Wetenschap - 18 september 1997

Nederlandse natuur heeft grazers nodig

Nederlandse natuur heeft grazers nodig

Nederlandse natuur heeft grazers nodig
Vera verwerpt oude theorie over natuurontwikkeling
Zeven jaar lang werkte Frans Vera in Wageningen aan een wetenschappelijke onderbouwing van zijn ideeen over natuurontwikkeling. In het proefschrift waarop hij op 23 september hoopt te promoveren, draagt hij argumenten aan voor de opvatting dat Europa van oudsher geen bos was en dat grote grazers als rund en paard een essentieel onderdeel zijn van de Nederlandse natuur
Vraag aan een bosbouwer of natuurbeheerder wat er zal gebeuren als hij zijn werk beeindigt en de natuur haar gang mag gaan. Gegarandeerd antwoordt hij dat na verloop van tijd een dicht bos ontstaat. Hij zal wijzen op de heideterreinen, die zonder plaggen, branden of schapen snel zullen dichtgroeien met berken of dennen. Of de braakliggende akkers laten zien die snel gekoloniseerd worden door jonge boompjes
Het antwoord sluit aan bij de gangbare wetenschappelijke theorie dat vroeger heel Europa bedekt was met een dichtbegroeid loofbos van eik, iep, linde, es, beuk, haagbeuk en hazelaar. Pas toen de mens vijfduizend jaar geleden ruimte nodig had voor landbouw, verdween het bos in rap tempo. Door verregaande degradatie van het bos ontstonden graslanden, heide en uiteindelijk zelfs zandverstuivingen. Door dit soort terreinen weer met rust te laten, zou het oorspronkelijke bos weer terugkeren
Het is natuurlijk aardig om te weten of dat bos er ook daadwerkelijk heeft gestaan. Uitkomst biedt dan de palynologie. Deze tak van wetenschap onderzoekt welke plantensoorten in een bepaalde periode voorkwamen en in welke verhouding. Uit pollenkorrelanalyses blijkt telkens weer dat inderdaad sinds de laatste ijstijd de beuk, haagbeuk, es, iep, linde, eik en hazelaar de vegetaties hebben bepaald
Een andere bron om zicht te krijgen op de historische vegetatie zijn teksten. Voor zover er schriftelijke bronnen zijn, dateren deze van het begin van de Middeleeuwen. Daarin wordt al vanaf het begin geschreven over wald, foret en allerlei afleidingen die de indruk wekken dat er een groot woud was. De afgelopen eeuw heeft de theorie van het gesloten bos dan ook nauwelijks onder druk gestaan
Heilige huisjes
Frans Vera poneert in zijn proefschrift Metaforen voor de wildernis. Eik, hazelaar, rund en paard een volstrekt tegengestelde theorie. Het is Vera op het lijf geschreven om heilige huisjes omver te halen. Tien jaar geleden verbaasde hij vriend en vijand met zijn nota Natuurontwikkeling, die hij samen met drs Fred Baerselman schreef en waarin hij de basis legde voor de Ecologische hoofdstructuur en het Natuurbeleidsplan. Ook schreef hij mee aan het Plan Ooievaar voor natuurgebied de Blauwe Kamer tussen Wageningen en Rhenen
Beide plannen maakten hem tot een aanbeden en verguisd natuurontwikkelaar. Medestanders waren verheugd over zijn nieuwe en verfrissende ideeen, die het sterk op de landbouw leunende natuurbeleid uit het slop konden halen. De tegenstanders verwijten hem dat hij tot op de dag van vandaag onrealistische, landbouwonvriendelijke en romantische ideeen over de natuur in Nederland presenteert
In het proefschrift probeert Vera nu wetenschappelijk aannemelijk te maken dat er helemaal geen dicht loofbos was. Er was volgens hem een open, parkachtig landschap waar grasland en bosschages elkaar afwisselen met daartussen solitaire bomen, waaronder de eik. Grote herbivoren houden het landschap open, maar laten de doornige struwelen links liggen. Vogels, met name de Vlaamse gaai, verzamelen eikels en verstoppen ze ver weg van de eikenboom, ergens in de struwelen. Daar kunnen de jonge eiken gemakkelijk opkomen. Opvallend is dus dat onder natuurlijke omstandigheden de verjonging van bomen buiten het bos plaatsvindt. De bomen vormen op den duur bos, dat vervolgens onder invloed van het schillen van de bomen door grote herbivoren en catastrofes als droogte en storm langzamerhand weer degenereert tot grasland. Het proces van vestiging van doornige struiken als sleedoorn en meidoorn en vervolgens de vorming van bos begint dan weer van voren af aan. Vera introduceert voor dit proces het begrip de cyclische turnover van vegetaties
Concurrentie
Vera's uitleg verklaart een groot probleem in de oude theorie. Het blijkt namelijk dat de hazelaar, de zomer- en de wintereik sinds de ijstijd in de pollendiagrammen voorkomen, maar dat deze soorten niet in staat zijn op te groeien in een dicht bos. De eikensoorten kunnen de eerste twee jaar weliswaar met relatief weinig licht toe, maar hebben daarna in vergelijking met beuk, haagbeuk en linde veel direct zonlicht nodig. Ook op open plekken blijkt de eik de concurrentiestrijd met de beuk om het licht niet te winnen: de beuken en andere schaduwverdragers vestigen zich onder de eiken, groeien deze voorbij en concurreren ze weg
Een verklaring voor de slechte kieming van de eiken heeft de bosbouw niet. In de praktijk lost de bosbouw het op door het proces van natuurlijke verjonging een handje te helpen. Vera trekt de conclusie dat de oorspronkelijke vegetatie in ieder geval geen gesloten bos geweest kan zijn, omdat daarin de eik binnen korte tijd het loodje zou leggen. De theorie van de struwelen waar de eiken zonder gevaar van de herbivoren kunnen opgroeien, verklaart hoe de eik en de hazelaar wel direct vanaf het einde van de ijstijd dominant aanwezig waren, terwijl ook al een complete fauna van grote herbivoren zoals oerrund, wisent, tarpan, eland, ree, wild en zwijn aanwezig was
Als Vera's theorie klopt, moet er dus iets fout zijn met de huidige opvattingen over de oorspronkelijke vegetatie. Vera meent inderdaad dat die theorie vol cirkelredeneringen en aannames zit. Er is altijd a priori van uitgegaan dat er bos was, zodat alle onderzoek bijna per definitie naar diezelfde conclusie leidde
Toen Von Post in 1916 het eerste pollendiagram presenteerde, was het in de gangbare wetenschap boven elke twijfel verheven dat het laagland van West- en Midden-Europa van nature door een gesloten bos bedekt was. De diagrammen waar geen graspollenkorrels in voorkomen, leken die theorie te bevestigen. Volgens Vera ontbreken de graspollen omdat de herbivoren het gras al op hadden voordat het bloeide en het gras dus ook geen pollen kon vormen. Daarbij komt dat de vrijstaande bomen vaak een zeer grote kroon vormden, daardoor veel bloeiden en het aandeel pollen van bomen dus nog eens extra groot was
Fragmentarisch
Vera ondersteunt zijn hypothese verder met een etymologische studie naar de aanduidingen voor wildernis, bos, ruigte, et cetera. Op oude kaarten is vaak de aanduiding wald of forest of een van de talloze afleidingen te zien. Doorgaans wordt aangenomen dat er dus een dicht bos was. Vera zocht naar de betekenis van de begrippen in de oudste schriftelijke bronnen en kwam in combinatie met de ecologische gegevens tot de conclusie dat ze toen een veel bredere betekenis hadden dan nu en gebruikt werden voor het niet in cultuurgebruik zijnde complex van bos, gras en water waar dieren mochten grazen
In de afgelopen jaren heb ik gemerkt hoe fragmentarisch de wetenschap eigenlijk bezig is, blikt Vera terug op zeven jaar Landbouwuniversiteit. Wetenschappers zijn heel reductionistisch bezig en lopen daardoor het risico om het totaalbeeld te verliezen. De vegetatiekunde heeft zich bijvoorbeeld nooit bemoeid met bomen en voor bosbouwers was het onbestaanbaar dat er vee in de bossen voorkomt. Wat ik heb geprobeerd is na te gaan waar de oude theorie van het dichte bos vandaan komt en hoe het komt dat deze zo lang stand heeft weten te houden. Er zitten, zoals ik heb laten zien, heel veel cirkelredeningen in waar je volgens mij alleen kunt uitkomen door meerdere disciplines aan elkaar te koppelen.
Ik ben dan ook benieuwd hoe de vakwereld reageert op mijn bevindingen. De oude ideeen zitten zo stevig verankerd in de hoofden van mensen dat het de nodige mentale sprongen vergt om het anders te gaan zien. Hij heeft de hoop dat critici hem nu niet meer kunnen betichten van romantische ideeen of ideologie: de theorie heeft nu een wetenschappelijke basis en die moet door de tegenstanders met argumenten bestreden worden
Mogelijke zwakke plekken zitten in de zeer geringe aandacht die Vera schenkt aan de predatoren van de grazers. De grazers mogen dan een belangrijke invloed hebben op de vegetatieontwikkeling, hoe het aantal en het gedrag van de grazers zelf wordt gereguleerd, wordt niet duidelijk in het boek
Beheersbeleid
Maar als hij gelijk krijgt van zijn vakbroeders, betekent dat nogal wat voor de praktijk van het natuur- en bosbeheer. Zo zou er om te beginnen een fundamenteel ander beheersbeleid moeten komen voor de nationale bosreservaten van Europa. Het wrange is volgens Vera dat de meeste bosreservaten, ook het beroemde Poolse nationale park Bialowieza, voordat zij de status van reservaat kregen, werden beweid door typische grazers als rund, paard en schaap. Die hielden het bos open en gaven soorten als eik en hazelaar de kans om te groeien. Op een oude kaart uit 1830 is het bos ook getekend als een mozaiek van ronde struwelen met daartussen open ruimte
Bij het instellen van de reservaten begin deze eeuw werd het beweiden gestaakt en de jongste eiken en hazelaars in de bossen stammen precies uit die tijd. Behalve weer een aanwijzing voor zijn open-parklandschaptheorie, is het volgens Vera onjuist te veronderstellen dat met het huidige reservaatbeheer een oorspronkelijk bos in stand wordt gehouden. Alles wijst erop dat eik en hazelaar binnen een eeuw uit alle, inmiddels dichtgegroeide bosreservaten verdwenen zijn. En dat geldt ook voor Bialowieza, dat nu te boek staat als park met de meest oorspronkelijke vegetatie in het laagland van Midden- en West- Europa
Ook voor het Nederlandse bos- en natuurbeleid en -beheer kunnen de bevindingen van Vera consequenties hebben. De bosbouwer redeneert dat hij nagenoeg natuurlijk bezig is met zijn werk en dat het dus goed werk is. Nu zeg ik dat een gesloten bos helemaal niet zo natuurlijk is. Het is eigenlijk maar een artefact van de mens en daarmee verdwijnt dus een stukje van het aureool van de bosbouw. Ik denk ook dat ik nu wetenschappelijk heb aangetoond dat het natuurbeheer in Nederland, wil het de natuurlijke processen weer terugkrijgen, niet zonder de herintroductie van grote grazers kan.

Re:ageer