Wetenschap - 14 maart 1996

Luchtkastelen van teakhout

Luchtkastelen van teakhout

Controverses over teakplantages frustreren bosbouwsector

Torenhoge rendementen op eigen inleg en wereldrecords in de produktie van duurzaam tropisch hardhout. Met deze mooie voorspellingen en gesteund door het Wereld Natuur Fonds lokte verzekeraar Ohra dertienduizend beleggers over de streep. Zij investeerden flinke geldsommen in jonge Costaricaanse teakboompjes. Bosbouwend Nederland kijkt gefrustreerd toe en ziet zijn goede naam bezoedeld door de ongefundeerde voorspellingen. Berichten uit een sector in verwarring.


De Nederlandse bosbouwers zitten behoorlijk in hun maag met beleggingsmaatschappijen die investeren in teakplantages. Snelle financiele jongens, veelal verstoken van enige bosbouwkundige kennis, ontketenden in korte tijd een hausse in beleggingsfondsen die Nederlandse particuliere spaarcentjes vastleggen in jonge boompjes.

De fondsen spelen daarbij handig in op de toenemende onrust over de teloorgang van het tropisch regenwoud en het daarmee samenhangende maatschappelijk besmette gebruik van tropisch hardhout. In glimmende brochures vermelden de fondsen dat hun teakhout, afkomstig van plantages, de druk op het regenwoud zal verkleinen. Ook zal de immer toenemende vraag naar teakhout zorgen voor hoge prijzen en navenante rendementen.

De doortastende aanpak zorgt voor forse opschudding in de bosbouwwereld. Dat teakhoutplantages kunnen renderen was bekend na ruim een eeuw onderzoek in Indonesie, maar de voorgespiegelde rendementen liggen vele malen hoger dan ooit tevoren behaald.

Vooral de Teakwoodpolis van verzekeringsmaatschappij Ohra is een steen des aanstoots. Deze maatschappij werkt samen met het Nederlandse bedrijf Flor y Fauna in Costa Rica. Dit bedrijf bezat reeds plantages en kon door de beleggingen van Ohra het totale teak-areaal uitbreiden tot een kleine drieduizend hectare.

Alarmbel

Ohra kocht jonge boompjes met het geld van de levensverzekeringen van dertienduizend beleggers. Voor tweehonderd bomen op 0,125 hectare betalen zij eenmalig 5.334 gulden en daarna negentien jaarlijkse termijnen van 534 gulden. De grond, in totaal vijftienhonderd hectare, blijft eigendom van Flor y fauna. De verkoop van het rondhout - na acht, zestien en twintig jaar - moet de beoogde winst opleveren.

Ohra stelde aanvankelijk hoge rendementen in het vooruitzicht, oplopend tot 25 procent, en een verwachte houtopbrengst van 794 tot 960 kuub per hectare. Toen luidde de alarmbel bij bosbouwend Nederland. Dergelijke cijfers waren onbekend. Dat bleek ook uit een literatuurstudie in 1991 van studenten van Hogeschool Larenstein, die uitkwam op maximale opbrengsten van zo'n driehonderd kuub per hectare in twintig jaar.

De studenten schreven daarop een kritisch verslag, vertelt hun voormalige begeleider, ir A. Heinen. Dat viel volgens hem verkeerd bij Huizinga, de eigenaar van Flor y Fauna. Doordat het ontbrak aan veldgegevens van de gewraakte plantage, stond Larenstein zwak en moesten de studenten hun kritiek inslikken. Niettemin zetten andere studenten het onderzoek voort, ondermeer in Costa Rica. Niet bij Flor y Fauna; een aanvaring was genoeg", aldus Heinen.

De toenemende informatiestroom overtuigde Heinen ervan dat Teakwood pronkt met te hoge rendementen. Toch schreeuwt hij zijn conclusie niet van de daken, want hij weet dat Huizinga de plantage goed beheert, de grond goed benut en ruim driehonderd mensen werk verschaft. Larenstein heeft hierin ook geen maatschappelijke functie, maar als mensen bellen geef ik bosbouwkundig advies. Probleem is dat Ohra elke week een paginagrote advertentie kan zetten. Daar kunnen we als bosbouw-sector niet tegenop. Maar alerte mensen moeten toch weten dat deze beleggingsvorm risicovol is?"

De Consumentengeldgids trok in januari dit jaar dezelfde conclusie: Hoewel beleggen altijd met risico's gepaard gaat, is het aantal slecht inschatbare risico's bij teakhout-beleggingen extreem groot. Omdat uw geld bovendien tenminste vijftien jaar vast staat is deze beleggingsvorm niet aan te raden."

Rechtszaak

Heinens voorzichtige opstelling kent nog een andere reden: de Teakwood-ondernemers deinzen er niet voor terug om critici voor het gerecht te dagen. Dat overkwam een oud-adviseur van Flor y Fauna, L.H.T. Van Weezendonk, die in 1995 publiekelijk de hoge voorgespiegelde rendementen hekelde. Ohra verloor het proces.

De rechtszaak sloeg in als een bom. Ohra bleek zelfs de opbrengstverwachtingen te hebben opgeschroefd tot 1.067 kuub per hectare. De bron van die verwachtingen was opmerkelijk: een deurwaarder. Die was in 1993 afgereisd naar de plantage om metingen te verrichten, onder toeziend oog van bosbouwers van onder andere het ministerie van Landbouw, natuurbeheer en visserij en het Directoraat-generaal Internationale Samenwerking. De betrokken LNV-ambtenaar onderschreef de spectaculaire resultaten van de deurwaarder en achtte ze zelfs aan de voorzichtige kant.

Dat werd toch echt te gek, constateerde voormalig hoogleraar Bosbouw prof dr ir R.A.A. Oldeman. Hij analyseerde de gepresenteerde metingen en nagelde ze ongenadig hard aan de schandpaal: de steekproef was veel te klein, de metingen waren bijzonder onnauwkeurig en de manier van meten werd niet vermeld, standaarddeviaties ontbraken, et cetera. Kortom, het niveau was bedroevend; een ingenieur volstrekt onwaardig.

Geloofwaardigheid

De hevige beroering in de bosbouwwereld over de Ohra-case komt ook voort uit de bemoeienis van het Wereld Natuur Fonds met het Teakwood-project. Het WNF onderschrijft het belang van teakproduktie op plantages en acht deze aanpak aanvullend op de eigen natuurbeschermingsprojecten. De deelname in Teakwood is bovendien uiterst lucratief: de natuurbeschermers ontvangen zevenhonderd gulden van elke eerste inleg en vijf procent van de opbrengsten na houtverkoop. Dat zou een bedrag tussen 27 en 73 miljoen gulden opleveren, bestemd voor projecten in Midden-Amerika. Ohra schroefde die voorspelling onlangs zelfs op tot honderd miljoen.

Volgens ir K.F. Wiersum, medewerker bij de LUW-vakgroep Bosbouw, verwart het WNF middelen en doelen. De organisatie koos te eenzijdig voor het grote geld, waardoor projecten die sterker zijn gericht op lokale ontwikkeling uit zicht raken; nu vloeit het gros van de Teakwood-opbrengsten terug naar Nederland. Maar het WNF geeft geen duimbreed toe; als overheden terugtreden, moeten non-gouvernementele organisaties een rol van betekenis spelen en dus over geld beschikken. Stille diplomatie vanuit de vakgroep kon aan die visie weinig veranderen.

Toch kan de hele affaire ten koste gaan van de goede naam van het Wereld Natuur Fonds. Het fonds probeerde op twee manieren zijn geloofwaardigheid te garanderen. Beide pogingen liepen spaak.

Zo wilde het WNF dat Flor y Fauna gecertificeerd duurzaam hout zou telen. Daarvoor werd de Rainforest Alliance ingeschakeld, die aan de hand van de Smartwood criteria de plantage doorlichtte. Dit leidde tot forse aanpassingen. Er werden corridors met inheemse planten aangelegd, totaal 85 hectare, om de effecten van de plantage op het omringende ecosysteem te beperken. Bosstroken langs de rivier werden hersteld en spuiten met chemicalien was voortaan uit den boze.

Allemaal prima natuurlijk, ware het niet dat Ohra vorig jaar in paginagrote advertenties meldde dat Teakwood gecertificeerd was door de toonaangevende Forest Stewardship Council. Maar de Rainforest Alliance was nog niet aangesloten bij de FSC, die bovendien geen plantagehout certificeert.

Het lijkt muggezifterij, maar de bosbouwers reageerden zeer gepikeerd. Bosbouwconsultant ir P.C. Romeijn verklaart dat er grote belangen met de certificering zijn gemoeid. Onder grote politieke druk werkt de bosbouwwereld aan de stimulering van de handel in duurzaam hardhout. Certificering is daarbij een belangrijk instrument. Indien goed uitgevoerd kan het zelfs tegenstribbelende regeringen, exporteurs en houtkapmaatschappijen overtuigen.

De FSC werpt zich daarbij op als de internationale organisatie voor accreditering van organisaties als de Rainforest Alliance, die ter plekke moeten certificeren. Hierbij is absolute geloofwaardigheid vereist; geschutter met onjuiste beweringen in advertenties ondermijnt dit proces. De wrevel onder bosbouwers nam verder toe doordat de FSC nooit openlijk de onjuistheden weerlegde. Temeer daar het WNF de hoofdsponsor is van de FSC.

Nova

Het andere echec van WNF betreft de inschakeling van de Venezolaanse professor J.C. Centeno. Deze gerespecteerde onafhankelijke bosbouwdeskundige ontving in 1991 uit handen van WNF-beschermheer prins Bernhard de Gouden Ark van de WNF, als erkenning van zijn werk in de bosbouw. Centeno moest de economische aspecten van het Teakwood-project doorlichten. Aldus geschiedde, maar Centeno schreef in 1993 een vernietigend rapport, waarin hij beleggers aanraadde hun geld op de bank te zetten en Ohra en Flor y Fauna waarschuwde dat hun hoge voorgespiegelde rendementen naar fraude neigden.

Het schokkendst was dat de resultaten pas november vorig jaar in de openbaarheid kwamen, toen journalisten van Nova een exemplaar van het Centeno-rapport bemachtigden. Snel terugrekenen leerde vervolgens dat het overzeese bezoekje van de deurwaarder blijkbaar bedoeld was om de kritische conclusies van Centeno te weerleggen.

De bosbouwfrustraties bereikten een hoogtepunt toen de ministers Zalm en Van Aartsen Kamervragen beantwoordden, naar aanleiding van de Nova-uitzending. Zalm verklaarde dat hij door het speciale karakter van de beleggingen geen wettelijk toezicht kon uitoefenen. Van Aartsen gooide extra olie op het vuur door te stellen dat niet is bewezen dat de Teakwood-plantages de geprognotiseerde opbrengsten aan hout niet zouden kunnen halen. Hij baseerde zich vooral op de bevindingen van de LNV-ambtenaar die de deurwaarder had vergezeld en die niet langer serieus werd genomen door bosbouwwetenschappers.

Sindsdien voelt menig afgestudeerde van Hinkeloord plaatsvervangende schaamte. Bosbouwers bundelen langzaam de tegenkrachten en zoeken de openbaarheid, aangezien stille diplomatie onvoldoende effect sorteert. Bosbouwconsultant Romeijn tracht alsnog een open discussie te entameren op Internet. Die discussie maakt goed duidelijk hoe hoog de frustraties en verontwaardiging zijn opgelopen. Professor Centeno ontving via het net al drieduizend brieven van verontruste vakgenoten - Ohra had hem inmiddels met een proces gedreigd wegens zijn uitlatingen tijdens de Nova-uitzending - en wordt bestookt met vragen om extra informatie.

Geheimhoudingsplicht

Volgens LUW-bosbouwer Wiersum leren de onverkwikkelijke ervaringen dat bosbouwers bij vakgroepsonderzoeken en consultancies van tevoren met de opdrachtgever moeten afspreken dat wetenschappelijke resultaten openbaar zijn. Als medewerkers opdrachten uitvoeren op eigen houtje, mogen ze de vakgroepsbelangen niet schaden. Wiersum erkent dat de problemen juist ontstaan in onderzoek buiten de vakgroep om. Beleggingsmaatschappijen kunnen consultants inhuren, een geheimhoudingsplicht opleggen en de adviezen naar eigen believen gebruiken. De loyaliteit van de consultants, hun onvolledige zicht op het gebruik van hun werk en de hoop op vervolgopdrachten kunnen ervoor zorgen dat bosbouwers blijven zwijgen en niet publiekelijk ageren tegen aperte onwaarheden en misbruik van gegevens.

Wiersums collega dr ir N.R. de Graaf probeert dit probleem te ondervangen onder het motto de aanval is de beste verdediging. Zo vindt hij dat de Amazone Teak Foundation, die in Brazilie teakplantages beheert, mede door zijn bemoeienis als technisch adviseur reele oogst- en rendementsverwachtingen hanteert. Verkoopt hij dan niet zijn ziel aan de duivel? Nee, vindt de Graaf. Hij heeft bedongen dat hij relevante informatie publiekelijk bekend mag maken. Maar de grootste angst moet zijn dat je vakgenoten je niet meer serieus nemen. Met hen moet je openlijke discussies aangaan, want als wetenschappers protesteren, heb je de grens overschreden."

Houtmassa

Het WNF-hoofdkantoor in Zeist schijnt er anders over te denken. Dat verbood de Wageningse afdeling om naar aanleiding van de Nova-uitzending onder WNF-vlag een openbare discussie-avond te organiseren.

Ohra en het WNF traden wel op 4 maart in de openbaarheid, met een rapport dat was opgesteld door Costaricaanse wetenschappers van het Centro Scientifico Tropical (CST). In de executive summary stellen de onderzoekers dat opbrengsten van vierhonderd tot achthonderd kuub haalbaar lijken, zich daarbij spiegelend aan oudere plantages in Costa Rica.

Volgens De Graaf kan Huizinga met zijn Flor y Fauna bij extreem goede omstandigheden iets boven de vierhonderd kuub uitkomen. Dat betreft dan de gehele houtmassa, niet alleen de mooi verzaagbare delen van de stam. De vakgroepsmedewerker gaat daarbij vooral af op zijn eigen onderzoekservaringen, want de CST-samenvatting rammelt aan alle kanten: gehanteerde methodieken zijn niet vermeld en essentiele meetgegevens ontbreken. Ik lees tussen de regels door dat de onderzoekers niet beseffen dat ze erin geluisd worden," stelt De Graaf. Zo lijken de onderzoekers zich vooral te baseren op gegevens van Flor y Fauna die juist ter discussie staan. Als mijn studenten zo'n samenvatting inleveren, dan accepteer ik die niet", vult collega Wiersum aan.

Daarmee lijkt het geharrewar over Teakwood te ontaarden in een herhaling van zetten. Hoe kunnen bosbouwers nu adequaat reageren en zich een volgende onverkwikkelijke ervaring besparen? De Graaf: Voor wetenschappers is de enige waarheid de werkelijkheid. Die kunnen we in dit geval meten, maar doe het dan wel goed. Om een eind te maken aan de discussie moet Flor y Fauna ons eigenlijk toestemming geven om alles op te meten, maar dat doen ze niet. Als het geld regeert, kun je dit soort zaken verwachten."

Wiersum: Je wordt geconfronteerd met je ethische grenzen als er zoveel geld in deze handel omgaat. In het verleden ging de discussie over de vraag of je als vakgroep wel mocht samenwerken met houtkapmaatschappijen. Nu doemt de vraag op in hoeverre je jezelf moet distantieren van organisaties die in het kader van bosaanleg voornamelijk met geldbuidels rammelen."

Re:ageer