Wetenschap - 21 november 1996

Nederlandse gezinnen eten vaak apart, behalve in het weekend

Nederlandse gezinnen eten vaak apart, behalve in het weekend

Het gaat natuurlijk om de wetenschap, maar toch... een beetje trots mag je wel zijn als je inmiddels 198 keer de vaderlandse krantenkolommen hebt gehaald. Cees de Hoog is een van de laatste vertegenwoordigers van de roemruchte Wageningse school van de gezinssociologie. En gezinnen zijn tegenwoordig in.

Volgens onderzoek van de Wageningse gezinssociologen dr C. de Hoog en drs J.W. te Kloeze zijn er drie gezinstypen in Nederland: het klassieke, het transitionele en het postmoderne gezin. De tussenvorm, het transitionele gezin, is met 64 procent veruit de grootste, hoewel gezinssociologen begin jaren zeventig nog dachten dat dit een overgangsfase was naar het moderne gezin. Van de gezinnen is 21 procent klassiek en 15 procent postmodern.

De Wageningse gezinssociologen bedrijven hun werk niet van achter de studeertafel, maar gaan op zoek naar wat er werkelijk aan de hand is in de samenleving. Er wordt immers al zoveel verondersteld en gepostuleerd over bijvoorbeeld de individualisering.

De Wageningse traditie", begint De Hoog, spelend met een sigaret tussen zijn vingers, stamt vanaf de jaren vijftig. Hoogleraar Kooy ging naar Arkel en Kerdichem in de Betuwe om er, via empirisch onderzoek, achter te komen welke gezinstypen er bestaan. Het gezin was in die jaren nog traditioneel."

De vrouw was huisvrouw/thuisvrouw. Zij zorgde voor het huis, het eten en de kinderen. Men kende alle macht aan de man toe, maar bedenk wel dat er velen waren die elke zaterdag thuis hun loonzakkie afdroegen en dan een paar kwartjes kregen van de vrouw, voor de kroeg."

Die burgelijke, traditionele of klassieke gezinsstructuur - die termen lopen door elkaar - liep op haar einde door het moderniseringsproces in Nederland. Het blikveld van de gezinsleden werd door tal van praktische zaken verruimd. Moeder ontdekte de wereld bijvoorbeeld door de fiets. Ze kon de nieuwbouwwijk verlaten, rondkijken, ze ging vrouwenbladen lezen".

Ook de bedrijven veranderden. De werknemers hoefden zich niet meer maandagochtend aan de poort te melden met de vraag of er werk was; er kwamen vaste aanstellingen. Onder die invloeden gaat het klassieke gezin buigen en barsten."

Dat moderniseringsproces vond ook op het platteland plaats. Nadat eerst de Wageninger Kooij de modernisering mat bij gezinnen op het verstedelijkte platteland, herhaalde de socioloog Douma begin jaren zeventig het onderzoek. De roerige jaren zestig hadden hun sporen achtergelaten en dat was met name merkbaar aan het toestaan van gehuwde vrouwen om de arbeidsmarkt te betreden.

Weliswaar nog in de traditionele beroepen, vaak opgeofferd aan de gulzigheid van het maar de vrouwen verkregen een eigen maatschappelijke positie. Dat bracht met zich mee dat de vrouwen een deel van het inkomen voor zichzelf gingen claimen. Het klassieke gezin was aan het schuiven.

In eerste instantie, doceert de socioloog, werd dat extra gezinsinkomen aangewend om het welstandsniveau te verhogen. De eerste generatie automobilisten kwam eraan. Later werd geinvesteerd in een eigen huis." Ook het opvoedingsklimaat voor de kinderen veranderde: de gezinnen democratiseerden. Op school was de klap met de lineaal voorbij en onderwijsvormen van de elitaire Montessori- of Dalton-scholen kwamen ook op de gewone scholen in zwang. Dat sijpelde door naar het gezin, of omgekeerd, want ook thuis kregen kinderen zeggenschap." Zo ontstond de opkomst van het moderne gezin, afgezet tegen het traditionele gezin.

Nu is het onderzoek voor de derde maal uitgevoerd. Enthousiast noemt De Hoog twee studenten, M. van de Berge en M. Duivenvoorde, die het datakerkhof van de enquete nauwkeurig analyseerden. Een tien voor hun scriptie was het resultaat. We onderscheiden nu drie typen gezinnen. Natuurlijk kun je zeggen dat je dat wel had verwacht, maar het is nu empirisch ondersteund en bewezen." Het oude traditionele gezin bestaat nog steeds. Daar tegenover staat het postmoderne gezin, met een grote vrijheid voor beide partners, met name in inkomen. Opvallend, vindt De Hoog is dat de tussenvorm is blijven bestaan. In de jaren zeventig werd die tussenvorm echt als overgangsfase beschouwd.

Er is in dat zogenaamde transitionele gezin een interessante verbinding met de vrije tijd: daar zie je de gezinshereniging. Het gemeenschappelijk ontbijt is verdwenen, de lunch was al verdwenen en het avondeten wordt vaak opgeofferd aan de gulzigheid van het werk. Als een vergadering tot half zeven duurt, strookt dat niet met de eettijden van het gezin, want de kinderen moeten om zeven uur paard rijden." Daarnaast hebben beide partners ieder een eigen vriendenkring, maar - dat vindt De Hoog opvallend - in het weekend zie je ineens het traditionele gezin terugkeren. Dan trekt het gezin er gezamenlijk op uit en dan wordt er gezamenlijk gegeten. Dan is het toch weer vaak zij die veel aandacht aan het eten besteedt."

In seksueel opzicht zijn de gezinnen nog steeds gesloten. Dat is een verhouding op basis van exclusiviteit. De Hoog plaatst onmiddellijk een kanttekening: Bedenk goed, er komt een student langs met een enquete... het is zeer de vraag of iedereen op dergelijke persoonlijke vragen eerlijk antwoordt." Ook het omgekeerde is mogelijk. Misschien zijn degenen die zeggen dat de relatie open is en dat er geen problemen zouden zijn als de partner een andere seksuele relatie aanknoopt, wel de grootste leugenaars. Hoe eerlijk het ook klinkt."

Re:ageer