Wetenschap - 10 oktober 1996

Morfologie van eetbare planten

Morfologie van eetbare planten

Nic Hendriks, vakgroep Ecologische landbouw

Het colloquium zal deze zonnige maandagmiddag plaatsvinden in de koffiekamer van de vakgroep Ecologische landbouw. Vliegenzwammen in een potje staan op tafel, een tiental appeltjes ernaast. Foto's van het vakgroepsuitje van vorig jaar sieren de muur. In deze gezellige omgeving zal Nic Hendriks zijn onderzoek presenteren naar de samenhang tussen eetbaarheid en morfologie van inheemse Brassicaceae, ofwel de koolfamilie. Examinator Oldeman is aanwezig, begeleider Beekman moest echter verstek laten gaan.

The temptation to take precious things we have apart to see how they work, must be resisted or they never fit together again, lees ik op het T-shirt van Hendriks. Hij zegt geinspireerd te zijn tot het onderzoek door een practicum Fenomenologie. De leukste cursus die aan de Landbouwuniversiteit is te volgen, aldus het voorwoord van zijn verslag.

Is aan de morfologie te zien of een plant eetbaar is of niet? Handig is dan een definitie van eetbaar. Op basis van vermeldingen in de literatuur deelt Hendriks de koolsoorten in in vier categorieen: primair eetbaar als groente, secondair (bijvoorbeeld kruiden), geneeskrachtig en niet eetbaar. Van de ruim vijftig inheemse kolen bleken er dertien te boek te staan als primair eetbaar en zeven als secundair. Vervolgens onderzocht hij wat de morfologische onderscheidingskenmerken waren en of er sprake was van een verschil in ontwikkeling. Daarvoor gebruikte hij drie methodes. Allereerst bepaalde hij negen verschillende kenmerken, zoals vorm van het kiemblad, beharing, vruchtlengte, eerste bladontwikkeling, bladvorm en bloemgrootte. Zo groepeerde hij de planten in de kiembladreeks van omgekeerd hartvormig naar spitsvormig.

Vooral met het kiemblad had Hendriks succes: veel primair eetbare koolsoorten hebben omgekeerd hartvormige kiembladen. De uitkomsten bij zeven van de acht overige reeksen bleken echter stukken minder duidelijk.

Methode twee behelsde een groei-experiment met twee eetbare en twee niet-eetbare koolsoorten, waarbij Hendriks zijn keuze liet afhangen van bij Unifarm beschikbare zaden. Helaas kwamen niet alle kolen binnen het 17-punts vak tot bloei. Desondanks leken de resultaten een bevestigend antwoord op de onderzoeksvraag te ondersteunen.

Bij methode drie gebruikte Hendriks zijn intuitie. Hij speurde naar wilde koolsoorten en stelde zich boven zo'n exemplaar met behulp van een pendel de vraag of de plant geschikt was als voedsel. Vervolgens onderzocht hij ze op enkele morfologische kenmerken. Dat leverde weinig concreets op, mede doordat Hendriks intuitie niet gespeend was van enige voorkennis. Geen zuivere koffie, zegt hij dan ook in zijn verslag.

Toch vindt hij de opzet van het onderzoek behoorlijk geslaagd. Hendriks denkt dat het feit dat juist het beste onderscheid bij de kiemplanten ligt antroposofisch verklaard kan worden. Voordat een plant uit het zaadje kiemt is het in een kosmische enclave opgesloten. Als het kiemt, komt het voor het eerst in contact met de aarde, maar wordt vooral in het begin uit het zaadje gevoed. Na een tijdje neemt het plantje steeds meer aardse voeding op en gaat het kosmische archetype verloren aan een aardse verstarring."

Een vraag uit het publiek: of er een theorie zit achter zijn onderzoek? Heel weinig", antwoordt Hendriks laconiek. Ik heb er natuurlijk wel over nagedacht. Wat leren kinderen op school? Dat kersen rond en rood zijn, zodat de vogels ze op kunnen eten." Oldeman heeft echter zo zijn twijfels of de vorm van planten bedoeld is om de mens te laten weten of ze eetbaar zijn of niet. De vorm als signaal voor ons ik weet het niet. Ik denk eerder dat de vormen zijn aangepast aan de fysiologie van de planten."

Of Hendriks enige statistische onderbouwing heeft gebruikt, vraag ik. Dat wel, maar de resultaten klopten niet helemaal. Misschien een slordigheidje van mezelf bij het invoeren." Maar met gezond verstand kan iemand ook wel zien of er een verband bestaat, vindt Hendriks, die zijn aversie voor statistiek niet onder stoelen of banken steekt.

Wat nu, vraagt iemand tenslotte. Een vriend grapt: Dat je straks als je door het oerwoud loopt, geen honger meer hoeft te lijden." Waarna Hendriks, serieuzer, zegt: Ik heb maar een familie onderzocht. Het zou leuk zijn als andere families aan de beurt zouden komen." Want eigenlijk had Hendriks ook de Compositae en de Umbelliferae onder de loep willen nemen. Hij heeft deze families weliswaar vlot bekeken, maar durft daar geen conclusies aan te verbinden. Vooral omdat ik met deze planten geen verhouding heb kunnen opbouwen, heb ik de resultaten van deze families niet in dit verslag opgenomen", lees ik.

Re:ageer