Wetenschap - 16 februari 1995

Masterplan 1996-1999

Masterplan 1996-1999

Het college van bestuur heeft afgelopen dinsdag het masterplan gepubliceerd, waarin het in grote lijnen aangeeft hoe de financiele problemen, die op de Landbouwuniversiteit afkomen, kunnen worden opgelost en hoe deze problematiek kan worden aangegrepen om er beter uit tevoorschijn te komen: weliswaar op een lager financieel, maar op een hoger inhoudelijk niveau, aldus het college.


Deze week ontvangen alle personeelsleden een persoonlijk geadresseerde brief van het college waarin het masterplan wordt toegelicht.De universiteitsraad zal het plan behandelen in de vergadering van dinsdag 14 maart. Bij het masterplan, dat als motto heeft meegekregen Op weg naar een nieuwe Landbouwuniversiteit, heeft de universiteitsraad een groot aantal bijlagen van het college ontvangen, waarin de verschillende onderdelen van het masterplan worden onderbouwd met nadere overwegingen en gegevens.

Hier volgt de integrale tekst van het masterplan:

Beleidsvoorstel van het college van bestuur aan de universiteitsraad
Op weg naar een nieuwe Landbouwuniversiteit - Masterplan 1996-1999

De Landbouwuniversiteit is een gezonde instelling met een kansrijke toekomst. Haar strategie is gericht op de meest wezenlijke levensvoorwaarden van de moderne samenleving -voeding, milieu, landbouw, natuur. Niettemin wordt de Landbouwuniversiteit door bezuinigingsmaatregelen van de overheid ernstig bedreigd. Zo ernstig dat van een financiele crisis gesproken kan worden; de universiteit heeft een nieuwe strategie nodig.

Deze nieuwe strategie mag niet gevonden worden in het verschralen van de missie van de universiteit, dat zou de dood in de pot zijn. Ze moet en kan gelukkig ook gevonden worden in de versobering van de middelen waarmee de missie wordt nagestreefd. Een geschikt vertrekpunt daarvoor vormt de inkrimping van het aantal leerstoelen tot 90, waartoe onlangs is besloten.

Daar komt bij dat het mogelijk moet zijn de crisis te baat te nemen als een gelegenheid die nieuwe kansen biedt. De universiteit komt er beter uit te voorschijn dan ze erin is gegaan: op een lager financieel niveau weliswaar, maar op een hoger inhoudelijk niveau.

In dit masterplan, waarin een groot aantal recent vastgestelde danwel aangekondigde deelplannen hun samenhang vinden, maakt het college van bestuur duidelijk hoe en waar het de uitwegen uit de crisis ziet. Dit plan, dat nu voor besluitvorming bij de universiteitsraad wordt ingediend, heeft betrekking op de begrotingsjaren 1996 tot en met 1999. Het college verwacht in die jaren een bezuiniging, die oploopt tot 24,4 miljoen in 1999, hetgeen neerkomt op ongeveer 10 procent van de eerder verwachte rijksbijdrage.

De bezuinigingen bestaan in de eerste plaats uit de directe kortingen, die voortvloeien uit het regeerakkoord (1994) en uit de plannen van de minister van OCW met het hoger onderwijs. Verder zijn erin verdisconteerd de indirecte bezuinigingen, zoals het ontbreken in de rijksbijdrage van prijscompensaties en compensaties voor salarisverhogingen. Het college zal de taakreductie, die als gevolg hiervan nodig is, in een oplopend tempo doorvoeren, namelijk 15 procent in 1996, 40 in 1997, 70 in 1998 en 100 procent in 1999.

Uitgangspunt

Uitgangspunt van het college is dat de primaire activiteiten van de universiteit, onderwijs en onderzoek, nog aan kwaliteit kunnen winnen, zodat de aantrekkingskracht van de instelling zal toenemen. Bezuinigingen worden zoveel mogelijk gevonden in de organisatie van de universiteit. Zowel op centraal als op decentraal niveau heeft het college gezocht naar mogelijkheden om de omvang van bureaus en diensten te verkleinen.

Het slagen van de strategie zal hoe dan ook afhankelijk zijn van de inzet van alle medewerkers en medewerksters, terwijl juist in deze tijd meer dan ooit van hen wordt gevergd.

Onderwijs

De kwaliteit van het onderwijs is doorslaggevend voor de toekomst van de universiteit. De kwaliteit van de docent speelt daarin een centrale rol. Daar waar dat nodig is zal die kwaliteit dan ook verder worden verbeterd; daarvoor heeft het college onlangs een speciaal plan vastgesteld. Onder studenten staat de Wageningse onderwijsorganisatie hoog aangeschreven vanwege haar ruime keuzemogelijkheden. Het is de inzet van het college die keuzevrijheid zo groot mogelijk te houden, zelfs als daarvoor overgeschakeld moet worden op goedkopere vormen van kennisoverdracht. In een binnenkort te behandelen nota Onderwijs 2000 schetst het college in den brede hoe het de vernieuwing van het onderwijs wil aanpakken. Het zal daarnaast ook uitwerken waar precies mogelijkheden van bezuiniging te vinden zijn. Daarop vooruitlopend stelt het college nu al vast dat de laatste tijd sprake is geweest van een soort middelpuntvliedende kracht: het onderwijsaanbod is steeds breder geworden en de studente
n zijn daarvan steeds meer gaan gebruiken.

Daarom treft het college een aantal middelpuntzoekende maatregelen. Voor keuzevakken die door minder dan tien studenten worden gevolgd wil het college geen geld meer ter beschikking stellen. Overigens vindt het college het van groot belang, dat juist nu de studenten zoveel sneller en efficinter moeten werken, de studentenvoorzieningen op hoog peil worden gehouden. Het college wil verder de 19 Ir.-opleidingen en de 12 Msc-opleidingen op een of andere wijze concentreren in een relatief klein aantal onderwijsinstituten. De inbreng van docenten en studenten die totnutoe regel is bij de inrichting van de opleidingen zal ook in deze onderwijsinstituten gewaarborgd worden. Door deze nieuwe structuur kan bespaard worden op de indirecte onderwijslasten van secretariaten, examencommissies en dergelijke. Van de andere kant moet ook geprobeerd worden meer inkomsten uit het onderwijs te verkrijgen. Dan denkt het college aan het aanboren van meer doelgroepen voor contract-onderwijs (bedrijfsleven,
senioren). Daartoe moeten de lessen zo worden aangeboden dat ze docent-onafhankelijk gevolgd kunnen worden.

Al met al bezuinigt het college op deze wijze 4,7 miljoen gulden op de kosten van het onderwijs.

Onderzoek

De Landbouwuniversiteit is er de afgelopen jaren in geslaagd zeven sterke onderzoekinstituten op te zetten, die op hun beurt krachtige verbindingen zijn aangegaan met externe onderzoeksgroepen. Daarmee kan de onderzoekstaak van de Landbouwuniversiteit compleet en kwalitatief hoogstaand worden afgedekt. Het college zal binnenkort een voorziening treffen waardoor de nog ontbrekende stem van het ondersteunend en beheerspersoneel in de onderzoekinstituten wordt geregeld. In de verdere ontwikkeling van de onderzoekinstituten heeft het college zoveel vertrouwen, dat het de onderzoeksgelden voortaan alleen in die speerpunt-instituten en in het overige voorwaardelijk gefinancierde (VF-) onderzoek wil investeren. Dat betekent dat het zogenaamde onderwijsgebonden onderzoek geen geld meer krijgt. De helft van het daarmee vrijkomende bedrag wordt vervolgens doorgepompt naar de VF-ruimte.

Verder wil het college de centrale beheersruimte voor onderwijs en onderzoek ('smeerolie') kleiner houden. Anderzijds kan de universiteit volgens het college uit onderzoek ook meer inkomsten genereren. De Landbouwuniversiteit doet het op de markt van het contract-onderzoek bijzonder goed, maar een aanzienlijke uitbreiding lijkt er vooralsnog niet meer in te zitten.

In de sfeer van het onderzoek bezuinigt het college circa 4,2 miljoen gulden en op de centrale beheersruimte 1,8 miljoen.

Organisatie

De budgetten voor onderwijs en onderzoek brengt het college via het nieuwe budgetmodel zo dicht mogelijk bij degenen die verantwoordelijk zijn voor de besteding ervan. Voor het onderzoek zijn dat de zeven recent opgerichte onderzoekinstituten, voor het onderwijs zullen dat de aangekondigde onderwijsinstituten zijn. Deze zullen hun geld besteden bij de vakgroepen, die immers feitelijk de producenten zijn van onderwijs en onderzoek en die bij uitstek de verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit van hun medewerkers en hun wetenschappelijke toerusting. Daarmee zal dan een bestuurlijke middenstructuur zijn gevormd tussen het centrale bestuur (college en raad) en de -tot grotere eenheden geclusterde- vakgroepen aan de basis. De met de raad overeengekomen randvoorwaarden worden daarbij volledig in acht genomen. Ook wordt voor de overgangssituatie een nadere regeling uitgewerkt.

  • Personeelsbeleid
    De Landbouwuniversiteit heeft als werkgever een goede naam op te houden en zal dat ook doen in deze tijd van overleven. Het sociaal statuut en de daarbij passende voorzieningen, waarover bij de vorige bezuinigingsronde met de vakbonden volledige overeenstemming werd bereikt, zal ook nu blijven gelden. Maar het zal duidelijk zijn dat al bij al de primaire arbeidsvoorwaarden moeten prevaleren over de secundaire. Behoud van werkgelegenheid en het aanwenden van middelen daartoe gaat nu uit boven het behoud of zelfs nog de uitbouw in volle omvang van secundaire voorzieningen.

    Het college bezuinigt in deze zin 0,5 miljoen gulden op de kosten van het personeelsbeleid.

  • Bureaus en diensten
    De Landbouwuniversiteit kan zich aan organisatorische, infrastructurele en voorwaardenscheppende diensten geen enkele franje meer permitteren. De betreffende bureaus en diensten worden teruggebracht tot alleen die dienstverlening waar uitdrukkelijk vraag naar is vanuit de eigen organisatie en/of vanuit de overheid. Het motto van het college daarbij is dat de kwantiteit zo klein mogelijk dient te zijn, maar de kwaliteit zo groot mogelijk. Met die leidraad worden het centrale bureau, de sectorale bureaus en diensten en de bibliotheek nauwkeurig uitgekamd. Daarnaast worden nieuwe bronnen van inkomsten gezocht in de richting van facilitaire bedrijfsvoering. Uitbouw daarvan wordt gevonden in het verhuren van incidenteel onderbenutte menskracht, apparatuur en ruimten.

    In totaal bezuinigt het college op het centrale bureau circa 2,8 miljoen gulden, op de sectorale bureaus en diensten 2 miljoen en op de bibliotheek circa 0,5 miljoen gulden.

  • Huisvesting
    Een belangrijke bezuiniging wordt verkregen worden uit een volstrekte herziening van het huisvestings- en investeringsbeleid. Het college heeft daarover een speciale nota gereed. Daarin houdt het vast aan een concentratie van de universiteit op de vier bekende lokaties- de Dreijen, Duivendaal, de Leeuwenborch en Kortenoord. Dat betekent dat een aantal gebouwen daarbuiten zal worden afgestoten. Op de genoemde complexen zal een gebouwenbestand ontstaan dat zich soepel voegt naar de zich wijzigende vraag. Het moet bovendien mogelijk zijn zuiniger met ruimte om te gaan, zodat minder vierkante meter nodig is. Dat vergt meervoudig en intensiever gebruik en concentratie van onderwijsruimten, bibliotheken, kantines, werkkamers van personeel en studenten, practicumruimten en kassen. Ook telewerken zal een aanmerkelijke ruimtewinst moeten gaan opleveren. Daarnaast zijn ook extra inkomsten mogelijk, namelijk door het gebruik van huisvesting voor contract-onderzoek meer dan nu door te berekenen a
    an de contract-partner. In elk geval wil het college de investeringen, die nodig zijn voor het verwerkelijken en instandhouden van het te reduceren gebouwenbestand binnen de perken houden van de rijksbijdrage, aangevuld met opbrengsten uit verkoop, verhuur en de researchcontracten.

    Zodoende bespaart het college structureel 4 miljoen gulden op investeringen in gebouwen; een en ander levert bovendien een structurele besparing van 1 miljoen gulden op aan onderhoud van de gebouwen.

  • Apparatuur
    Ook de investeringen in apparatuur worden verlaagd. Dat kan omdat het apparatuurfonds de laatste tijd niet wordt uitgeput. Er heeft sinds de instelling van dit speciale fonds in 1990 een forse inhaalslag plaatsgevonden. Vooral op computergebied is een infrastructuur gerealiseerd die nu praktisch alle werkplekken toegang geeft tot het elektronisch netwerk en daarmee tot de nodige informatiebestanden. De idee is bovendien dat de beschikbare apparatuur nog beter benut kan worden. Zeker bij de duurste voorzieningen geldt dat niet alleen de apparatuur zelf niet optimaal wordt ingezet, maar dat ook het specialistische personeel nog beter kan worden benut.

    Gezien deze situatie vindt het college dat de post apparatuur structureel met 3 miljoen gulden naar beneden kan.

    Het totaal van de bezuinigingen die het college treft ziet er, verdeeld over de looptijd van het masterplan en uitgedrukt in veelvouden van duizend gulden (kf) aldus uit:

  • KOP = Onderdeel 1996 1997 1998 1999

  • = Onderwijs 705 1880 3290 4700
  • = Onderzoek 623 1660 2905 4150
  • = Centr. beheersruimte o. en o. 270 720 1260 1800
  • = Personeelsbeleid 75 200 350 500
  • = Bureau 419 1116 1953 2790
  • = Sectorale diensten en bureaus 300 800 1400 2000
  • = Bibliotheek 68 180 315 450
  • = Investeringen in gebouwen 4000 4000 4000 4000
  • = Onderhoud aan gebouwen 1000 1000 1000 1000
  • = Apparatuur 3000 3000 3000 3000

  • = Totaal 10460 14556 19473 24390

    Het zal niet mogelijk zijn de absoluut noodzakelijke reductie van taken door te voeren zonder het ontslag van personeel. De getroffen personeelsleden zullen kunnen rekenen op maximale ondersteuning van de zijde van het college bij het verlaten van de instelling en het vinden van een nieuwe arbeidsplaats. Het college schat dat circa 200 personeelsplaatsen zullen moeten verdwijnen. Het merendeel daarvan hoopt het college langs de weg van het natuurlijke verloop te kunnen realiseren.

    Voortschrijdende besluitvorming

    Op dit moment nodigt het college de raad uit tot besluitvorming over dit masterplan. Daarna zal het op de verschillende onderdelen meer precies de koers uitzetten en in overleg met betrokkenen tot nadere uitwerking komen. Dan zullen de gevolgen per onderdeel van beleid en organisatie zichtbaar moeten worden. Wat dan volgt is de fase van de toetsing van de gekozen uitgangspunten en van de controle van ongewenste neveneffecten. Met andere woorden: er wordt nu een proces van voortschrijdende besluitvorming ingezet, in de loop waarvan bijsturing mogelijk blijft.

    Het college beseft heel goed, dat in dit masterplan veel wordt gevraagd aan bestuurs- en daadkracht van alle betrokkenen, personeel en studenten. Maar het is er ook ten diepste van overtuigd dat alleen langs deze weg voor de Landbouwuniversiteit nieuwe, kansrijke perspectieven ontstaan.

    Wageningen, 13 februari 1995

  • Re:ageer