Wetenschap - 12 oktober 1995

Natuur tussen mythe en techniek

Natuur tussen mythe en techniek

Hans Achterhuis, filosofiehoogleraar te Twente, houdt 25 oktober een lezing in Wageningen over zijn nieuwe boek Natuur tussen mythe en techniek. Dit boek daagt uit, prikkelt en irriteert", stelt Herman Koningsveld, voormalig filosofiedocent van de LUW. Hij debatteert over de schijntegenstelling tussen overleven en het goede leven.


In elf essays en zes columns dienen zich vele intrigerende kwesties aan, zoals de relatie natuur-milieu, handelingsconcepten en het begrip van technische wetenschap. Het spanningsveld tussen mythe en techniek beschrijft Achterhuis in Van Moeder Aarde tot Ruimteschip (oratie LUW 1990), De Boom des Levens en De Illusie van Groen.

In een voor-moderne cultuur bestaat een kosmische verbondenheid tussen mens en natuur. Levensboom en Moeder Aarde zijn hiervan de zinnebeelden. Gevoelens van respect, terughoudendheid en participatie bepalen de houding van de mens tot de natuur.

Onze moderne cultuur is een techno-cultuur geworden. Wij leven in een ruimteschip met een technisch-deskundige bemanning en verder een massa passieve passagiers. We hebben de levensboom vernietigd en daardoor sterven onze bossen. We hebben Moeder Aarde de rug toegekeerd en daarmee de zintuiglijk ervaarbare" en ontroerende en bewandelbare" natuur vervangen door milieu of berekenbare natuur. Homo faber, voor wie het beheersen van de natuur en het nut dat ze voor de mens kan hebben, centraal staat", is het heersende mensentype geworden. Het gaat in dat ruimteschip nog alleen om het overleven; de vraag naar het goede leven wordt niet meer gesteld.

Wat nu? Moeten we, gezien de ernst van de milieucrisis, terug naar een religieussacraal wereldbeeld, de natuur weer betoveren, Moeder Aarde weer omhelzen? Achterhuis lijkt positief tegenover deze suggesties te staan: De techniek zelf geeft geen richtlijnen voor de omgang met de natuur en evenmin geeft zij de grenzen ervan aan. Die zullen we (..) moeten putten uit een rijke traditie, die ik niet anders dan als mythisch kan omschrijven."

Verwondering

Elders wijst hij zo'n terugkeer toch af, op grond van de redenering dat alle pogingen in die richting tot nu toe zeer zwak waren. Maar voortvliegen in ons ruimteschip is een doodlopende vlucht. Tenslotte geeft hij zich, met behulp van Illich en Bachelard, over aan Moeder Aarde: de grenzen van onze omgang met de natuur ontdekken we in de natuur zelf, mits we haar maar vanuit een houding van respect, verwondering en bescheidenheid benaderen, zoals dat in een mythische cultuur gebeurde.

Enorme verbazing was mijn deel. Miskent hij niet de moderne rationalisering, zoals hij in het boek enige collega's verwijt? Ontdekken we allen dezelfde normen in die mystieke natuur of zijn nieuwe, deskundige uitleggers nodig? Ik ga hier niet verder op in, want de vraag zelf - Moeten we terug? - is zinloos, want het resultaat van een onhoudbare tweedeling Mythe - Techniek. Oh, die filosofen met hun grote dichotomien!

In Achterhuis' constructie van het Ruimteschip als model voor onze moderne samenleving zit helemaal niets wat de moeite waard is. Een technisch-ecocratische elite bestuurt het schip en de massa is passief - weg democratie. Echte natuur, die ons kan ontroeren, is verdrongen door milieu en gebouwde natuur. Vragen naar het goede leven zijn niet meer aan de orde. Er is niets warms, niets om van te houden, niets moois, geen goede zaak om voor te vechten.

Rekenmachine

Maar dit is toch een gedrochtelijke schets van de techno-cultuur! Op het ruimteschip wonen mensen van vlees en bloed. Ook zij moeten, naast het produktieve leven, een esthetisch, emotioneel en moreel leven inhoud geven, ook al is het maar via pogingen om deze dimensies weg te definieren of te verdringen. Sterker nog, deze zingevingsvragen maken onlosmakelijk deel uit van het productieve leven zelf. De begrippen beheersing en nut, waarmee Achterhuis homo faber wil definieren, leggen helemaal geen mensentype vast. Pas in combinatie met bepaalde antwoorden op zinvragen krijgen beheersing en nut hun betekenis. Homo faber kan zijn nutsstreven combineren met respect en terughoudendheid of met behulp van een Socratische rekenmachine". Hij kan de natuur beheersen op een voorzichtige of slordige manier.

Ons ruimteschip biedt ruimte aan debat over vragen naar het goede leven en aan het geven van antwoorden, die weer worden bijgesteld en vervangen door wat we op dat moment betere vinden - hoe stuntelig de politieke openbaarheid en de democratische besluitvorming soms ook functioneren. Brundtland en anderen zijn hierin minstens even belangrijk als fijnmazige, scherpe filosofische analyses. Grote filosofische gedachtenlijnen, die veelal een enorme globaliteit vertonen, lijken vruchteloos.

Magneet

Een tweede thema, dat op vele plaatsen in het boek aan de orde komt, betreft de rol van de techniek. Techniek is meer dan een instrument. Hoe kan men aan deze stelling nog twijfelen na lezing van Achterhuis? De ontdekking van het schrift beeindigde de orale cultuur - Socrates wees op de grote gevaren! De magneet, de boekdrukkunst en het buskruit hebben het aanschijn van de wereld vernieuwd, zoals Bacon opmerkte. De pil, de genetische manipulatie, de elektromotor en de tv hebben onze cultuur aan een soort permanente revolutie onderworpen.

Nee, techniek is niet louter een neutraal instrument: ze is het milieu waarin de moderne mens leeft", ze bepaalt onze maatschappelijke verhoudingen en levensvormen", ze verandert mens en maatschappij in hun diepste wezen", ze is een eigen specifieke werkelijkheidsbenadering, die mens, maatschappij en natuur beslissend benvloedt" en ze heeft veel meer dan een middel-karakter, zij roept een eigen levensvorm in het leven die intrinsiek bij het mens-zijn hoort".

En toch is er iets mis met deze redenering. Zoals Achterhuis zelf ook opmerkt, blijven praktiserende technici en techniekstudenten toch maar steeds in het louter instrumentele karakter van techniek geloven. Voor hen is de simpele redenering van Bentham over de neutraliteit van een techniek - het bekende mes, dat je voor allerlei goede doelen kunt gebruiken, maar ook om iemand te doden - minstens even overtuigend als Achterhuis verwerping van deze instrumentele visie. Achterhuis redenering ligt op een veel te globaal niveau. Als we ons inzicht in het karakter van de techniek echt willen verbeteren, moeten we veel meer tot haar fijnstructuur doordringen.

Een innovatie, aldus Achterhuis, is een nieuwe (of vernieuwde) methode om iets te doen, te fiksen, een nieuwe wijze van instrumenteel handelen. Het typische van zo'n techniek is dat ze inderdaad een eigen specifieke werkelijkheidsbenadering belichaamt, namelijk de instrumentele. Achterhuis acht de relatie tussen het instrumentele aspect en de culturele grondhouding, die beide in techniek aanwezig zijn, niet eenvoudig theoretisch te duiden. Maar dat valt nogal mee: het instrumentele zelf betekent enerzijds een soort handeling en anderzijds een bepaalde houding tegenover de werkelijkheid, waarin die wordt gezien als technisch beheersbaar.

Concurrent

Als zo'n nieuwe techniek in een bepaalde praktische context terechtkomt, kunnen er verschillende dingen gebeuren. De instrumentele houding, die in die innovatie besloten ligt, kan deel uitmaken van de cultuur van de praktijk. De nieuwe techniek zal in dat geval de concurrent worden van reeds bestaande technieken. Ze kan de inzet worden van een debat over efficientie, milieuvriendelijkheid, gevaarlijkheid, gebruikersvriendelijkheid en werkgelegenheid. In dit debat wordt veelal door deskundigen de nieuwe techniek en de heersende cultuur op elkaar afgestemd.

Zoiets hoort bij de normale culturele ontwikkeling van elke praktijk. Een veeteeltkundige die een nieuw schaperas ontwikkelt, een tuinbouwkundige die een efficienter bestrijdingsmiddel ontdekt, een bruggenbouwer die een nieuwe overspanningstechniek ontwerpt of een wegenbouwkundige die een nieuwe betonstortmethode bedenkt, revolutioneert maatschappij en natuur niet voortdurend, zoals Achterhuis ons wil doen geloven.

Tegenover dit in zekere zin probleemloze staat een ander geval: de innovatie komt in een praktijk terecht, waar ze een concurrent wordt van een gevestigde, nietinstrumentele handelwijze. Neem de in 1752 door Benjamin Franklin ontwikkelde bliksemafleider. Dit instrument, dat uiteraard de instrumentele houding ten aanzien van natuurverschijnselen belichaamt, botst in de toenmalige praktijk op de wijwaterkwast. Een maatschappelijk erkende en in de cultuur verankerde manier om met het probleem van de blikseminslag om te gaan - de priesterlijke wijding - wordt uitgedaagd door de nieuwe techniek. En nu ligt die botsing niet meer alleen op het instrumentele vlak. Nu poneert die techniek ook een andere houding tegenover de natuur, juist doordat ze een instrumentele probleemaanpak voorstelt! Hier lijkt Achterhuis' idee van een techniek, die mens en maatschappij in hun diepste wezen (nou ja! ) verandert, veel realistischer.

Stier Herman, door Achterhuis uitgebreid besproken, komt in onze cultuur in botsing met fundamentele overtuigingen over wat je wel en niet met dieren mag doen. Hier manifesteert zich heel helder de instrumentele houding als alternatief voor een meer participerende houding tegenover de natuur, ook al sluit de eerstgenoemde houding helemaal geen voorzichtigheid, terughoudendheid en respect uit. Het debat heeft nu een heel andere inzet dan in het eerste geval en grijpt dieper. Achterhuis' kritiek op het Herman-debat is juist dat men dit heeft gereduceerd tot een debat van het soort dat ik in de eerste situatie heb geschetst.

Deze bijdrage voor het WUB is bewerkt door de redactie. Hans Achterhuis spreekt op 25 oktober in De Wereld, om 20.00 uur.

Re:ageer