Wetenschap - 12 maart 1998

Megabedrijf met wegwerpdieren leidt tot ecologische destructie

Megabedrijf met wegwerpdieren leidt tot ecologische destructie

Megabedrijf met wegwerpdieren leidt tot ecologische destructie
IJzeren wetmatigheden van economie en technologie leiden tot een Nederlandse intensieve veehouderij met stallen vol wegwerpdieren, betoogde socioloog prof. dr ir Jan Douwe van der Ploeg op 6 maart in zijn diesrede tijdens de tachtigste verjaardag van de Landbouwuniversiteit. Hij pleit voor een verduurzaming van de productie, aan de hand van innovatiegoeroe Michael Porter. Een samenvatting
Waar ondervoeding, werkloosheid, uitzichtloosheid en rechteloosheid heersen, waar sprake is van ecologische verwoesting en gebrek aan leefbaarheid, waar de maatschappelijke en menselijke waarden in verdrukking komen, daar komt vroeg of laat de vraag naar landhervorming naar voren
Op al te veel plaatsen in de wereld lijkt het lot van boeren, boerinnen en andere actoren op het platteland, en met hen ook dat van de consumenten, onderworpen aan ijzeren wetmatigheden van economie en technologie. Nu kan ijzer worden gesmeed, daar ligt niet zozeer het probleem. Misschien is het voornaamste probleem dat bepaalde maatschappelijke verhoudingen ertoe leiden dat de vraag naar landhervorming wordt verzwegen of genegeerd
Veel hervormingsprocessen zijn in het recente verleden gelokaliseerd. Een cruciaal element daarbij betreft de definitie van de toekomstige man/grond-verhouding: hoeveel hectare zijn nodig om een bedrijf te scheppen waarop een boerenfamilie een redelijk inkomen kan verdienen? In de internationale literatuur wordt dit aangeduid met economic holding. Deze wordt meestal vastgesteld door de te verwachten ontwikkeling van prijzen, kosten en technologie-ontwikkeling te projecteren op het gebied. Vrijwel altijd is het resultaat dat er een kloof ontstaat tussen de empirisch geldende man/grond-verhouding en de na te streven economic holding
In het begin van de jaren vijftig werd in Egypte een landhervormig gerealiseerd, waarbij de economic holding 44 procent boven de toen geldende gemiddelde man/grond-verhouding lag. Derhalve was er some displacement nodig. In het begin van de jaren zestig lag in Tunesie de economic holding, berekend door experts van de Wereldbank, 166 procent boven de gemiddelde man/grond-verhouding. In de tweede helft van de jaren zestig was in Chili de afstand 260 procent, tijdens de radicale Peruaanse landhervorming begin jaren zeventig bedroeg de kloof inmiddels 400 procent. Met de slogan land to the tiller ontpopt landhervorming zich zo als een mechanisme dat leidt tot marginalisatie van grote delen van de plattelandsbevolking. Het is alsof ook landhervorming object is van een ijzeren wetmatigheid, van de wet tot behoud van misere
Fixatie
Wat voor innovaties in het algemeen geldt, geldt bij uitstek voor landhervormingsprocessen: ze zijn pas effectief als ze betrekking hebben op drie niveaus. Op de mobilisatie van resources, waar de omvang van de natuurlijke hulpbronnen een essentieel onderdeel van is. Op het eigenlijke productieproces binnen de boerderij. En op het institutionele en economische netwerk dat landbouw en samenleving met elkaar verbindt. De fout die in vroegere landhervormingsprocessen werd gemaakt, was de fixatie op het tweede niveau en verwaarlozing van het eerste en derde niveau
Een van de essentiele inzichten achter de landhervorming in Zuid-Afrika is dat er geen simpele tegenstelling hoeft te bestaan tussen staat en markt. De Zuid-Afrikaanse landhervorming is, in de woorden van landbouwminister Derek Hanekom, not state-driven, but state-supported. De markt wordt gebruikt om grond voor redistributie te verwerven. Tegelijkertijd worden de toekomstperspectieven van de armen onttrokken aan de gesel van de markt. Zij die in aanmerking komen, kunnen aanspraak maken op vijftienduizend Rand, teneinde dat naar eigen inzichten aan te wenden: een stuk grond kopen, het eigen huis verbeteren of vee kopen. There is not a fixed unit of land, stelt Hanekom. It all depends on what you do with it.
De Zuid-Afrikaanse aanpak betekent niet, zoals sommigen zouden kunnen tegenwerpen, dat er economisch niet-valide productie-eenheden worden gecreeerd. Waar het om gaat is dat de mogelijke levensvatbaarheid van productieve eenheden niet louter wordt ontleend aan markt- en prijsverhoudingen. Ook een aanvankelijk klein bedrijf kan door aanwending van de beschikbare arbeid, en door de mobilisatie van diverse netwerken, worden uitgebouwd tot een bedrijf dat over steeds meer resources gaat beschikken. De Zuid-Afrikaanse aanpak is expliciet gericht op het vergroten en versterken van de agrarische werkgelegenheid. Zeker zo belangrijk als het herverdelen van grond is het vermogen om de verhoudingen tussen markten en tussen markten en landbouwbedrijven te organiseren en reorganiseren
Stalplaats
Ook in de Nederlandse landbouw lijkt een ingrijpende en doelgerichte herordening van de social relations of production ofwel een landhervorming noodzakelijk
Het eerste probleem is dat een deel van de sector een economisch ontwikkelingsproces doormaakt dat leidt tot een verdergaand ecologisch vraagstuk. Door de eeuwen heen streefden boeren naar een zo hoog mogelijke productie per koe, gerekend naar de gehele levensduur van het dier. De honderdduizend- liter-kampioenes gelden in dit opzicht als monumenten
In een deel van de landbouwsector zijn de koe en de zeug echter allang niet meer het essentiele arbeidsobject. Waar hoge financieringslasten op het bedrijf drukken, wordt de stalplaats het voornaamste arbeidsobject en daarmee de relevante rekeneenheid. Dat impliceert dat de productie per stalplaats wordt gemaximaliseerd. Het dier is daarbij hooguit een middel. Voor een koe die wat langzaam op gang komt, is geen plaats meer. En in de zeugenhouderij betekent het dat het aantal biggen per zeug zo hoog mogelijk moet zijn, hetgeen op aantoonbare wijze ten koste gaat van de levensduur van de zeugen. Het aantal biggen per zeug, over de totale levensduur van de zeug, daalt
Het is niet uitgesloten dat de voorgenomen reductie van het aantal varkensplaatsen een verdere acceleratie van dit proces zal bewerkstelligen: een streven naar nog meer biggen per zeug per jaar en naar een versneld afmesten van de biggen. Let wel: reductie van de Nederlandse varkensstapel is mijns inziens om allerlei redenen noodzakelijk en gewettigd. Maar het schetst het niveau van de inmiddels gecreeerde tegenspraken dat een op zich noodzakelijke maatregel weer deel wordt van een andere kwaal, in dit geval de verkwisting van dierlijk uitgangsmateriaal. We lossen een probleem op maar verergeren daarmee het volgende probleem. Een illustratie bij uitstek van de wet tot behoud van ellende!
Moraal
De bestijding van de varkenspest leverde dramatische beelden op van geelektrocuteerde zeugen in mechanische grijpers. De notie van wegwerpdieren werd daarmee abrupt gemeengoed; de muur van onzichtbaarheid, die normaal gesproken zo kermerkend is voor de sector, werd even doorbroken. Ik vrees evenwel dat de notie van wegwerpdier niet kan worden beperkt tot die afschuwelijke beelden. Hier geldt bij uitstek de scherp geformuleerde stelling van Koos van Zomeren: Het is of onze moraal die zich uitbreidt over de varkenshouderij, of de moraal van de varkenshouderij die zich uitbreidt over ons
Deze ecologische verkwisting, het verbruik van steeds meer dieren om een bepaalde productie te realiseren, doet zich vooral daar voor waar veel vreemd vermogen is aangewend bij de ontwikkeling van het bedrijf. Met de verkoop van een deel van de productierechten zou de bedrijfsvoering in aanzienlijke mate verduurzaamd kunnen worden. Tenminste: als de opbrengsten van zo'n verkoop worden aangewend voor het versneld aflossen van een belangrijk deel van de schulden die op het bedrijf drukken
Wat daarbij essentieel is, is een correctie in het fiscale stelsel: bedrijfsverkleining terwille van een verduurzaming zou fiscaal onbelast moeten zijn. De ironie wil dat thans exact het omgekeerde het geval is: juist bedrijfsvergroting is fiscaal aftrekbaar. Juist daardoor zien we dat zich op een deel van de bedrijven het tegendeel van verduurzaming voltrekt
Nu zou men kunnen tegenwerpen dat economische wetmatigheden simpelweg dwingen tot de geschetste ontwikkeling. Een dergelijke redenering is niet staande te houden, noch in theoretisch, noch in empirisch opzicht. In Competitive advantage stelt Michael Porter dat zowel de economische rentabiliteit van een sector als geheel als ook de concurrentiepositie van de afzonderlijke onderneming mede kunnen worden gevormd door en vanuit de ondernemingen. Competitive strategy, then, not only responds to the environment but also attempts to shape that environment in a firm's favor. Het interessante van deze stellingname is dat zo afstand wordt genomen van het determinisme dat de gangbare landbouw-economische analyse zozeer karakteriseert. Een determinisme waarin de markt wordt gerepresenteerd als de allesbepalende factor, die op dwingende wijze de ontwikkeling en het lot van de boeren dicteert
Differentiatie
Porter introduceert een aantal strategische grondpatronen: kostenreductie, differentiatie en focus. Dat laatste betreft de mate waarin gekozen wordt voor een beperkt aantal dan wel breed gamma van producten, markten en resources. Naast het vertrouwde beeld van bedrijven die streven naar een verdere vergroting van het productievolume, treft men ook grote groepen bedrijven waar kostenvoordelen worden gerealiseerd door het verbijzonderen van de resources waarmee men werkt. Vaak resulteert dit in superieure input-output relaties en ook in een relatief hoge toegevoegde waarde per eenheid eindproduct. Het is een spoor dat zich nauw vervlecht met baanbrekend onderzoek binnen KCW. Ik verwijs naar het onderzoek van Jaap van Bruchem, naar het onderzoek op de Marke en ook naar het onderzoek van Marcel Dicke. Daarnaast is sprake van een groeiende groep bedrijven waar, in het kader van plattelandsvernieuwing, nieuwe vormen van differentiatie worden ontwikkeld
Porters visie en benadering zijn nog nauwelijks op de landbouw toegepast. Zowel op het niveau van de landbouwwetenschap als op het niveau van het beleid geldt een verregaande onkunde ten aanzien van dit veelvormige strategische repertoire. Bij de discussie over het concept landhervorming wees ik op de noodzaak om behalve het niveau van de primaire productie, ook uitdrukkelijk het niveau van de economische en institutionele context in de analyse te betrekken. Hier geldt dat bij uitstek
Met recht zou men kunnen stellen dat een deel van de landbouwbedrijven nu al te groot is. Te groot om over te kunnen schakelen naar bijvoorbeeld de ecologische landbouw. Te groot in sociaal opzicht. Te groot om de noodzakelijke fijnregulering te betrachten. Te groot gezien het landschap waarin het bedrijf moet worden ingepast. Een geleidelijke en verantwoorde vergroting van bedrijven verdient alle respect, zeker als daarbij nieuwe, originele routes worden gevolgd. De abrupte en disproportionele schaalvergroting, die uitmondt in de creatie van megabedrijven, vormt echter een fenomeen van totaal andere orde. Door deze disproportionele groei wordt de geschetste problematiek gekwadrateerd. Met deze megabedrijven ontstaan hier de plantages en hacienda's die elders tot landhervorming noopten

Re:ageer