Wetenschap - 12 januari 1995

Miljoenen van Pronk brengen

Miljoenen van Pronk brengen

Internationaal onderwijs: Geen sitting duck, maar een actieve rol

De samenwerking tussen vijf internationale onderwijsinstellingen en de Landbouwuniversiteit krijgt langzaam vorm, nu het politieke gesteggel over het promotierecht zowaar beklonken is. En ook al zijn pretentieuze plannen nog voorbarig, de internationale allure van Wageningen wordt toch maar mooi versterkt. Bovendien kan de LU meedingen naar de drie miljoen van Pronk.


Wageningen is de meest internationale universiteit van ons land. Dit werd vorig jaar door drie ministers tegelijk dik onderstreept. Zij vroegen ons een leidende rol te spelen in het complete veld van het Nederlandse internationale onderwijs. Inmiddels hebben wij met de desbetreffende instellingen een samenwerkingsverband gesloten. Een fantastische kans om ons als internationale instelling te profileren." Met deze peptalk opende rector magnificus C. Karssen in december het Wageningse Alumniblad: De LU timmert aan de weg en gaat een grenzeloze toekomst tegemoet.

Maar de praktijk is weerbarstig en de tocht naar glansrijke perspectieven kenmerkt zich vooral door tijdrovende formaliteiten en procedures. De vijf IO-instellingen en de LU maken weliswaar gezamenlijke plannen, maar van een gemeenschappelijk strategisch beleid is geen sprake. Dat zit er voorlopig niet in", aldus dr M. Hubers. Hubers is door het college van bestuur aangesteld als ambtelijk secretaris van het nieuwe samenwerkingsverband van het Institute of social studies (ISS), het Institute for infrastructural hydraulic and environmental engineering (IHE), het International institute for aerospace survey and earth sciences (ITC), het Institute for housing and urban development studies (IHS), de Maastricht School of management (MSM), en de LU.

Dit internationale onderwijsgezelschap werkt, volgens Hubers, aan haar eerste inhoudelijke stappen op het door Karssen bejubelde pad der samenwerking via vier projecten op het gebied van milieu-onderwijs, beheer van stroomgebieden, bestrijding van stedelijke armoede en onderzoek naar voedselproduktie. Of dit ook was gebeurd zonder de drie miljoen stimuleringssubsidie van minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking mag echter worden betwijfeld, want van een innige relatie is nauwelijks sprake.

Imago

Nu is dat alleszins begrijpelijk, want aan de formele ondertekening op 20 juni 1994 gingen twee roerige jaren vooraf, waarin toenmalig staatssecretaris van Onderwijs Cohen de knoop moest doorhakken over het promotierecht. De eerste aanzet kwam van minister Ritzen en diens collega Pronk. Beide bewindslieden wilden de status van de vijf IO-instellingen binnen het onderwijsbestel verduidelijken en Ritzen was daarbij voorstander van integratie met bestaande universiteiten. De IO-instellingen vreesden voor hun identiteit en gooiden de kont tegen de krib. Maar, vertelt Hubers, de concurrentie op de internationale onderwijsmarkt dwingt tot een krachtenbundeling, ook al is dat geen sinecure voor vijf vechtersbazen met een lange traditie van gesteggel om beurzen en middelen. Toch is het noodzakelijk, vertelt de secretaris, want samenwerkende Engelse instellingen halen bijvoorbeeld al meer projectgelden uit Brussel binnen.

Een andere belangrijke verschuiving in de onderwijsarena is dat steeds meer Derde Wereldlanden hun eigen M.Sc.-onderwijs verzorgen. Dus verleggen de vijf hun aandacht naar het Ph.D.-niveau, geholpen door Pronk die daarvoor 35 extra beurzen financiert. Echter, hiermee belanden ze in toenemende mate op het werkterrein van universiteiten - die hebben promotierecht - dus was de integratie gedachte van Ritzen zo gek nog niet. Niettemin volgde de minister adviezen van de commissie Wolfsson, die een wat lossere samenwerking van de vijf met de LU suggereerde. De LU moest daarbij de link leggen tussen het IO en het universitaire bestel.

Uitholling

De LU wilde wel, vertelt Hubers, mede omdat ze graag haar internationale allure wil versterken nu het groene imago sombere tijden doormaakt. Bovendien maakt ze met deze constructie kans op een meer structurele financiering van haar M.Sc.-onderwijs.

Maar het zeurende promotierecht belemmerde snelle beslissingen. Het ISS mocht inmiddels promovendi opleiden - verworven rechten luidt de verklaring bij het ministerie van Onderwijs - maar ITC en IHE kregen na twee Kamerdebatten nul op rekest. Toen besliste Cohen dat hij geen nieuwe promotierechten zou verstrekken. IO-instellingen konden terecht bij universiteiten waar ze reeds mee samenwerkten, en de LU moest hiervoor een regeling opstellen. Punt uit.

Het eind van het liedje is nu dat zeven universiteiten zitting krijgen in een Wetenschappelijke adviesraad onder voorzitterschap van een onafhankelijk lid, voorgedragen door de Koninklijke akademie van wetenschappen. De raad bekijkt elk afzonderlijk promotievoorstel en oordeelt of de voorgedragen IO-hoogleraar, die nog niet benoemd is bij een universiteit, voldoende gekwalificeerd is. Zo ja, dan adviseert de raad de betreffende universiteit een benoeming tot 0,0 hoogleraar -dit kost de universiteit dus geen geld - waarna de persoon het promotierecht verwerft. Deze constructie, vertelt Hubers, voorkomt een door de universiteiten gevreesde uitholling van de hoogleraarstitel; nu ondergaan IO-professoren immers dezelfde screening als hun universitaire collega's.

Kijk, niemand heeft om deze constructie gevraagd. Een Kamermeerderheid was voor promotierecht voor ITC en IHE, maar Cohen besloot anders, gelukkig wel met de aantekening dat de samenwerking na twee jaar wordt geevalueerd." Aldus ITC-directeur prof. dr ir K.J. Beek, tevens voorzitter van het samenwerkingsverband. Met wat tandengeknars becommentarieert hij de recente ontwikkelingen. De raad geeft zwaarwegende adviezen aan universiteiten. Die mogen dit niet zomaar naast zich neerleggen met de boodschap van maar we hebben al zoveel hoogleraren." Dit argument speelt volgens Beek vooral bij de faculteit Civiele techniek in Delft. Die vreest voor een overmaat aan hoogleraren vanuit het IHE, dat wegens haar hoge specialisatiegraad wel acht professoren kan leveren. Het komt wel goed hoor", verzekert Beek, maar het kost een hoop overleg."

Dromen

Liever zou Beek zijn tijd anders besteden, want hij dicht het samenwerkingsverband grote mogelijkheden toe. Zo rept hij over gemeenschappelijke cursussen en steunpunten in het buitenland en kan het samenwerkingsverband, wat hem betreft, voortaan rechtstreeks alle projectgelden van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking voor Internationaal Onderwijs beheren. We souperen nu al het grootste deel van dat budget en bovendien kampt die afdeling met een onderbesteding wegens trage afhandeling. Dat doen wij wellicht beter." Beek refereert daarmee naar Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs, die de DGIS-gelden nu beheert voor het Medefinancieringsprogramma hoger onderwijs.

Beek's dromen sluiten naadloos aan op de internationale pretenties van LU-rector Karssen, maar beide toekomstbeelden worden vooralsnog gehinderd door een overdosis aan formaliteiten. Zo moet eerst een stichting worden opgericht, opdat Pronk inderdaad zijn geld kwijt kan. Ook moeten de VSNU-protocollen worden aangepast, opdat de opleidingen voortaan worden doorgelicht door onafhankelijke visitatiecommissies. De VSNU heeft dit volgens Beek al eens gedaan - het heeft voor een ton het ITC gevisiteerd - maar nu moet de aanpak worden uitgebreid naar de andere instellingen. Daarna kan het gebakkelei beginnen over bonussen voor geslaagde promovendi. Het ministerie van Onderwijs verstrekt hiervoor jaarlijks een vast bedrag en dit belandt in de knip van de universiteiten, ook als het promoties betreft van IO-studenten. De oprichting van het nieuwe samenwerkingsverband vormt voor universiteiten geen aanleiding om dit te veranderen en daarom willen de vijf nu aankloppen bij Pronk, opdat hij he
n de felbegeerde bonussen zal verstrekken.

En als die klus is geklaard, wacht wellicht de moeilijkste: het verkrijgen van een duidelijke status. Beek: De VSNU en HBO-raad hebben die al, maar een overleg van IO en universiteiten zonder wettelijke status? Daarbij moet je voorkomen dat de overheid via jou haar bezuinigingen gaat afwentelen. Dus geen sitting duck, maar een actieve rol." De eerste proeve van bekwaamheid vormen nu de vier projecten. Deze moeten het jarenlange procedurele gezwoeg afsluiten en aantonen dat een samenwerking inderdaad meerwaarde heeft. De grote vrijheid in besteding van de middelen is in elk geval een prettige bijkomstigheid. Want", zegt een woordvoerster van DGIS over de drie miljoen gulden, het is echt stimuleringsgeld en men moet het naar eigen inzicht inzetten. Wij oordelen niet over de plannen. Wij nemen pas kennis in een rapportage achteraf."

Re:ageer