Wetenschap - 22 juni 1995

Loopkevers mijden de nieuwe snelwegen van de ecologische hoofdstructuur

Loopkevers mijden de nieuwe snelwegen van de ecologische hoofdstructuur

Een uniek databestand dankzij 35 jaar onderzoek in Wijster

Wanneer geeft een beest er de brui aan? Niet als individu, maar als groep. Wanneer sterft dus een soort uit? Met deze vraag in het achterhoofd bestudeerden populatie-ecologen van het Biologisch Station in Wijster tientallen jaren het intieme en minder intieme leven van de loopkever. Deze maand verschenen weer twee proefschriften over deze groep torren. Het onderzoek is van groot belang voor de ondersteuning van het natuurbeleid", zegt de geestelijke vader van dit omvangrijke project dr P.J. den Boer. Maar helaas, ondanks alle toegenomen aandacht voor natuurontwikkeling gaat de aandacht, en dus het onderzoeksgeld, meer uit naar das of zeearend, dan naar de Carabidae.


Nederlandse loopkevers worden tussen de twee en de dertig millimeter groot, hebben net als alle andere insekten zes poten, en scharrelen wat rond op zoek naar een smakelijk collega insektje, slak of worm. Een keer per jaar plant hij zich voort, om daarna maandenlang in rust te gaan. Een onopvallende gast in Darwins evolutionaire kermis, behalve bij het onverwachts en per ongeluk opduiken bij de picknick.

Populatie-biologen van het Biologische Station Wijster hebben desondanks de groep torren 35 jaar lang op de voet gevolgd. Ze hebben ongeveer alles over de loopkeverfamilie verzameld. Welke temperaturen en prooien deze groep insekt prefereren, hoeveel eieren ze leggen, hoe oud ze worden en zelfs hoe ver ze rennen. De kasten van het Biologisch Station bulken van de geprepareerde torren, de computers en kaartenbakken zitten vol gegevens.

Dat komt door dr P.J. den Boer die eind jaren vijftig naar het Biologisch Station kwam en de loopkever als onderzoeksobject koos: Ik wilde de dynamiek van populaties vergelijkenderwijs bestuderen. Wat is de kans op uitsterven van een populatie, en welke processen bepalen dat. Dat waren toen belangrijke ecologische vragen en het zijn het nog steeds."

De net gepensioneerde Den Boer kijkt vanuit zijn leunstoel in de huiskamer naar buiten. Pal tegenover zijn huis ligt het Biologisch Station Wijster en daarom heen wat bos en heide. Vroeger had je hier een grote drassige heide. De afgelopen honderd jaar is die steeds meer in beslag genomen door de landbouw. Interessant is om te weten wat voor effect dat heeft op populaties van soorten. Er is een theorie die stelt dat populaties die op eilanden leven gedoemd zijn vroeg of laat uit te sterven. Krimpende populaties kunnen niet zo makkelijk worden aangevuld vanuit populaties elders. Als een populatie een dieptepunt bereikt, dan is herstel zeer moeilijk. Ik wilde weten of die snippers heide, bos of hoogveen een soort eilandjes zijn in het cultuurlandschap, waardoor veel soorten die daar nu nog leven dreigen uit te sterven."

Nummeren

De loopkeverfamilie (Carabidae), waarvan in Nederland slechts 550 van de 40.000 soorten leven, leek hem een geschikte groep om vergelijkende dynamica van soorten aan te bestuderen. Binnen de groep zijn honderden verschillende leefwijzen te ontdekken. Bovendien zijn loopkevers erg makkelijk te bemonsteren. Een glazen pot in de grond is voldoende om de beesten in de val te laten lopen en kunnen de insekten gemakkelijk individueel worden gemerkt. We hebben een methode ontwikkeld waarmee we met een grammofoonnaald gaatjes in het dekschild smelten. Je krijgt in feite ponskaartjes, waarvan we onder de microscoop een nummer kunnen aflezen."

Jaren van monitoren zijn gevolgd. Van zeker 68 soorten is het wel en wee in het veld en laboratorium bestudeerd. Dat levert een uniek databestand op, waarvan de laatste jaren de vruchten zijn geplukt.

Uit simulaties van de dynamica blijkt dat inderdaad eiland-effecten zijn te verwachten: lokale loopkeverpopulaties raken geisoleerd en sterven pleksgewijs uit doordat zich nauwelijks nieuwe populaties vestigen. Zelfs in een kleinschalig cultuurlandschap zijn afstanden al gauw onoverbrugbaar. Door dit onderzoek weten we nu dat de overlevingsduur van soorten heel verschillend kan zijn. Als een terrein groot genoeg is voor verschillende subpopulaties dan wordt de levensduur van de totale metapopulatie aanzienlijk verlengd. De soort doet dan aan risicospreiding. Een subpopulatie die in zijn eentje maximaal 30 jaar overleeft kan met 10 andere subpopulaties zijn levensduur verlengen tot 6.000 jaar."

Kijk en dat is interessant voor natuurbeheer. Men dacht altijd dat genetische verarming in kleine gebieden de oorzaak was van uitsterven van soorten. Dat is ook een probleem, maar het gaat er bij kleine koudbloedige dieren vooral om dat de natuurlijke fluctuaties van aantallen wordt gebufferd door de onderlinge uitwisseling tussen subpopulaties."

Flying for life

Die interactie is ondermeer afhankelijk van de mobiliteit van de loopkevers. Van de ene soort kunnen de individuen vliegen, van de andere kunnen ze dat helemaal niet en weer een andere soort vliegt alleen onder speciale omstandigheden. Die diertjes kennen twee verschillende verschijningsvormen. Dr B. Aukema die 6 juni promoveerde op het proefschrift Flying for Life bij prof. dr J.C van Lenteren onderzocht in hoeverre dat te maken heeft met de omstandigheden in het leefgebied. Hij trekt een opmerkelijke conclusie: een van de dimorfe soorten die hij bestudeerde kreeg alleen vleugels als de voedsel- en klimaatomstandigheden gunstig zijn. Het zijn de avonturiers van het gezelschap, die, juist als het goed gaat, hun geluk elders beproeven. Een verslechterde toestand van het habitat verhoogt dus geenszins de mobiliteit van de loopkevers, zoals bij sprinkhanen die juist gaan trekken als de voedselomstandigheden ongunstig zijn.

Dr R-J. Vermeulen, die op 12 juni promoveerde bij prof. dr C.W. Stortenbeker, keek hoe subpopulaties van loopkevers van schrale heidevegetaties met elkaar in contact kunnen komen via verbindingswegen. Een project dat is gefinancierd door Rijkswaterstaat. In de Ecologische Hoofdstructuur worden allerlei verbindingen gepland tussen natuursnippers. Maar is dit ook zinvol voor loopkevers, indicatorsoorten van honderden grond- en plaatsgebonden dieren zoals pissebedden, spinnen of hagedissen? Het gekke was dat nergens in Nederland een geschikte schrale wegberm te vinden was die twee heidevelden met elkaar verbindt." Vermeulen heeft daarom het gedrag van individuele soorten bestudeert in een schrale wegberm dat slechts met een natuurgebieden verbonden was. Het gaat om drie soorten die heel algemeen voorkomen in heidevegetaties. Via nauwkeurig observaties trachtte hij de voorkeuren en maximale verplaatsingen van de drie soorten te achterhalen. Het blijkt dat de beesten niet m
eer dan 25-50 meter in een jaar afleggen. Ook zijn ze zo habitatspecifiek dat ze niet eens dicht gras inlopen."

In een simulatiemodel is vervolgens gekeken naar de verspreidingssnelheid. Hieruit blijkt dat een corridor minimaal twaalf meter breed moet zijn wil de verbindingsbaan functioneren. Iedere versmalling of verandering van vegetatie leidt tot vertraging in de verbreidingssnelheid en verlies aan individuen." In de buurt van het Biologisch Station Wijster wil men een verbinding tussen twee heidegebieden van 10 meter breed en 5 kilometer lang aanleggen. De loopkevers kunnen het dan wel vergeten. Voor die groep bodemgebonden evertebraten heeft zoiets geen enkele zin. Die pijlentrekkerij in Ecologische hoofdstructuur is heel aardig. Maar men heeft eigenlijk nooit bedacht hoe lang en breed die stroken moeten zijn voor verschillende soorten." De soorten doen het volgens Vermeulen aanzienlijk beter als de berm tevens ook geschikt is voor de voortplanting, de bermen moeten dan echter als heidegebieden beheerd worden.

Versnipperd

Volgens Den Boer kan het simulatiemodel waarmee de overleving van loopkeverpopulaties in een versnipperd natuurlandschap is berekend, ook prima op andere soorten worden losgelaten. Dat zou een goede onderbouwing zijn voor het natuurbeheer. Nu wordt veel gepraat over de inrichting van de Ecologische Hoofdstructuur, maar men weet in feite niets over de verbetering van de overlevingskansen van de soorten. Vooral niet die van de lagere dieren. Niettemin vind ik de Ecologische hoofdstructuur al een stap in de goede richting."

Alhoewel het fundamenteel loopkeveronderzoek van het Biologisch Station Wijster interessante resultaten heeft opgeleverd en een schat aan informatie bevat, hangt het keer op keer aan een zijden draad. Aukema, Den Boer zag in hem een opvolger, heeft inmiddels een baan elders. De gepensioneerde Den Boer is vervangen door een nematoloog, dr R.G.M. de Goede, hetgeen een duidelijke accentverschuiving inhoudt van de zwaartepunten binnen het Biologisch Station. Dr T.S. van Dijk en zijn assistent zijn eigenlijk de enige vaste krachten op het Biologische Station die nog met loopkevers werken. De landbouwuniversiteit heeft eigenlijk nooit veel belangstelling gehad voor dit onderzoek. Het bestuur, maar ook buitenstaanders vergeten snel waarom je loopkevers onderzoekt. Het beest is niet schadelijk, niet nuttig en het loopt alleen maar...." omschrijft hij het algemene onbegrip. Den Boer vreest voor de toekomst van zijn levenswerk.

Maar prof. dr L. Brussaard, die sinds anderhalf jaar hoofd is van het Biologisch Station, onder wie het Biologische Station ressorteert, vindt die vrees niet helemaal terecht. De laatste jaren hebben we wel het intensieve monitoringsprogramma van den Boer grotendeels afgebouwd. Ook zijn er minder mensen met het loopkeveronderzoek bezig. Maar de loopkevers hebben zeker mijn aandacht. Ik wil kijken hoe we het onderzoek kunnen meenemen in het bodemecologisch programma en ben op zoek naar externe financiering." Brussaard promoveerde op mestkevers, weliswaar een heel andere groep, maar toch er blijft hoop.

Re:ageer