Wetenschap - 19 september 1996

Minder nota

Minder nota

Onderwijsinstituten moeten met minder geld onderwijs verbeteren

Of de bundeling van achttien LUW-opleidingen in vier onderwijsinstituten meer oplevert dan een nieuw vergadercircuit, moet de komende jaren blijken. De taak van die onderwijsinstituten: werken aan beter onderwijs voor minder geld, en de moeizame communicatie tussen het college van bestuur en de richtingsonderwijscommissies (roc's) en MSc-programmacommissies verbeteren.


De vier onderwijsinstituten, die op 1 september bestuursverantwoordelijkheid kregen, stappen op een rijdende trein. Nadat de universiteitsraad vorig collegejaar de nieuwe doctoraalprogramma's voor het tweede jaar vaststelde, gaan de onderwijsinstituten nu aan de slag met het vaststellen van de doctoraalprogramma's voor het derde jaar. Vooral voor de huidige eerste- en tweedejaars is dit interessant, want komende maanden besluiten de onderwijsinstituten dus welke gewone en afstudeervakken zij mogen volgen in hun derde en vierde studiejaar. Ook beslissen de onderwijsinstituten over het voortbestaan van studierichtingsspecifieke vrije vakken. Dat zijn vakken die niet als verplichte of beperkte-keuzevakken in de studieprogramma's voorkomen.

De taakomschrijving van de onderwijsinstituten is verder wat vaag. Ze kunnen een eigen onderwijsbeleid voeren, maar moeten zich wel houden aan de kaders die de universiteitsraad voor onderwijsprogramma's stelde.

Vanwege bezuinigingen op het onderwijs moeten er de komende tijd zo'n tweehonderd vakken verdwijnen. De onderwijsinstituten bepalen in feite welke. Zij kopen namelijk vakken in bij vakgroepen, die zo basisvergoedingen krijgen voor hun vakken. Ook het college van bestuur heeft wat basisvergoedingen te verdelen; voor vakken als filosofie, die voor alle studierichtingen van belang zijn. Vakken die geen basisvergoeding krijgen van een onderwijsinstituut of het college van bestuur verdwijnen.

Studieadvies

Hoeveel vakken de verschillende onderwijsinstituten zich kunnen veroorloven, is nog niet bekend. De kosten van de programma's zijn namelijk pas te berekenen als alle nieuwe onderwijsprogramma's bekend zijn", vertelt prof. dr L.H.W. van der Plas, voorzitter van het onderwijsinstituut Levenswetenschappen. Als twee instituten hetzelfde vak kopen, hoeven ze ieder maar de helft van de basisvergoeding voor dat vak te betalen. Er is veel overleg nodig.

De voorzitters van de onderwijsinstituten gaan samen optrekken, vertelt Van der Plas. We moeten voorkomen dat studenten van opleidingen die onder verschillende instituten vallen een andere behandeling krijgen." Zo moet bijvoorbeeld het ene onderwijsinstituut niet op grond van andere criteria een studieadvies aan eerstejaars gaan geven dan het andere.

Onderwijsmanagement was tot nu toe een zwak punt", vindt drs E.R. van den Ende, beleidsmedewerker van het instituut Technologie en voedsel. Hij gelooft er sterk in dat de onderwijsinstituten het onderwijs kunnen verbeteren. Het college van bestuur kon moeilijk over al zijn ideeen met achttien roc's gesprekken houden. Volgens drs M.E. Vaane, beleidsmedewerker bij Levenswetenschappen, was er te veel papierencommunicatie. Roc's kregen op hun schriftelijke commentaar op beleid van het college van bestuur vaak antwoord in de vorm van een nieuwe nota. De nu ingestelde onderwijsinstituten kunnen zowel met de roc's als met het college van bestuur gesprekken voeren, in plaats van nota's uitwisselen.

In roc's hebben de belangen van vakgroepen soms invloed op de besluitvorming. De onderwijsinstituten staan volgens Vaane boven die belangen. We gaan de roc's echter niet de wet voorschrijven. Dat zou ook averechts werken. We willen gebruik maken van de expertise die de roc's de afgelopen jaren opbouwden."

Van den Ende verwacht een hechte relatie met de roc's te krijgen en regelmatig roc-vergaderingen bij te wonen. Ook prof. dr A.T.J. Nooij, voorzitter van het onderwijsinstituut Maatschappijwetenschappen, vindt persoonlijk contact met de roc's en MSc-programmacommissies belangrijk. Hij hoopt besef te krijgen van het idee achter de opleidingen, zodat hij op basis daarvan met constructieve voorstellen bij de roc's kan komen, bijvoorbeeld bij problemen met de financierbaarheid van een programma.

Het onderwijsinstituut Technologie en voedsel is begonnen met het maken van een strategisch plan, waarin de relatie met het vwo, de afzetmarkt, het bedrijfsleven, het onderwijs aan niet-studenten en de profilering van het vakgebied aan de orde komen. Het instituut gaat ook nadrukkelijk zoeken naar extra onderwijsgeld van buiten de universiteit. Volgens Van den Ende wil Technologie en voedsel meer geld en aandacht besteden aan kwaliteitszorg dan nu gebeurt. De huidige Muggen-enquetes (vakkenevaluaties op basis van een meerkeuze-vragenlijst, red.) alleen zijn niet voldoende voor een dekkende kwaliteitszorg", vertelt Van den Ende. We willen een grotere diversiteit aan evaluaties van vakken en richtingen opzetten."

Mentorgroepjes

Niet alleen in Wageningen ontstaan onderwijsinstituten als tegenhangers van de onderzoekinstituten. Op de Universiteit van Amsterdam bestaat bij de faculteit Wiskunde, informatica, natuur- en sterrenkunde zo'n onderwijsinstituut met zeven opleidingen inmiddels een jaar. Het onderwijsinstituut is daar verantwoording verschuldigd aan het faculteitsbestuur, waar ook een student in zit.

Dr A. Kaldewaij, directeur van het instituut, wil in zijn functie docenten enthousiaster maken voor onderwijs en problemen rond het onderwijs vroegtijdig signaleren. Ik heb een student in dienst die een onderwijsevaluatie-systeem runt en een student die contact houdt met studenten van opleidingscommissies en van studieverenigingen." Elk trimester maakt hij een ronde langs de vakgroepen om hun onderwijsinzet te bespreken.

Kaldewaij laat professoren en universitaire docenten mentorgroepjes van eerstejaars-studenten begeleiden, waardoor ze meer betrokkenheid met studenten voelen en onderwijsproblemen van studenten direct naar hem kunnen terugkoppelen. Klachten bereiken hem zo snel.

Eerstejaars studenten krijgen sinds vorig jaar in december een studieadvies. Dat is gebaseerd op cijfers voor hun toetsen en examens, werk dat ze bij werkcolleges hebben ingeleverd en de indruk van de practicum-docenten en de mentoren. Later in het jaar gebruikt Kaldewaij deze studieadviezen om een aantal docenten te confronteren met het feit dat ook studenten met een positief studieadvies bij hen een slecht cijfer halen. Inzet van zo'n persoonlijk gesprek is het probleem in kaart te brengen en te kijken wat er aan het vak verbeterd kan worden. Wil de betreffende docent niet meewerken, dan gaat Kaldewaij op zoek naar een andere docent voor het vak.

Dit idee is misschien in Wageningen ook te gebruiken. Tentamens zeggen inderdaad niet alleen iets over de studenten, maar ook iets over de prestatie van de docent. In de toekomst zouden we hier met onze kwaliteitszorg best wat mee kunnen doen", verwacht Van den Ende.

Een onderwijsinstituut neemt onderwijs af bij een vakgroep; de vakgroep blijft verantwoordelijk voor dat onderwijs", vindt Van der Plas. Hij verwacht daarom niet als instituutsvoorzitter te gaan praten met individuele docenten. Als uit een evaluatie blijkt dat een vak niet goed gegeven wordt, vragen we aan de vakgroep of de docent het vak wil verbeteren of dat een andere docent het vak gaat geven."

Van den Ende denkt het verbeteren van vakken te kunnen stimuleren door eenmalig extra geld voor knelpuntvakken te geven. Volgens Nooij kan een onderwijsinstituut bij blijvend slechte evaluaties van een vak een gelijksoortige vak ook elders inkopen, binnen of buiten de Landbouwuniversiteit. Dat zal meer druk op de vakgroepen zetten om goed onderwijs te geven. Als een vak elders wordt ingekocht verlaagt dat immers hun inkomsten.

Kaldewaij is optimistisch over de mogelijkheden om via het onderwijsinstituut docenten te stimuleren hun onderwijsvaardigheden te ontwikkelen. Een didactische cursus, daar word je niet slechter van", stelt hij. Nooij is wat pessimistischer. Ik heb zelf altijd met veel plezier onderwijs gegeven en er veel aandacht aan besteed", vertelt hij. Maar hij vindt dat je de invloed van een instituutsvoorzitter niet moet overschatten.

Re:ageer