te staan, waaronder amandel, rode bes, zoete kers, appel, peer, tamme kastanje en sneeuwklokje. De planten zijn allemaal afkomstig van een zogenaamde moedertuin, waardoor zeker is dat alle planten in het mondiale waarnemingsnetwerk genetisch identiek zijn
De planten in de waarnemingstuinen zullen de komende jaren regelmatig worden onderzocht op onder andere het moment van bloei, bladgroei en bladafval. Deze processen worden sterk beinvloed door het klimaat. Bij een warmer voorjaar zullen planten bijvoorbeeld eerder gaan bloeien. Zo bloeide in Wageningen de hazelaar dit jaar al op 9 januari, terwijl de bloeidatum dertig jaar geleden in de maand februari lag
Als dit soort veranderingen wereldwijd gaat plaatsvinden, heeft dat verstrekkende gevolgen voor de natuur, de landbouw en de gezondheid van mensen. Veranderingen in plantengroei zorgen bijvoorbeeld voor een metamorfose van de natuur en hebben effect op plantproductie en nachtvorstschade in agrarische gebieden. Verschuivingen van het groeiseizoen van gras en heide hebben onder andere effect op het uitbreken van hooikoorts. De onderzoekers van het GPM-project gaan de waarnemingen in de verschillende tuinen met elkaar vergelijken. De verwachting is dat dit tot nieuwe inzichten zal leiden in de effecten van klimaatveranderingen op planten over de hele wereld. Naast een wetenschappelijk doel is er ook een educatief doel: het betrekken van scholieren bij natuurwetenschappelijk onderzoek, door hen met behulp van lesprogramma's waarnemingen te laten doen in de tuinen. (HBou, foto GyA)
LUW-studenten in Nicaragua hebben weinig last van Mitch
Het dak heeft een beetje gelekt, maar dat stelt natuurlijk niks voor. Danielle van Strien is een van de drie LUW-studenten die tijdens de orkaan Mitch in Midden-Amerika zaten. Ze heeft nauwelijks last gehad van het natuurgeweld
Van Strien doet een afstudeervak Ontwikkelingseconomie aan de universiteit van Nicaragua. Ze reisde met de bus door Managua toen de eerste voorboden van Mitch zich aankondigden. Meestal praten mensen in de bus, net als in Nederland, niet met elkaar. Maar er dreigde zo'n bui dat de mensen er spontaan over begonnen te praten.
In Managua zijn vooral de sloppenwijken getroffen door Mitch. Ook is de markt een paar dagen dicht geweest door de hevige regen. Pas enkele dagen later, toen de beelden van het platteland binnendruppelden, begreep ze hoe erg de orkaan tekeer was gegaan. Op de universiteit heerst volgens haar een sfeer van verslagenheid, vooral bij mensen die familie op het platteland hebben
De andere twee LUW-studenten in Midden-Amerika, Corstiaan van Aalsburg en Jacob van Etten, maken het volgens hun familie in Nederland goed. Van Aalsburg doet een jaar vrijwilligerswerk in Masaya, net ten zuiden van Managua. Van Etten doet een stage Agronomie in Siunu. Ook Jacob heeft weinig van Mitch gemerkt. Jullie hebben er op televisie waarschijnlijk veel meer van gezien dan ik, zo meldde hij aan zijn familie. (LKe)

Re:ageer