Wetenschap - 22 juni 1995

Natuur in Nederland

Natuur in Nederland

Hieronder het keurslijf van de Nederlandse natuur. En voor de thuisblijvers: vergeet de regels en plannen even. Het kan toch leuk toeven zijn in de Nederlandse natuur.


Natuurontwikkeling

Vanaf ongeveer 1980 is een nieuwe benadering van natuur in zwang geraakt: natuurontwikkeling. In tegenstelling tot eerdere beheersstrategieen gaan aanhangers van natuurontwikkeling ervan uit dat de natuur zichzelf wel kan redden. Geef de natuur de ruimte, zorg voor grote gebieden en laat weer volledige en complete ecosystemen ontstaan. Natuurontwikkeling kan plaatsvinden in bestaande natuurgebieden, als het oude beheer wordt verlaten, of in compleet nieuwe natuurgebieden, bijvoorbeeld op voormalige landbouwgronden, aan de oevers van rivieren of zelfs in polders als de Oostvaardersplassen tussen Lelystad en Almere.

Overigens is het begrip natuurontwikkeling volgens bedenkers en aanhangers aan hevige inflatie onderhevig. Ook andere vormen van natuurbeheer dragen meer en meer de naam natuurontwikkeling. Het gaat dan echter lang niet altijd om een ongestoorde en vrije natuur, maar ook om de aanleg of het omvormen van bossen, natuurbeheer door boeren of de aanleg van stadsparken.

De discussie over natuurontwikkeling spitst zich vaak toe op de vraag of Nederland niet te klein en te vervuild is voor natuurontwikkeling en of het niet veel te duur is. Echte natuur zou in Nederland toch niet bestaan omdat de uitgangssituatie immers altijd is beinvloed door de mens. Bovendien is er altijd vervuiling via grond, water en lucht. En door de benodigde grondaankopen kost natuurontwikkeling handenvol geld.

Natuurontwikkelaars verweren zich door te stellen dat er desondanks zoveel mogelijk gekeken kan worden wat de natuur wel kan. En die grondaankopen, dat zijn eenmalige kosten.

De eerste aanzet voor grootschalige projecten voor natuurontwikkeling komt voort uit een prijsvraag die gewonnen werd door het plan Ooievaar van onder andere LUW-medewerker drs F. Vera. Een voorbeeldproject uit dat voorstel is inmiddels uitgevoerd in de Blauwe Kamer bij Rhenen.

Als reactie op het plan Ooievaar schreef het Wereld Natuur Fonds enkele jaren later het verhaal Levende rivieren, een voorstel om langs het grootste gedeelte van de Nederlandse rivieren het water weer vrij spel te geven. Levende rivieren is een idee waarvan het WNF hoopt dat anderen het gaan uitvoeren. Het WNF denkt daarbij vooral aan ontgronders die de uiterwaarden moeten afgraven en natuurvriendelijk inrichten. Daarmee zouden dan ook de financien zijn geregeld.

Inmiddels zijn langs de rivieren de nodige projecten begonnen. Een van de meest in het oog springende is de Gelderse Poort, het gebied waar de Rijn zich vertakt in Waal, Nederrijn en IJssel. De plannen voor het gebied zijn opgesteld door de provincie Gelderland. Het gebied is tweehonderd vierkante kilometer groot, waarvan de helft in Duitsland. Het overgrote deel is nog gewoon landbouwgebied. Slechts enkele stukken, zoals Meinderswijk bij Arnhem (tweehonderd hectare) en de Millingerwaard bij Nijmegen (140 hectare), zijn al omgevormd tot natuurgebied. De rest moet de komende jaren ofwel aangekocht, ofwel op een andere manier door boeren beheerd worden.

Grondaankopen

De natuurbescherming kan niet zomaar overal in Nederland grond kopen, al vrezen boeren dat vaak wel. Een provinciaal streekplan biedt een globale aanduiding waar natuur moet komen. Slechts bij hoge uitzondering zal een grondeigenaar op die plek net van plan zijn grond te verkopen. Is hij dat wel van plan, zal de rijksoverheid in de persoon van Landinrichting en beheer landbouwgronden (LBL, het fusieresultaat van de Landinrichtingsdienst en het Bureau beheer landbouwgronden) een bod uitbrengen. LBL geeft de aangekochte grond over aan Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of een provinciaal landschap. De laatste twee kopen de grond, voor de helft met rijkssubsidie en voor helft met provinciale subsidie. De invloedssferenkaart, waarop de gebieden van de drie organisaties staan ingetekend, geeft aan wie van de drie het meest voor de hand ligt als grondbezitter.

Als de juiste percelen niet meteen te koop zijn, wacht LBL niet met de aanschaf, maar koopt het ergens in de buurt andere gronden en geeft die vervolgens aan een van de drie organisaties. Die verpacht ze vervolgens middels kortlopende contracten aan een boer. Soms gaat de organisatie zelf extensieve landbouw bedrijven op de grond. Zodra er in het gebied ruilmogelijkheden zijn heeft de natuurbescherming een aantal gronden te ruil tegen gronden die op de gewenste plek liggen en aaneengesloten zijn.

Slechts zeer sporadisch kopen de organisaties zelf gronden voor natuurdoeleinden. Zo heeft het Wereld Natuur Fonds enkele kleine gebieden in de Gelderse poort die het als voorbeeldgebied wil beheren. Natuurmonumenten kocht enkele jaren geleden grond voor het plan Goudplevier. Deze aankopen buiten de gewone kanalen om zijn vaak een doorn in het oog van boeren. De natuurorganisaties betalen vaak meer dan de gangbare marktprijs en verpesten zo de markt voor boeren die zelf grond willen kopen.

Het grootste probleem van het natuurbeleid is dat er te weinig geld is voor alle geplande aankopen. Agrariers verzetten zich dan ook hevig tegen het begrenzen van natuurgebieden zonder dat de overheid kan waarmaken dat ze ook daadwerkelijk gaat kopen. De boeren vrezen dat de grondprijs keldert als er een natuurdoem van de overheid op ligt. Zij vinden dat de overheid yfwel meteen moet kopen, yfwel geen gronden moet aanwijzen die ze ooit nog eens wil kopen.

Ecologische hoofdstructuur

In het Natuurbeleidsplan uit 1990 is voor het eerst sprake van het streven naar een netwerk van aaneengesloten natuurgebieden. Op de kaart van Nederland is een ecologische hoofdstructuur van zevenhonderdduizend hectare getekend.

Die tekening wil overigens niet zeggen dat daar binnen afzienbare tijd ook daadwerkelijk natuur zal zijn. De kaart is slechts een globale schets en de provincies zullen in hun streekplannen de ecologische hoofdstructuur (EHS) verder moeten invullen. Vervolgens kunnen gemeenten hun bestemmmingsplannen daaraan aanpassen.

Een ogenschijnlijk simpele vraag aan het Informatie- en kenniscentrum Natuur (IKC), het Landbouwministerie en Landinrichting en beheer landbouwgronden (LBL) wekt in eerste instantie hilariteit: Hoe ver zijn de provincies met de begrenzing? De vraag is simpel, maar het antwoord weet niemand. Sinds de decentralisatie is de ecologische hoofdstructuur (EHS) immers de verantwoordelijkheid van de provincies. Wel weet het IKC te melden dat misschien een paar procent is begrensd". Er is dus nog helemaal geen hoofdstructuur in Nederland.

In de schetsmatige EHS is onderscheid gemaakt in kerngebieden, verbindingszones, natuurontwikkelingsgebieden, buffergebieden en reservaatsgebieden, elk met een iets verschillend aankoopbeleid en beheersdoelstelling. De kerngebieden zijn de grotere, bestaande natuurgebieden zoals waardevolle cultuurlandschappen, bossen, landgoederen en relatienotagebieden. Kerngebieden worden verbonden middels verbindingszones. Natuurontwikkelingsgebieden zijn de nieuwe gebieden. Het bufferbeleid zorgt voor een randbescherming. Reservaten zijn de gebieden die zijn aangekocht in het kader van de Relatienota.

Als een provincie een gebied heeft aangewezen als EHS-gebied, hoeft ze niet zelf te bedenken wat daar voor natuur moet komen. Het Informatie- en kenniscentrum Natuur heeft daar een nota Ecosysteemvisie over geschreven. Hierin staat welke soorten planten en dieren voor Nederland zeldzaam zijn, welke een negatieve trent laten zien of internationaal van belang zijn. Voldoet een soort aan twee of drie van deze criteria, dan komt ze voor in een natuurdoeltype, bijvoorbeeld droog grasland of dynamisch zout getijdelandschap. In de nota kan de provincie per EHS-gebied lezen welk natuurdoeltype het meest kansrijk is, zodat ze het beheer daarop kan afstemmen.

Rolverdeling

In de natuurwereld spelen de organisaties Wereld Natuur Fonds en Natuurmonumenten de grootste publieke rol. Ze hebben zorgvuldig hun voorzitters uitgekozen: de twee ex-VROM-ministers Nijpels en Winsemius. Hoewel de leiders politieke geestverwanten zijn, botert het niet echt tussen de organisaties. Gemakshalve hebben ze, zonder veel ophef, Nederland verdeeld in het natte deel voor het WNF en het droge deel voor Natuurmonumenten.

De natuur is een geliefd onderzoeksveld. In Nijmegen zitten de aquatisch ecologen onder leiding van ex-Wageninger prof. J. van Groenendael, die onderzoek doen in het rivierengebied. De Nijmeegse vakgroep Milieu, Natuur en Landschap van dr J. Gersie is vooral bezig met onderzoek naar het natuurbeleid. In Leiden is de vakgroep Milieubiologie onder leiding van dr W. Ter Keurs voortrekker van het idee om boeren te betalen voor de natuur die zij produceren.

In Wageningen zetelt de nestor van de natuurontwikkelingsgedachte, drs F. Vera, die aan de LUW zijn promotie-onderzoek doet. Vera schreef samen met F. Baerselmans de eerste LNV-nota Natuurontwikkeling. Dr ir L.H.G. Slangen van de vakgroep Agrarische economie houdt zich bezig met de kosten van natuurbeheer. Sinds een jaar heeft prof. dr F. Berendse de leiding over de nieuwe vakgroep Terrestrische ecologie en natuurbeheer.

Na zeer moeizaam overleg tussen de initiatiefnemers worden bij de universiteiten van Amsterdam, Nijmegen en Utrecht binnenkort drie Natuurontwikkelingshoogleraren aangesteld. Het Prins Bernhard Fonds, het WNF en Natuurmonumenten betalen elk een leerstoel.

Wageningen speelt ook een belangrijke rol via de DLO-instituten. Het Staringcentrum onderzoekt onder leiding van drs W. Harms en drs A. van de Klundert de veranderingen van het landelijk gebied. Bij het Instituut voor Bos- en natuuronderzoek wordt ecologische onderzoek gedaan: Landschapsecologie door dr P. Opdam; Bos- en natuurontwikkeling door dr H. Verkaar. Verder zetelt in Wageningen het Informatie- en kenniscentrum Natuur, een afdeling van het Landbouwministerie die zich bezig houdt met het verzamelen, bundelen en uitzetten van natuuronderzoek.

Een groot aantal ingenieursbureaus heeft de natuurmarkt ontdekt. Opvallend in het rijtje is de Grontmij, die vorig jaar een overeenkomst sloot met het WNF om samen aan meer natuur te werken. Andere groten zijn onder andere Heidemij, Oranjewoud en H+N+S. Bureau Stroming, van W. Helmer en W. Overmars, speelt een belangrijke rol in de visievorming bij het WNF. Stroming schreef onder andere het plan Levende rivieren.

Bij de overheid geeft allereerst het ministerie van Landbouw, natuurbeheer en visserij vorm aan het natuurbeleid. Het ministerie krijgt geduchte concurrentie van diverse Rijkswaterstaatdiensten. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene wil samen met LNV een natuurplanbureau oprichten waar de natuur gemonitord wordt.

De koers van VROM

Naast het ministerie van Landbouw, natuurbeheer en visserij bemoeit ook Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu (VROM) zich met het natuurbeleid. Het belangrijkste VROM-beleid staat in de Vierde nota ruimtelijk ordening Extra, afgekort tot Vinex. Het doel van het daarin voorgestelde koersenbeleid is het duurzaam handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van de landelijke gebieden". Belangrijkste uitgangspunten voor dit beleid is een koppeling van watersystemen, milieubeheer en de ruimtelijke ontwikkelingen.

VROM verdeelt Nederland in vier koersen: een groene, gele, bruine en blauwe koers. In de groene zijn de ecologische kwaliteiten richtinggevend voor de ruimtelijke ontwikkeling. In de gele gebieden hebben de agrarische produktiefuncties voorrang. De blauwe en bruine koersen verschillen niet zoveel. In de blauwe koers-gebieden vindt een sterke economische integratie plaats van verschillende functies waarbij de specifieke, regionale kwaliteiten richtinggevend zijn". De bruine koers heeft landbouw in een mozaiekpatroon met andere functies waarbij de landbouw overheersend zal zijn."

Het koersenbeleid is nu zo'n vijf jaar oud, maar in de praktijk komt er weinig van terecht. Het voornaamste probleem is dat het een zacht beleid is. Uiteindelijk weet VROM er geen handjes en voetjes aan te geven.

In de Vinex legt nauwelijks linken naar ander natuurbeleid. In antwoord op dat verwijt zegt VROM dat de ecologische hoofdstructuur en de koersen elkaar aanvullen en versterken. In de gele koers-gebieden moeten wat VROM betreft intensieve landbouw en natuur scheiden zijn. In de groene gebieden is de ecologische hoofdstructuur richtinggevend, wat betekent dat de landbouw alleen ecologisch of extensief kan zijn. De andere twee koersen combineren landbouw en natuur.

Relatienotagebieden

Sinds 1975 bestaat het zogenaamde Relatienotabeleid, dat is bedoeld om boeren te stimuleren wat aan natuur en landschap te doen. De beleidsdoelstelling is om voor 1998 tweehonderdduizend hectare landbouwgebied een functie in het natuurbeleid te geven. Menigeen betwijfelt de haalbaarheid van dat beleid en gezien de cijfers is dat niet zo vreemd. Eind 1990 was pas zestigduizend hectare conform de Relatienota in beheer. Weliswaar loopt het aantal hectaren inmiddels tegen de 110 duizend, maar ook dat loopt nog achter bij de planning.

De rijksoverheid heeft elke provincie een aandeel gegeven in de te realiseren hectaren relatienotabeleid. De provincies maken vervolgens beheersplannen voor gebieden varierend van een paar hectare tot meer dan 1500 hectare. Het plangebied wordt verdeeld in ongeveer de helft reservaatsgebied en de ander helft beheersgebied. De bedoeling is dat boeren zich vrijwillig aanmelden om hun landbouwgrond te verkopen aan de overheid of om er tegen een vergoeding aangepast beheer te voeren. Bij een reservaat koopt LBL de grond en draagt deze over aan een natuurbeherende instantie. Een boer kan eventueel zijn grond aanmelden als reservaat, maar daar in afwachting van de verkoop voorlopig beheerslandbouw op voeren. Bij een beheersgebied blijft de grond in bezit van de agrarier.

De bedoeling van LNV was dat de verhouding beheers- en reservaatsgebied een op een zou worden. De provincies wijzen echter in de praktijk meer reservaat aan. Daarom wil LNV vanaf volgend jaar de gelijke verhouding verplicht opleggen.

Overigens wordt het Relatienotabeleid veel bekritiseerd. Het natuurresultaat van beheerslandbouw blijft beneden de verwachting; vaak blijkt er nauwelijks verschil met gewone landbouwpercelen. Bovendien dreigen de kosten van beheerslandbouw hoog op te lopen. In eerste instantie zijn de kosten weliswaar lager dan wanneer de overheid de gronden zou kopen, maar de betalingen blijven in principe oneindig doorgaan. De kosten van een reservaat zijn op termijn nagenoeg nihil.

Boerennatuur

Diverse systemen zijn bedacht om boeren in te schakelen bij het natuurbeheer. In de Relatienotagebieden krijgen de boeren vergoedingen van LNV voor het nalaten van handelingen. Bijvoorbeeld als ze minder vaak maaien, de slootkanten ontzien bij het bemesten of om een grutto-nest heenrijden.

Volgens critici werkt dit systeem niet motiverend genoeg. Ze vinden dat boeren moeten worden betaald voor een natuurresultaat, in plaats van voor het nalaten van beheer. In Zuid-Holland lopen natuurproduktie-experimenten waar boeren zelf bijhouden wat voor plante- en diersoorten op hun land voorkomen. Afhankelijk van de natuurproduktie, bijvoorbeeld een gruttopaar of een orchidee, wordt de boer uitbetaald.

De natuur- en milieu-cooperaties van boeren vinden dat boeren beter dan de overheid in staat zijn om natuur-, milieu- en landschapsbeleid te voeren. Zij proberen door middel van streekeigen maatregelen toch tegemoet te komen aan de doelstellingen van de overheid.

Re:ageer